SAMENVATTING SOCIALE PSYCHOLOGIE
1. Wat is sociale psychologie?
2. Hulpverlenend gedrag
3. Agressie
4. Gehoorzaamheid
5. Macht en onmacht
6. Sociale cognitie en sociale perceptie
7. Zelfcognitie en zelfperceptie
8. Attitudeleer
9. Het individu versus de groep
1. WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?
1.1 STUDIEOBJECT EN DEFINITIE VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
Definitie Allport:
• Sociale psychologie is de studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de
gedachten, gevoelens en gedragingen van een individu worden beïnvloed door de
geobserveerde, ingebeelde of impliciete gedachten gevoelens en gedragingen van anderen.
De sociale psychologie onderzoekt het materiële object en het formele object:
Materiële object = hoe wordt het gedrag van mensen beïnvloed door (het gedrag van) anderen?
Bewust
Beïnvloeding
Onbewust
Expliciet
Beïnvloeding
Impliciet
Formele object = wat zijn de wetmadigheden hierin?
1
,1.2 WERKWIJZE VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1) DRIE DIMENSIES
Volgens de Nederlandse socioloog J.A.A. van Leent zijn er drie belangrijke dimensies te onderscheiden in het
onderzoek en de onderzoeksdimensie van de sociale psychologie -> fundamentele denkwijzen
Breedte-dimensie De sociale psychologie moet een zo breed mogelijk onderzoek voeren
Je neemt een zo breed mogelijke onderzoeksgroep op in je steekproef, die de
totale populatie zo dichtbij mogelijk benadert. Alle lagen van de bevolking, alle
leeftijden, geslachten, niveaus etc. moeten opgenomen worden in het onderzoek
Diepte-dimensie Doordringen in het diepste van de mens, de mens onder het gestelde gedrag
begrijpen
Gekenmerkt door de dieptepsychologie van Freud
Hoogte-dimensie Een theorie moet in de hoogte opgebouwd worden: bevinding op bevinding,
theorie op theorie, er wordt altijd voortgebouwd op wat al onderzocht was
2) HET EXPERIMENT ALS METHODE
Sociale psyschologie doet dus vooral beroep op experimenten als onderzoeksmethoden.
Een aantal belangrijke begrippen:
• Socius = (meervoud socii), ‘de ander in de sociale situatie’. Bijvoorbeeld een proefpersoon die met
enkele socii deel uitmaakt van het gebeuren
• Rolspeler = iemand die doet alsof hij deelneemt aan het experiment, maar de opdracht heeft
gekregen van de proefleider om bepaald gedrag te stellen
• Pseudoproefpersoon = de rolspeler
• Naïeve proefpersoon = de effectieve proefpersoon die van niets weet en waarop de werkelijke meting
wordt uitgevoerd
• Experimentele conditie = situatie waarin de proefpersonen op basis van een hypothese een bepaalde
manipulatie ondergaan
• Controleconditie = nulmeting, wat is het gedrag van de proefpersoon zonder de experimentele
manipulatie?
• Jukconditie = twee proefpersonen ondergaan dezelfde onaangename prikkel, ze dragen samen
hetzelfde juk
Voordelen van de experimentele methode:
1. De labosituatie hoeft zich niet te beperken tot een steriele ruimte, integendeel. Er zijn ontelbaar veel
omgevingen en omstandigheden waarin een experiment kan plaatsvinden.
a. De onafhankelijke variabelen in het onderzoek zijn de veranderingen die je bewust aanbrengt
(manipulaties) in de omgeving, in de proefopstelling.
b. De afhankelijke variabelen is dan het resultaat van die manipulaties, zijnde het gedrag dat
verandert.
c. De storende factoren in het onderzoek zijn omgevingssituaties of persoonseigenschappen die
niet algemeen geldend zijn en het resultaat vertekenen
2. Een experiment is herhaalbaar, wat de conclusies objectief en eenduidig maakt.
2
,Nadelen van de experimentele methode:
1. Het experiment is praktisch gezien vaak moeilijk uitvoerbaar omdat de storende factoren niet altijd
gecontroleerd of beheersd kunnen worden.
2. Deontologie kan een rol spelen. Sommige experimenten zijn onaangenaam en belastend.
3. Wanneer een proefpersoon op de hoogte is van het experiment en de bedoeling ervan, kan dat
reactief gedrag opleveren. De persoon zal zich gaan gedrag hoe die verwacht zich te moeten reageren,
dit noemen we demand characteristics.
4. Door dat reactief gedrag zijn de bevindingen niet veralgemeenbaar naar dagelijkse situaties en is er
geen grote externe validiteit meer.
5. De proefleider zelf kan ook een storende factor zijn, waarbij zijn verwachtingen leiden tot een
proefleiderseffect.
Wanneer de aanwezigheid van een proefleider bepaald gedrag in de hand gaat werken, spreken we van een
selffulfilling prophecy of het Pygmalion-effect.
Þ Rosenthal en Jacobson benadrukten het belang van de opvattingen van de leerkracht voor de
prestaties van de leerlingen.
Þ Ze deden in het begin van het schooljaar een intelligentietest en selecteerden 20% van de leerlingen
om hen te omschrijven als ‘in het bezit van buitengewoon potentieel voor intellectuele groei’.
Þ De leerkrachten gaven hen meer aandacht en aan het einde van het schooljaar scoorden deze
leerlingen beter/hoger op de nieuwe intelligentietest dan de leerlingen die minder aandacht kregen.
“The change in the teachers’ expectations regarding the intellectual performance of these allegedly ‘special’
children had led to an actuel change in the intellectual performance of these randomly selected children.”
Maar, de nadelen zijn gelukkig niet altijd onontkoombaar.
Þ Het reactieve gedrag en de demand characteristics kan opgelost worden door een coverstory: de
proefpersonen worden met een list naar de experimentele situatie gelokt.
Þ Het gebruik van onopvallende metingen (camera’s, pseudoproefpersonen, acteurs) kan ook het
reactief gedrag tegengaan.
Þ De selffulfilling prophecy van het proefleiderseffect kan vermeden worden door een dubbelblind
experiment op te zetten. Hierbij heeft de proefleider nog steeds zijn verwachtingen, maar hij weet
niet wie tot de experimentele groep behoort en wie tot de controlegroep. Ook de proefpersonen zelf
weten niet tot welke groep ze behoren (of ze weten zelf niet dat ze aan een experiment aan het
deelnemen zijn).
3
, 2. HULPVERLENEND GEDRAG
De empathie-altruïsmehypothese van Daniel Batson:
Je kan pas van altruïsme spreken indien de hulpverlener het perspectief van de noodlijdende kan aannemen.
Wanneer de hulpverlener enkel ageert vanuit een persoonlijke bezorgdheid, zal dit bv. zijn om een
ongemakkelijk gevoel of schuldgevoel te vermijden. Dus: om het eigen ‘lijden’ te verminderen. In dat geval kan
de hulpverlener het hulpverlenend gedrag stopzetten of ontlopen indien hij het lijden van de ander kan
negeren of ontkennen
2.1 KITTY GENOVESE
Artikel EOS: https://www.eoswetenschap.eu/psyche-brein/catherine-genovese-de-vrouw-achter-het-
bystander-effect
Op 13 maart 1964 rijdt Kitty Genovese van haar werk in een bar in New York ‘s nachts naar huis. Ze parkeert bij
het flatgebouw waar ze woont. Een man volgt haar. Als ze twee messteken in de rug krijgt, begint ze te roepen.
Heel wat buren komen even aan het raam van hun appartement kijken, maar niemand grijpt echt in of belt de
politie. De vrouw wordt seksueel misbruikt en omgebracht. Twee weken later verschijnt er in The New York
Times een artikel dat de onverschilligheid aanklaagt van de 38 getuigen die de dodelijke aanval op Kitty
hoorden of zagen.
2.2 DIFFUSIE VAN DE VERANTWOORDELIJKHEID
!! Omstaanderseffect !! (Bystander effect of bystander apathy)
Latané en Darley lanceren twee cruciale begrippen. Pluralistic ignorance: in een onduidelijke, dubbelzinnige
situatie kijken we uit onzekerheid naar elkaar in de hoop te ontdekken wat we moeten doen. In dit geval
zouden de getuigen gedacht kunnen hebben: ‘Als niemand hulp biedt, is het misschien geen noodgeval’. Het
tweede element is diffusion of responsibility, een verwatering van de verantwoordelijkheid. Door het grote
aantal getuigen ging elk van hen ervan uit dat iemand anders de politie wel zou bellen..
Diffusie van de verantwoordelijkheid = hoe meer omstaanders er bij een noodsituatie zijn, hoe kleiner de kans
wordt dat het slachtoffer geholpen wordt.
4
1. Wat is sociale psychologie?
2. Hulpverlenend gedrag
3. Agressie
4. Gehoorzaamheid
5. Macht en onmacht
6. Sociale cognitie en sociale perceptie
7. Zelfcognitie en zelfperceptie
8. Attitudeleer
9. Het individu versus de groep
1. WAT IS SOCIALE PSYCHOLOGIE?
1.1 STUDIEOBJECT EN DEFINITIE VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
Definitie Allport:
• Sociale psychologie is de studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de
gedachten, gevoelens en gedragingen van een individu worden beïnvloed door de
geobserveerde, ingebeelde of impliciete gedachten gevoelens en gedragingen van anderen.
De sociale psychologie onderzoekt het materiële object en het formele object:
Materiële object = hoe wordt het gedrag van mensen beïnvloed door (het gedrag van) anderen?
Bewust
Beïnvloeding
Onbewust
Expliciet
Beïnvloeding
Impliciet
Formele object = wat zijn de wetmadigheden hierin?
1
,1.2 WERKWIJZE VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1) DRIE DIMENSIES
Volgens de Nederlandse socioloog J.A.A. van Leent zijn er drie belangrijke dimensies te onderscheiden in het
onderzoek en de onderzoeksdimensie van de sociale psychologie -> fundamentele denkwijzen
Breedte-dimensie De sociale psychologie moet een zo breed mogelijk onderzoek voeren
Je neemt een zo breed mogelijke onderzoeksgroep op in je steekproef, die de
totale populatie zo dichtbij mogelijk benadert. Alle lagen van de bevolking, alle
leeftijden, geslachten, niveaus etc. moeten opgenomen worden in het onderzoek
Diepte-dimensie Doordringen in het diepste van de mens, de mens onder het gestelde gedrag
begrijpen
Gekenmerkt door de dieptepsychologie van Freud
Hoogte-dimensie Een theorie moet in de hoogte opgebouwd worden: bevinding op bevinding,
theorie op theorie, er wordt altijd voortgebouwd op wat al onderzocht was
2) HET EXPERIMENT ALS METHODE
Sociale psyschologie doet dus vooral beroep op experimenten als onderzoeksmethoden.
Een aantal belangrijke begrippen:
• Socius = (meervoud socii), ‘de ander in de sociale situatie’. Bijvoorbeeld een proefpersoon die met
enkele socii deel uitmaakt van het gebeuren
• Rolspeler = iemand die doet alsof hij deelneemt aan het experiment, maar de opdracht heeft
gekregen van de proefleider om bepaald gedrag te stellen
• Pseudoproefpersoon = de rolspeler
• Naïeve proefpersoon = de effectieve proefpersoon die van niets weet en waarop de werkelijke meting
wordt uitgevoerd
• Experimentele conditie = situatie waarin de proefpersonen op basis van een hypothese een bepaalde
manipulatie ondergaan
• Controleconditie = nulmeting, wat is het gedrag van de proefpersoon zonder de experimentele
manipulatie?
• Jukconditie = twee proefpersonen ondergaan dezelfde onaangename prikkel, ze dragen samen
hetzelfde juk
Voordelen van de experimentele methode:
1. De labosituatie hoeft zich niet te beperken tot een steriele ruimte, integendeel. Er zijn ontelbaar veel
omgevingen en omstandigheden waarin een experiment kan plaatsvinden.
a. De onafhankelijke variabelen in het onderzoek zijn de veranderingen die je bewust aanbrengt
(manipulaties) in de omgeving, in de proefopstelling.
b. De afhankelijke variabelen is dan het resultaat van die manipulaties, zijnde het gedrag dat
verandert.
c. De storende factoren in het onderzoek zijn omgevingssituaties of persoonseigenschappen die
niet algemeen geldend zijn en het resultaat vertekenen
2. Een experiment is herhaalbaar, wat de conclusies objectief en eenduidig maakt.
2
,Nadelen van de experimentele methode:
1. Het experiment is praktisch gezien vaak moeilijk uitvoerbaar omdat de storende factoren niet altijd
gecontroleerd of beheersd kunnen worden.
2. Deontologie kan een rol spelen. Sommige experimenten zijn onaangenaam en belastend.
3. Wanneer een proefpersoon op de hoogte is van het experiment en de bedoeling ervan, kan dat
reactief gedrag opleveren. De persoon zal zich gaan gedrag hoe die verwacht zich te moeten reageren,
dit noemen we demand characteristics.
4. Door dat reactief gedrag zijn de bevindingen niet veralgemeenbaar naar dagelijkse situaties en is er
geen grote externe validiteit meer.
5. De proefleider zelf kan ook een storende factor zijn, waarbij zijn verwachtingen leiden tot een
proefleiderseffect.
Wanneer de aanwezigheid van een proefleider bepaald gedrag in de hand gaat werken, spreken we van een
selffulfilling prophecy of het Pygmalion-effect.
Þ Rosenthal en Jacobson benadrukten het belang van de opvattingen van de leerkracht voor de
prestaties van de leerlingen.
Þ Ze deden in het begin van het schooljaar een intelligentietest en selecteerden 20% van de leerlingen
om hen te omschrijven als ‘in het bezit van buitengewoon potentieel voor intellectuele groei’.
Þ De leerkrachten gaven hen meer aandacht en aan het einde van het schooljaar scoorden deze
leerlingen beter/hoger op de nieuwe intelligentietest dan de leerlingen die minder aandacht kregen.
“The change in the teachers’ expectations regarding the intellectual performance of these allegedly ‘special’
children had led to an actuel change in the intellectual performance of these randomly selected children.”
Maar, de nadelen zijn gelukkig niet altijd onontkoombaar.
Þ Het reactieve gedrag en de demand characteristics kan opgelost worden door een coverstory: de
proefpersonen worden met een list naar de experimentele situatie gelokt.
Þ Het gebruik van onopvallende metingen (camera’s, pseudoproefpersonen, acteurs) kan ook het
reactief gedrag tegengaan.
Þ De selffulfilling prophecy van het proefleiderseffect kan vermeden worden door een dubbelblind
experiment op te zetten. Hierbij heeft de proefleider nog steeds zijn verwachtingen, maar hij weet
niet wie tot de experimentele groep behoort en wie tot de controlegroep. Ook de proefpersonen zelf
weten niet tot welke groep ze behoren (of ze weten zelf niet dat ze aan een experiment aan het
deelnemen zijn).
3
, 2. HULPVERLENEND GEDRAG
De empathie-altruïsmehypothese van Daniel Batson:
Je kan pas van altruïsme spreken indien de hulpverlener het perspectief van de noodlijdende kan aannemen.
Wanneer de hulpverlener enkel ageert vanuit een persoonlijke bezorgdheid, zal dit bv. zijn om een
ongemakkelijk gevoel of schuldgevoel te vermijden. Dus: om het eigen ‘lijden’ te verminderen. In dat geval kan
de hulpverlener het hulpverlenend gedrag stopzetten of ontlopen indien hij het lijden van de ander kan
negeren of ontkennen
2.1 KITTY GENOVESE
Artikel EOS: https://www.eoswetenschap.eu/psyche-brein/catherine-genovese-de-vrouw-achter-het-
bystander-effect
Op 13 maart 1964 rijdt Kitty Genovese van haar werk in een bar in New York ‘s nachts naar huis. Ze parkeert bij
het flatgebouw waar ze woont. Een man volgt haar. Als ze twee messteken in de rug krijgt, begint ze te roepen.
Heel wat buren komen even aan het raam van hun appartement kijken, maar niemand grijpt echt in of belt de
politie. De vrouw wordt seksueel misbruikt en omgebracht. Twee weken later verschijnt er in The New York
Times een artikel dat de onverschilligheid aanklaagt van de 38 getuigen die de dodelijke aanval op Kitty
hoorden of zagen.
2.2 DIFFUSIE VAN DE VERANTWOORDELIJKHEID
!! Omstaanderseffect !! (Bystander effect of bystander apathy)
Latané en Darley lanceren twee cruciale begrippen. Pluralistic ignorance: in een onduidelijke, dubbelzinnige
situatie kijken we uit onzekerheid naar elkaar in de hoop te ontdekken wat we moeten doen. In dit geval
zouden de getuigen gedacht kunnen hebben: ‘Als niemand hulp biedt, is het misschien geen noodgeval’. Het
tweede element is diffusion of responsibility, een verwatering van de verantwoordelijkheid. Door het grote
aantal getuigen ging elk van hen ervan uit dat iemand anders de politie wel zou bellen..
Diffusie van de verantwoordelijkheid = hoe meer omstaanders er bij een noodsituatie zijn, hoe kleiner de kans
wordt dat het slachtoffer geholpen wordt.
4