• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 47 pagina's
Samenvatting

Samenvatting cursus: shock & bloedtranfusie S. Schauvliege

Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 47 pagina's

Samenvatting van de cursus: shock & bloedtranfusie van professor S. Schauvliege. Met zaken uit de les erbij + foto's

Voorbeeld van de inhoud

Algemene heelkunde II
(shock & bloedtransfusie)

,
,Inleiding
Rol van het cardiovasculair systeem in de zuurstofcascade
Zuurstofcascade
 Proces waarbij O₂:
o uit ingeademde lucht gehaald wordt
o via bloed → naar mitochondria in cellen gebracht wordt
 Goede oxygenatie vereist:
o goed ademhalingsstelsel
o goed cardiovasculair systeem

Zuurstoftoevoer (oxygen delivery) afhankelijk van:
 O₂-gehalte arterieel bloed
 weefselperfusie

Globale weefselperfusie
Bepaald door:
1. Hartdebiet (CO = slagvolume × hartfrequentie) = hoeveelheid bloed/min naar weefsels
 Slagvolume afhankelijk van: preload, contractiliteit & afterload

2. Circulatieweerstand (TPR = totale perifere weerstand)
 Bepaald door: vasculaire tonus (vooral precapillaire arteriolen) & bloedviscositeit (→ hematocriet)

3. Arteriële bloeddruk
 Bepaald door: hartdebiet, TPR & circulerend volume (vullingsgraad bloedvaten)
 Belangrijk voor:
o openhouden bloedvaten (“patent”)
o perfusie vitale organen
o perfusie spieren (bv. bij neerliggende zware dieren)

Perfusie van individuele weefsels
 Afhankelijk van: globale weefselperfusie & lokale vasculaire tonus (arteriolen)
 Functie van arteriolen: bepalen verdeling bloed over weefsels
 Voorbeelden:
o Sympathicus (fight & flight): ↑ bloed naar vitale organen + spieren
o Parasympathicus (rust/na maaltijd): ↑ bloed naar splanchnicus

Definitie shock
 Syndroom met: ↓ weefselperfusie onder minimum voor normaal oxidatief metabolisme
 Oorzaak: falen van ≥1 component cardiovasculair systeem

Gevolgen: ↓ O₂ + nutriënten → celbeschadiging → weefselschade → orgaanfalen → dood (zonder behandeling)

Classificatie shock
Moeilijk door overlap (oorzaak, pathogenese, symptomen)

Indeling op basis van pathogenese
Ischemische shock
 Primair probleem: ↓ bloedtoevoer (ischemie)
 Oorzaken: hypovolemisch, obstructief, cardiogeen & traumatisc
 Mechanisme: ↑ vasomotorische tonus → vasoconstrictie → ↑ perifere weerstand, soms ↓ hartdebiet
(↑ afterload)

,Distributieve shock
 Primair probleem: vasodilatatie
 Oorzaken: anafylactisch, endotoxemisch, neurogeen & deels traumatisch
 Mechanisme:↓ TPR → ↓ bloeddruk → ↓ perfusie

Belangrijk: late fase (onbehandeld): beide → veralgemeende vasodilatatie

Indeling op basis van oorzaak (meest gebruikt)

Hypovolemische shock
↓ circulerend volume (bloed/vochtverlies)
Gevolgen: ↓ arteriële druk ↓ veneuze retour ↓ preload ↓ slagvolume ↓ hartdebiet ↓ perfusie

Cardiogene shock
Door hartfalen → ↓ hartdebiet → ↓ druk → ↓ perfusie

Obstructieve shock
Obstructie circulatie (bv. embolie) → 2 mogelijkheden:
Lokaal: ↓ perfusie specifiek weefsel
Algemeen: bv. longembolie → ↓ longperfusie ↓ veneuze retour linkerhart ↓ arteriële druk + perfusie

Distributieve shock
Vasodilatatie (arterieel ± veneus) → effecten:
 ↓ TPR → ↓ bloeddruk
 veneuze dilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ slagvolume → ↓ CO

Omvat: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen

Traumatische shock
 Mengvorm van meerdere types
 Variabel: soms eerst vasoconstrictie, soms direct vasodilatatie

Overlap:
 Ischemisch: hypovolemisch, cardiogeen & obstructief
 Distributief: anafylactisch, endotoxemisch & neurogeen
 Traumatisch = combinatie

Belangrijk klinisch:
 meerdere vormen tegelijk mogelijk
 vb: darmtorsie: obstructief, hypovolemisch & endotoxemisch

Behandeling: gericht op oorzaak + optimalisatie perfusie

, 1. Soorten shock
1.1 Hypovolemische shock
Definitie: verlies bloed/plasma/vocht → ↓ circulatievolume
Ernst:
 10–20% → licht
 20–30% → matig–ernstig
 40–50% → levensbedreigend

1.1.1 Pathogenese (3 fases)
Ischemische fase (compensatiefase)
Trigger: hypovolemie → hypotensie → activatie sympathicus
Catecholamines:
 adrenaline → α, β1, β2
 noradrenaline → vooral α, ook β1

Effecten:
Op hart (β1): ↑ contractiliteit (inotroop) → ↑ hartfrequentie (chronotroop) → ↑ hartdebiet
Op bloedvaten:
 α → vasoconstrictie
 β2 → vasodilatatie

Receptorverdeling:
 huid: α > β2
 nieren: α
 splanchnicus: α (+ beetje β2
 spieren: β2 > α
 coronairen: α + β
 long: α + β2

Netto effect: globale vasoconstrictie → ↑ TPR → ↑ bloeddruk
Extra mechanismen:
 arterioveneuze shunts
 veneuze vasoconstrictie (venulen, venen, milt) → ↑ veneuze retour → ↑ CO

Resultaat:
 behoud perfusie vitale organen
 ↓ perfusie perifere weefsels (huid, mucosae, splanchnicus)

klinisch: bleke mucosae

Hyperdynamische fase
Oorzaak: langdurige hypoxie → celschade
→ vrijstelling vasodilatoren: histamine, kinines, prostaglandines, VIP & TNF

Resultaat = competitie: sympathicus vs lokale vasodilatatie
 bij overwicht lokaal: veralgemeende vasodilatatie & ↑ vasculaire permeabiliteit

Extra: precapillaire sfincters relaxeren sneller → tijdelijk rode/gestuwde mucosae

,Stagnerende fase
Mechanisme: uitgesproken vasodilatatie
Gevolgen:
 sterke bloeddrukdaling
 pooling in capillairen/venulen (vooral splanchnicus)
 zeer lage perifere flow

Gevolgen:
 ↓ O₂ + energie → snel uitgeput
 cyanotische mucosae
 ↓ veneuze retour → ↓ slagvolume → vicieuze cirkel

Extra: ↑ permeabiliteit → verlies: water, ionen, plasma & cellen → oedeem → slechtere microcirculatie
Eind: grijze mucosae

1.1.2 Vormen hypovolemische shock
1. Bloeding
Types:
 uitwendig → makkelijk zichtbaar
 inwendig → moeilijker

“Functioneel bloedverlies” (stase): bloed aanwezig maar niet circulerend
Voorbeelden:
 uterusprolaps/torsie
 darm-/mesenteriumtorsie
 miltpooling
 veneuze pooling (bv. na tumorverwijdering)

Symptomen variëren:
 hyperacute (bv. aortaruptuur): geen typische shock → snelle collaps + dood
 trager verlies: compensatie → later shock

Compensatiemechanismen bij bloeding
Snelle mechanismen
1. Vochtshift
 interstitium → intravasculair
 door ↓ hydrostatische druk → hemodilutie
 snelst eerste uur
 sneller bij jonge dieren

2. Autonoom zenuwstelsel
 ↑ HF + contractiliteit
 vasoconstrictie (huid + splanchnicus)
 ↑ veneuze retour
 Gedeeltelijk herstel: slagvolume, CO & bloeddruk met behoud hersenperfusie

3. Miltcontractie: vooral paard + hond → vrijstelling RBC
4. Ademhaling: hypoxie + metabole acidose → chemoreceptoren → hyperventilatie:
 ↑ O₂ opname
 ↓ CO₂ → respiratoire alkalose → compensatie metabole acidose

,Extra: negatieve thoraxdruk → ↑ veneuze retour
Overmatig: inefficiënt, want ↑ energieverbruik ademhalingsspieren

5. ↑ O₂-extractie
 Procentuele O₂-extractie uit het bloed stijgt
 Het zuurstofverbruik van de weefsels blijft gelijk, terwijl het O₂-aanbod daalt
 Oorzaken van dat verminderde O₂-aanbod: daling van de hematocriet, hartdebiet & bloeddruk
 Gevolg:
o weefsels halen procentueel meer O₂ uit het bloed
o het arterioveneuze O₂-verschil neemt toe
 Deze verhoogde O₂-opname door de weefsels wordt extra bevorderd door veranderingen in de
erytrocyten
 Voor het myocard werkt dit compensatiemechanisme nauwelijks
o In normale omstandigheden is het arterioveneuze O₂-verschil in het myocard al zeer groot
o Dat komt doordat het myocard normaal al bijna maximaal O₂ extraheert
o Het myocard kan zijn O₂-extractie dus praktisch niet nog verder verhogen
 Gevolg voor het myocard
o het myocard krijgt sneller zuurstoftekort
o dit kan leiden tot: verminderde contractiliteit & aritmieën

Tragere mechanismen
Beperking van het waterverlies uit de circulatie en herstel van het intravasculair volume
 ↓ speeksel + GI secreties
 ↓ urine (renale vasoconstrictie + reabsorptie)
 ↑ dorst → ↑ opname water

Timing herstel:
 licht/matig: 6–24u
 ernstig: 24–48u

1. Herstel van plasmaproteïnen, vooral albumine
 Verminderde afbraak van albumine
 Toegenomen synthese van albumine
o sterke toename van de albuminesynthese door hepatocyten
o oorzaak: daling van de oncotische druk in het leverinterstitium
o synthese kan soms verdubbelen
o hepatocellulaire dysfunctie: ongunstig voor albuminesynthese
 Timing herstel albumine
o herstel van albuminegehalte begint al enkele uren na de bloeding
o volledig herstel kan langer dan 1 week duren

2. Herstel van bloedcellen, vooral erytrocyten
 bij uitgesproken bloedverlies: nieren scheiden erythropoëtine (EPO) af
 EPO:
o stimuleert erythropoëse
o zorgt er ook voor dat veel jonge erytrocyten niet vernietigd worden, terwijl dat normaal wel gebeurt

Reticulocyten
 na 4 dg: bij de meeste diersoorten veel nieuwgevormde, onrijpe erytrocyten (reticulocyten) in circulatie
 uitzondering: paard

,3. Herstel hematocriet
 snelheid van herstel hangt af van: diersoort & ernst van bloedverlies
 voorbeeld: paard herstelt trager dan hond
 volledig herstel: 3 weken tot 3 maanden

1.1.2.2 Verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie
Oorzaken
Hypovolemische shock kan ook ontstaan door verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie.

Puur vochtverlies
Vooral via: faeces (diarree), urine, braken, reflux & erg zweten

Vochtverlies mét eiwitverlies
 hierbij gaat ook de colloïd-osmotische / oncotische druk verloren
 gevolg: nog meer vochtverlies

Situaties waarbij dit voorkomt
 ischemie van de darm: torsie & erge liggingsveranderingen
 veel vocht en albumine gaan dan uit de circulatie naar het darmlumen
 ook bij: acute exsudatieve ontstekingsprocessen & grote brandwonden
 ook daar gaan veel vocht en eiwitten verloren

Gevolgen
 net zoals bij bloedverlies ontstaat hypovolemie
 er gaan echter geen erytrocyten verloren
 dus: bloed behoudt op zich zijn O₂-transportcapaciteit

Maar:
 hematocriet stijgt
 gevolg:
o ↑ bloedviscositeit
o PCV > 0,55 → exponentiële toename van viscositeit
 ook:
o ↑ stolbaarheid van bloed
o aggregaten van thrombocyten en vet
o zelfs sludging van erytrocyten

Effect op circulatie
 verhoogde viscositeit bemoeilijkt bloedvloei door capillairen
 samen met vasoconstrictie van:
o arteriën
o kleine arteriolen
o sfincters
 leidt dit tot:
o duidelijke stijging van TPR
o hogere afterload voor het hart

Eindgevolg: al deze factoren brengen de weefselperfusie in het gedrang

, 1.2 Cardiogene shock
Definitie / oorzaken
Cardiogene shock komt voor bij patiënten met hartinsufficiëntie, vooral bij kleine huisdieren.

Voorbeelden
 vergevorderde cardiomyopathie
 klepinsufficiëntie
 ernstige aangeboren afwijkingen
 ernstige aritmieën

Mechanisme: ondanks voldoende circulerend volume: hart kan hartdebiet, bloeddruk en weefselperfusie
niet op peil houden

Gevolg
 ↓ O₂-transport naar de weefsels
 ook myocard wordt getroffen
o myocard heeft zeer hoge O₂-behoefte
o arterioveneus O₂-verschil: 11,5 ml/100 ml
 hierdoor ontstaat snel een vicieuze cirkel

Compensatie
Gelijkaardige compensatiemechanismen als bij hypovolemische shock:
 sympathicusactivatie
o positief inotroop effect
o positief chronotroop effect
 perifere vasoconstrictie
 verminderde urineproductie
 enz.

Probleem
 door onderliggend hartprobleem leidt: stimulatie van het hart
 tot: grotere belasting van het hart & nog minder efficiënte hartwerking

Prognose
 zonder behandeling kan cardiogene shock snel fataal worden
 prognose meestal erg sterk gereserveerd

1.3 Obstructieve shock
Definitie: obstructie van: het hart of één of meerdere grote bloedvaten
Pathogenese: vaak erg gelijkaardig aan cardiogene shock

Typisch voorbeeld: longembolie
Oorzaken van embolie: lucht, thrombus of vet
 bv. bij reduceren van heupluxatie of fractuur

Gevolgen bij longembolie
 groot deel van of volledige a. pulmonalis of één van haar takken kan betrokken zijn
 hierdoor komen in het gedrang:
o output van rechterventrikel
o perfusie van de long
o veneuze retour naar linkerharthelft

, Harttamponade
 shock t.g.v. vocht in het pericard wordt vaak als obstructieve shock gezien
 sommige auteurs klasseren dit onder cardiogene shock

1.4 Distributieve shock
Algemene definitie
 geen tekort aan circulerend volume
 probleem zit in de verdeling van het bloed

Normaal
 diameter van arteries en arterioles wordt nauwkeurig geregeld
 zo krijgen juiste weefsels op juiste moment meer of minder bloed

Bij distributieve shock
 dit systeem raakt ontregeld
 meestal: veralgemeende vasodilatatie
 vaak door: massale vrijstelling van ontstekingsmediatoren

Gevolgen
 circulatoire problemen: onvoldoende bloed voor alle weefsels tegelijk
 ontstekingsmediatoren kunnen ook: directe celschade veroorzaken
 Andere naam: distributieve shock = vasodilatorische shock

Verschil met ischemische shock
 distributieve shock: initieel vasodilatatie
 ischemische shock: initieel vooral vasoconstrictie

Pathogenese van distributieve shock
er is geen ischemische fase, meteen een hyperdynamische cardiovasculaire toestand

Vroege fase
 door vasodilatatie: ↓ TPR & ↓ arteriële druk

Compensatie door sympathicus
 probeert dit te compenseren
 vasoconstrictie-effect is beperkt door bestaande vasodilatatie
 maar: HF stijgt & contractiliteit stijgt

Klinisch gevolg hyperdynamische fase
 combinatie van: ↑ hartdebiet & perifere vasodilatatie
 geeft: (baksteen)rode mucosa, ↑ nierdoorbloeding, polyurie

Evolutie
 hyperdynamische fase duurt meestal langer dan bij hypovolemische shock
 maar: veralgemeende vasodilatatie → ↓ veneuze retour → ↓ preload → ↓ hartdebiet → verdere ↓
bloeddruk

Late fase
 geleidelijk depressie van cardiopulmonaal systeem
 leidt tot: hypoperfusie van weefsels & uiteindelijk stagnerende fase van shock
 mucosae: eerst blauw/paars, later grijsachtig

Inhoudsopgave

  1. 01 Inleiding 3
    1. Rol van het cardiovasculair systeem in de zuurstofcascade 3
    2. Globale weefselperfusie 3
    3. Perfusie van individuele weefsels 3
  2. 02 Definitie shock 3
    1. Gevolgen: ↓ O₂ + nutriënten → celbeschadiging → weefselschade → orgaanfalen → dood (zonder behandeling) 3
  3. 03 Classificatie shock 3
    1. Indeling op basis van pathogenese 3
    2. Indeling op basis van oorzaak (meest gebruikt) 4
    3. Hypovolemische shock 4
    4. Overlap: 4
  4. 04 1. Soorten shock 5
    1. 1.1 Hypovolemische shock 5
    2. 1.1.1 Pathogenese (3 fases) 5
    3. 1.1.2 Vormen hypovolemische shock 6
  5. 05 Compensatiemechanismen bij bloeding 6
    1. Snelle mechanismen 6
    2. Tragere mechanismen 7
    3. Beperking van het waterverlies uit de circulatie en herstel van het intravasculair volume 7
    4. 1. Herstel van plasmaproteïnen, vooral albumine 7
    5. 2. Herstel van bloedcellen, vooral erytrocyten 7
  6. 06 1.1.2.2 Verlies van vocht en/of eiwit uit de circulatie 8
    1. Oorzaken 8
    2. Gevolgen 8
    3. Maar: 8
    4. Effect op circulatie 8
    5. Eindgevolg: al deze factoren brengen de weefselperfusie in het gedrang 8
  7. 07 1.2 Cardiogene shock 9
    1. Definitie / oorzaken 9
    2. Mechanisme: ondanks voldoende circulerend volume: hart kan hartdebiet, bloeddruk en weefselperfusie niet op peil houden 9
    3. Compensatie 9
    4. Probleem 9
    5. Prognose 9
  8. 08 1.3 Obstructieve shock 9
    1. Definitie: obstructie van: het hart of één of meerdere grote bloedvaten 9
    2. Pathogenese: vaak erg gelijkaardig aan cardiogene shock 9
    3. Typisch voorbeeld: longembolie 9
    4. Gevolgen bij longembolie 9
    5. Harttamponade 10
  9. 09 1.4 Distributieve shock 10
    1. Algemene definitie 10
    2. Normaal 10
    3. Bij distributieve shock 10
    4. Gevolgen 10
    5. Verschil met ischemische shock 10
    6. Pathogenese van distributieve shock 10
    7. Algemene fenomenen bij distributieve shock 11
    8. Mediatoren bij distributieve shock 11
  10. 10 1.4.2 Soorten distributieve shock 12
    1. 1. Anafylactische shock 12
    2. Oorzaak 12
    3. Gevolgen 12
    4. Daarnaast 12
    5. Resultaat 12
    6. Typische bijkomende kenmerken: urticaria, acuut oedeem, eventueel bronchospasmen & larynxoedeem 12
    7. 2. Septische of endotoxemische shock 13
    8. Definitie: systemische ontstekingsreactie door ernstige infectie 13
    9. Septische shock ontstaat bij patiënten met bacteriëmie in ongeveer 24–40% 13
    10. Endotoxines 13
    11. Effecten van endotoxines 13
    12. 3 Neurogene shock 14
    13. Oorzaak 14
    14. Gevolg 14
    15. Typisch voorbeeld 14
  11. 11 1.5 Traumatische shock 14
    1. Algemene definitie: meestal een mengvorm van meerdere shocktypes tegelijk 14
    2. Mogelijke mechanismen 14
    3. Samengevat 14
  12. 12 2. Pathogenese op cellulair niveau: het energietekort 15
    1. Krebscyclus 15
    2. Elektronentransportketen 15
    3. Protonengradiënt 15
    4. Hierbij 15
    5. Gevolg: ernstig energietekort 15
    6. Metabole acidose 15
    7. Waarom is metabole acidose gevaarlijk bij shock? 15
    8. Effect op de cel 15
    9. Eindgevolgen op cellulair niveau 16
    10. Noot over lactaat 16
  13. 13 3. Gevolgen voor de functie van de organen en de homeostase 17
    1. MODS 17
    2. Betrokken organen / systemen 17
  14. 14 4. Symptomen en diagnose van shock 19
  15. 15 4.1 Klinische symptomen typisch voor shock 19
    1. Cardiovasculair 19
    2. Interpretatie pols: 19
    3. Verschillen: 19
    4. Perifere circulatie 19
    5. Mucosae 19
    6. Respiratoir 19
    7. Andere klinische tekenen 20
  16. 16 4.2 Hulpmiddelen voor ernstinschatting 20
    1. Bloedonderzoek 20
    2. 2. Lactaat 20
    3. 3. Anion gap 20
    4. 4. Glucose 21
    5. 5. Zuur-base 21
    6. Bloeddruk 21
    7. Andere hulpmiddelen 21
  17. 17 6. Behandeling van shock 22
  18. 18 6.1 Etiologische behandeling 22
  19. 19 6.2 Symptomatische behandeling 22
    1. 6.2.1 Vochttherapie (herstel circulerend volume) 22
    2. Complicaties vochttherapie 23
    3. Oedeem 23
    4. Bij grote hoeveelheden glucose 5% 23
    5. 6.2.2 Farmacologische ondersteuning 23
    6. (6.2.3 stond in kleine letters - cursief -> niet te kennen) 24
    7. 6.2.3 Correctie metabole acidose 24
    8. 6.2.5 Antibiotica 25
    9. 6.2.6 Reperfusion injury 25
    10. 6.2.7 Corticosteroïden 25
    11. 6.2.8 Zuurstoftoediening 26
  20. 20 6.2.9 Verbeteren van de diurese 26
    1. 6.2.10 Andere aandachtspunten 26
  21. 21 7.1 Elektrolytoplossingen (= kristalloïden) 28
    1. Eigenschappen 28
    2. Soorten oplossingen 28
    3. 1. Isotone oplossingen 28
    4. 2. Hypotone oplossingen 29
    5. 3. Hypertone oplossingen 29
  22. 22 7.2 Plasma en albumine 30
    1. Plasma 30
    2. Albumine 32
    3. Eigenschappen 32
    4. Types 32
    5. Volume-effect hangt af van 32
    6. Waterbindend vermogen hangt af van 32
    7. Belangrijk: expandereffect is groter bij snelle dan bij trage infusie 32
    8. Gebruik 33
    9. Combinatie bij shock 33
    10. Voorbeelden 33
  23. 23 7.3.1 Dextranen 33
    1. Eigenschappen 33
    2. Gevaren 33
  24. 24 7.3.2 Hydroxy-ethylzetmeel-oplossingen 33
    1. Eigenschappen 33
    2. Gebruik 34
    3. Nadelen 34
    4. Belangrijk 34
  25. 25 7.3.3 Gelatine-oplossingen 34
    1. Eigenschappen 34
    2. Nadelen / veiligheid 34
    3. Praktisch 34
  26. 26 7.4 Bloedtransfusie 34
    1. Algemeen 34
  27. 27 7.4.1 Indicaties 35
    1. Hematocrietgrens 35
    2. Belangrijke nuance 35
    3. Richtwaarden 35
    4. Extra indicatie 35
  28. 28 7.4.2. Soorten transfusie & bloedproducten 35
    1. Soorten transfusie 35
    2. Autotransfusie 35
    3. Soorten bloedproducten 36
    4. 7.4.3. Donorselectie (allotransfusie) 36
    5. 7.4.4. Bloedverenigbaarheid 38
    6. Waarom testen? 38
    7. Methodes 38
    8. Kruistest (cross match) 38
    9. Indicaties kruistest: 38
    10. Biologische voorproef 38
    11. 7.4.5. Directe vs indirecte transfusie 39
    12. 7.4.6. Bloedafname donor 39
    13. 7.4.7. Antistollingsproducten 39
    14. 7.4.8. Bewaren van bloed 39
    15. 7.4.9. Praktische richtlijnen bloedtransfusie 40
    16. 7.4.10. Overlevingstijd van getransfundeerde erytrocyten 42
    17. 7.4.11. Acute gevaren van bloedtransfusie 42
    18. 7.4.12. Gevaren van massale bloedtransfusie 44
    19. 7.4.13. Hemoglobine-oplossingen 46

Documentinformatie

Geüpload op
10 april 2026
Aantal pagina's
47
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€14,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Verkocht
23
Volgers
0
Items
19
Laatst verkocht
3 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen