LES 1: ORIENTATIE OP DE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Ontwikkelingspsychologie (levenslooppsychologie) richt zich op de
menselijke ontwikkeling
Wetenschappelijke studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit
bij mensen vanaf de conceptie tot helemaal aan de ouderdom, maar met een
accent op de jaren tot de volwassenheid waarin veranderingen elkaar het snelst
opvolgen.
THEMA’S
Fysieke ontwikkeling
Kijkt naar hoe het lichaam invloed heeft op ons gedrag
Hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen, behoeften aan eten, drinken,
slaap, seksuele rijping, groeitempo, motoriek,… (23 j volledig ontwikkelt)
Vb: wat zijn voordelen van borstvoeding?
Cognitieve ontwikkeling
Kijkt naar hoe intellectuele vermogens invloed hebben op het gedrag
Denken, leren, geheugen, probleemoplossing, intelligentie
Vb: wat zijn onze vroegste herinneringen?
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kijkt naar de sociale relaties en interacties met anderen en naar het
omgaan met emoties
Vb: reageren pasgeborenen anders op hun mama dan op andere mensen?
Persoonlijkheidsontwikkeling
Kijkt naar de duurzame gedragingen en eigenschappen die de ene persoon
van de andere onderscheid
Vb: heeft een kleuter besef van goed en fout?
ONTWIKKELEN IN EEN SOCIALE WERELD
Ieder mens behoort tot een specifieke cohort groep mensen die rond zelfde tijd
en zelfde plek zijn geboren.
Naast het cohort waartoe iemand behoort zijn er nog vele andere gebeurtenissen
en factoren die de ontwikkeling bepalen
1/ NORMATIEVE GEBEURTENISSEN (gebeurtenissen binnen groep zelfde)
, Leeftijdsgebonden invloeden (omgevingsinvloeden en biologische
invloeden die gelijk zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep,
ongeacht waar of wanneer ze opgroeien)
Historisch bepaalde invloeden (omgevingsinvloeden en biologische
invloeden die verbonden zijn aan een specifiek historisch moment) bvb.
cohorteffecten
Soc.-culturele invloeden (omgevingsinvloeden en biologische invloeden
die verbonden zijn aan sociale en culturele groepen)
2/ NIET-NORMATIEVE GEBEURTENISSEN (gebeurtenissen in het leven van
een bepaald persoon)
Unieke gebeurtenis die je niet deelt (ouder die overleden is)
LES 2: BABYTIJD
FYSIEKE ONTWIKKELING
1/ fysieke groei
Gemiddelde pasgeborene:
3,5kg
50 cm lang
Groei verloopt heel snel
Hoofd is verhoudingsgewijs veel groter
Cefalocaudaal principe: van boven naar beneden (richting van de groei)
Eerst het hoofd, dan de romp
Proximodistaal principe: van centrum naar buiten
Eerst de romp, dan de ledematen
Principe van hiërarchische integratie: van eenvoudig naar complex
Eerst afzonderlijke vingerbewegingen, dan het grijpen
Principe van onafhankelijkheid van systemen: verschillende systemen
kennen een verschillend groeitempo
Zenuwstelsel en seksuele rijping verschillen
2/ motorische ontwikkeling
Reflex
, Niet aangeleerd
Gestructureerd
Onvrijwillig
Kortdurende reflexen
Zoekreflex (3 weken): Hoofd draait naar aanraking van de wang.
Stapreflex (2 maanden): Beweging van de benen bij contact met de
grond.
Zwemreflex (4-6 maanden): Zwembewegingen in water.
Moro-reflex (6 maanden): Armen spreiden bij plotseling verlies van
ondersteuning.
Babinski-reflex (8-12 maanden): Tenen spreiden bij aanraking van de
voetzijkant.
Reflexen verdwijnen naarmate de baby meer motorische controle
ontwikkelt, omdat ze de basis vormen voor toekomstig gedrag
Blijvende reflexen
Schrikreflex (blijft in andere vorm): Armen en rug strekken bij plotseling
geluid.
Knipperreflex: Ogen sluiten bij blootstelling aan licht.
Zuigreflex: Neiging om te zuigen bij aanraking van de lippen.
Kokhalsreflex: De keel vrijmaken.
Voordelen reflexen
Overleving en bescherming (zoals de zuig- en slikreflex).
Bevordering van sociale relaties (zoals grijpreflex om hechting te
stimuleren).
Diagnostisch hulpmiddel (reflexen helpen artsen om neurologische
ontwikkeling te beoordelen)
Grove motoriek
Zitten: 6 maand
Kruipen: 8-10 maand
Lopen zonder steun: 1 jaar
Fijne motoriek (hiërarchisch)
Hele hand pincetgreep