ALGEMENE GENETICA: DE OVERERVING VAN FENOTYPISCHE VARIATIE
- Fenotype : alles wat je ziet, kenmerken ( fenos).
PRE-MENDELIAANSE ERFELIJKHEIDSLEER
= alles wat voor Mendel kwam, deze mensen deden ook al aan genetica. O.a. bij de fokkerij; maken van bepaalde rassen.
domesticatie > 10.000 BC? : hangt sterk af van diersoort tot diersoort. Die vroege dierenfokkers kregen al snel door dat :
soortgelijk brengt soortgelijk voort -> een witte hond + andere witte hond : kans dat die nakomelingen wit zijn is
groot. Het werkt zeker maar lang niet altijd. Het principe brengt ook gevaren mee; je kan aan inteelt doen -> mag niet, maar
gebeurt stiekem toch.
PANGENESEIS
( pan : alles omvatten, genesis : alles ontstaan). Deze theorie : een bonte koe, vrouwelijk en
heeft hoorns ( fenotypes, kenmerken). Deze koe heeft een aantal kenmerken, volgens deze
theorie gaan heel kleine partikels ( gemulles) gevormd worden die van overal uit dat lichaam
komen – > verzamelen zich in de gonaden -> eicellen -> nakomelingen.
OVERERVING VAN VERWORVEN KARAKTERISTIEKEN?
Verworven karakteristieken : iets waar je niet mee geboren bent, kenmerk/ fenotype dat je krijgt tijdens levensloop. Die
koe van daar net zou al verworven karakteristieken hebben gekregen, een afgebroken hoorn bv. die theorie zegt dus dat die
nakomelingen ook eens stuk van die hoorn zou kwijt zijn.
- Alcmaeon: ja : oude grieken, filosofen die zei: ja. Die karakteristieken die w verworven w overgeërfd. Kinderen die
goed piano kunnen spelen, die ouders kunnen dat ook bv.
- Aristoteles: nee : iemand is zijn linkerhand kwijt ( door gevecht) – die zijn kinderen hebben wel 2 handen.
Het is niet zo simpel als dit allemaal. Men begon over de evolutie na te denken, zoals de evolutie theorie v Darwin. Je hebt
ook die van Lamarck.
- Lamarckisme? : in het begin van die giraffen hadden ze allemaal een relatief korte nek, op een bepaald moment
zijn die laaghangende planten minder ah groeien -> de blaadjes hangen hoger en strekken hun nek. Die hun
nakomelingen hebben een iets langere nek etc. Uiteindelijk heb je de giraf die we nu kennen.
- Darwin : alle 4 de types waren al aanwezig in het begin van de populatie – en dan heb je survival van de fittest,
bladeren hingen hoger en hoger dus die met de lange nek bleven leven en nemen populatie over .
- Epigenetica? : epi = boven, staat boven de klassieke genetica. Zie later.
VERSMELTING VAN KENMERKEN
preformationisme : andere theorie, voorgevormd. Theorie uit renaissance, microscoop was toen uitgevonden, men
dacht dat in spermacel of eicel een klein mannetje of vrouwtje al volledig zat = homunculus. Deze heeft niet zo lang stand
gehouden, er waren nog eens 2 stromingen de spermisten ( homunculus in spermacel) en ovisten ( homunculus in eicel).
EXAMENVRAAG, V: 2 grote misopvattingen bv. :
1) die verworven karakteristieken en
2) deze hier:
Versmelting van kenmerken? : NEE
1
, - hybriden hebben intermediair uitzicht : uitzicht dat een beetje tussen de 2 ouders zit ( rode en witte bloem ->
vaak roze bloem = roos is intermediair tussen rood en wit). ( of bv. kameel + lama : kamma)
- intermediaire overerving: lijkt die versmelting aan te tonen.
nee: opduiken kenmerken niet aanwezig bij ouders, wel bij grootouders. Ze lijkt het te doen maar doet het niet
effectief.
- Vb. een kenmerk bij grootouders, w overgeslagen bij ouders maar duikt weer op bij kinderen: kan niet bij
versmeltingen van kenmerken.
ERFELIJKHEIDSLEER – GENETICA
- term geïntroduceerd door Johanssen (1909) en gepopulariseerd door Bateson ( bateson : “verzon”/
beschreef voorbeeld van die bloemen daar)
die theorie zegt, wat is genetica: kevers en lieveheersbeestjes : je ziet heel veel variatie, kleur en grootte. Hoe w deze
variatie overgedragen?
Genetica = wet. studie van de overerving van:
Gelijkenissen :
- Diermodellen
- Klonen ( H4)
Verschillen:
- Identificatie ( H4)
- Gendefecten
VERSCHILLENDE TYPES OF OPDELINGEN VD GENETICA
- Kenmerk / fenotype met 2 grote groepen
o Monogenisch ( 1/3 v alle erfelijke kenmerken) : w bepaald door 1 enkel gen
▪ Discontinue variatie :
• Achtergrond : DNA fragmentjes
▪ Milieu invloeden : nee, als die genetische varianten aanwezig zijn krijg je altijd dat fenotype ook al
is het koud bv. soms speelt het wel een beetje mee
▪ KWALITATIEVE GENETICA : goed en slecht, zwart/wit
▪ Hier kan je DNA testen voor gebruiken
o Polygenisch ( 2/3) : w bepaald door meerdere genen
▪ continue variatie
• bv. lichaamsgewicht of lichaamslengte
• heupdysplasie : honden met veel problemen en
geen problemen en alles er tussen in
▪ milieu-invloeden: ja
▪ KWANTITATIEVE GENETICA : kenmerken kan je
uitdrukken met een bepaald getal, je kan er getallen op
plakken.
▪ Hier kan je geen DNA testen voor gebruiken
2
,NOG WAT OPDELINGEN
- transmissie genetica : iets wat w overgedragen, doorgeven etc.
- moleculaire genetica : onderliggende zaken bekijken tot op het atoom niveau bijna.
- populatiegenetica : voor complexere kenmerken moet je ganse populatie
beshouwen
WETTEN VAN MENDEL
alles wat later komt is hierop gebaseerd met nuances.
- Monohybridisme : kruising met 1 kenmerk
PROEFOBJECT: TUINERWT :
begon met iets heel simpels ( dat is dus heel goed). Darwin werkte met duiven bv. hij is nooit op een duidelijk patroon
gekomen, is veel te moeilijk begonnen.
- veel uniforme, fokzuire variëteiten beschikbaar
o uniform : altijd hetzelfde
o fokzuiver: hier tot gekomen door soortgelijk x soortgelijk
- gemakkelijk te kweken, korte generatieduur
o je wilt veel kruisingen doen om de patronen te achterhalen
- rassen onderling gemakkelijk te kruisen
o zelfde plant/ soort + zijn vruchtbaar – ook de hybriden zijn vruchtbaar!!
- kruisingen leveren vruchtbare dochterplanten op
- veel nakomelingen → statistische analyse
MENDEL: 7 BESTUDEERDE KENMERKEN
- P = parentes, ouders
o Mendel : kruising korte x lange stengel
- F1 = filiale 1, dochtergeneratie
o Allemaal een lange stengel ( nog geen versmelting v
kenmerken!!! : anders middellange stengels)
o Ging F1 onderling inkruisen
- F2: filiale 2
o Lange stengel ( de grote meerderheid, 3/1) en korte stengel (
1/1) beide aanwezig
o Heel wat erfelijke ziektes doen dit dus ook!!
1STE MENDELWET: DE AFZONDERINGSWET
- de erfelijke eigenschappen worden gecontroleerd door afzonderlijke en niet deelbare eenheden
o erfelijke eenheden v mendel zijn wel nog op te splitsen( nuance nodig)
o afzonderlijk : ook niet perfect , is wel deelbaar dus…
- alle F1 individuen zijn identiek en veruiterlijken slechts de dominante vorm van het kenmerk
o lange stengel = dominante vorm
o korte stengel = recessieve vorm
- de eenheden komen steeds in paren voor: 1 van de vader en 1 van de moeder
o gewoon het geslacht klopt bv. hier niet meteen
- bij de vorming van de gameten worden de eenheden van elkaar gescheiden
3
, VOORBEELDEN M DIEREN
- U= uniform = fenotype, dominante vorm
- u = bont, recessieve vorm
- z= rood, verspreiding v pigment, recessief tov zwart
- Z=zwart, dominant over rood
Allel : U of u ; het is hetzelfde gen maar een variant ervan ( varianten v een bepaalde
vorm, bepaalde gen). ( ook bij Z en z).
- P: zwart x rood ( geslacht maakt hier niet uit)
- F1 : zwart
- F2 : 3 zwart + 1 bruin
Dit is op basis vh genotype :
- P: UU x uu
- F1 : Uu
- F2 : 1UU + 2Uu + 1uu
Recessief allelen + Dominante allelen
fenotype = zwart bont
mogelijke genotypes:
- ZZ = homozygoot, kan maar 1 type v zygoten maken : bevatten allemaal Z
- Zz = heterozygoot, kan 2 verschillende types v gameten maken
- Hemizygoot : abnormale, maar 1 allel : x0 ( er is er geen maar er zou er 1 moeten zijn, om verschil met gameet
duidelijk te maken)
GEN - ALLEL - LOCUS !!!! ( GAAT EIGENLIJK 3X OVER HETZELFDE)
- GEN = onsplitsbare eenheid die de erfelijke overdracht van een kenmerk controleert
- ALLEL = variant van een gen
o Specifieke variant van dat gen, maar gaat over hetzelfde gen
- LOCUS= chromosomale locatie van een gen
DIHYBRIDISME : MET 2 KENMERKEN
Fe = uniform rood (Ge= UUzz) X Fe= zwartbont ( Ge= ZZuu) - dubbel
homozygoot
F1 = uniform zwart (: ZzUu) – dubbel heterozygoot
➔ 9 uniform zwart, 3 uniform rood, 3 zwartbont, 1 roodbont : ( 9 -3-3-
1 altijd)
: 2DE WET V MENDEL: AFZONDERLIJKE SEGREGATIE
4
- Fenotype : alles wat je ziet, kenmerken ( fenos).
PRE-MENDELIAANSE ERFELIJKHEIDSLEER
= alles wat voor Mendel kwam, deze mensen deden ook al aan genetica. O.a. bij de fokkerij; maken van bepaalde rassen.
domesticatie > 10.000 BC? : hangt sterk af van diersoort tot diersoort. Die vroege dierenfokkers kregen al snel door dat :
soortgelijk brengt soortgelijk voort -> een witte hond + andere witte hond : kans dat die nakomelingen wit zijn is
groot. Het werkt zeker maar lang niet altijd. Het principe brengt ook gevaren mee; je kan aan inteelt doen -> mag niet, maar
gebeurt stiekem toch.
PANGENESEIS
( pan : alles omvatten, genesis : alles ontstaan). Deze theorie : een bonte koe, vrouwelijk en
heeft hoorns ( fenotypes, kenmerken). Deze koe heeft een aantal kenmerken, volgens deze
theorie gaan heel kleine partikels ( gemulles) gevormd worden die van overal uit dat lichaam
komen – > verzamelen zich in de gonaden -> eicellen -> nakomelingen.
OVERERVING VAN VERWORVEN KARAKTERISTIEKEN?
Verworven karakteristieken : iets waar je niet mee geboren bent, kenmerk/ fenotype dat je krijgt tijdens levensloop. Die
koe van daar net zou al verworven karakteristieken hebben gekregen, een afgebroken hoorn bv. die theorie zegt dus dat die
nakomelingen ook eens stuk van die hoorn zou kwijt zijn.
- Alcmaeon: ja : oude grieken, filosofen die zei: ja. Die karakteristieken die w verworven w overgeërfd. Kinderen die
goed piano kunnen spelen, die ouders kunnen dat ook bv.
- Aristoteles: nee : iemand is zijn linkerhand kwijt ( door gevecht) – die zijn kinderen hebben wel 2 handen.
Het is niet zo simpel als dit allemaal. Men begon over de evolutie na te denken, zoals de evolutie theorie v Darwin. Je hebt
ook die van Lamarck.
- Lamarckisme? : in het begin van die giraffen hadden ze allemaal een relatief korte nek, op een bepaald moment
zijn die laaghangende planten minder ah groeien -> de blaadjes hangen hoger en strekken hun nek. Die hun
nakomelingen hebben een iets langere nek etc. Uiteindelijk heb je de giraf die we nu kennen.
- Darwin : alle 4 de types waren al aanwezig in het begin van de populatie – en dan heb je survival van de fittest,
bladeren hingen hoger en hoger dus die met de lange nek bleven leven en nemen populatie over .
- Epigenetica? : epi = boven, staat boven de klassieke genetica. Zie later.
VERSMELTING VAN KENMERKEN
preformationisme : andere theorie, voorgevormd. Theorie uit renaissance, microscoop was toen uitgevonden, men
dacht dat in spermacel of eicel een klein mannetje of vrouwtje al volledig zat = homunculus. Deze heeft niet zo lang stand
gehouden, er waren nog eens 2 stromingen de spermisten ( homunculus in spermacel) en ovisten ( homunculus in eicel).
EXAMENVRAAG, V: 2 grote misopvattingen bv. :
1) die verworven karakteristieken en
2) deze hier:
Versmelting van kenmerken? : NEE
1
, - hybriden hebben intermediair uitzicht : uitzicht dat een beetje tussen de 2 ouders zit ( rode en witte bloem ->
vaak roze bloem = roos is intermediair tussen rood en wit). ( of bv. kameel + lama : kamma)
- intermediaire overerving: lijkt die versmelting aan te tonen.
nee: opduiken kenmerken niet aanwezig bij ouders, wel bij grootouders. Ze lijkt het te doen maar doet het niet
effectief.
- Vb. een kenmerk bij grootouders, w overgeslagen bij ouders maar duikt weer op bij kinderen: kan niet bij
versmeltingen van kenmerken.
ERFELIJKHEIDSLEER – GENETICA
- term geïntroduceerd door Johanssen (1909) en gepopulariseerd door Bateson ( bateson : “verzon”/
beschreef voorbeeld van die bloemen daar)
die theorie zegt, wat is genetica: kevers en lieveheersbeestjes : je ziet heel veel variatie, kleur en grootte. Hoe w deze
variatie overgedragen?
Genetica = wet. studie van de overerving van:
Gelijkenissen :
- Diermodellen
- Klonen ( H4)
Verschillen:
- Identificatie ( H4)
- Gendefecten
VERSCHILLENDE TYPES OF OPDELINGEN VD GENETICA
- Kenmerk / fenotype met 2 grote groepen
o Monogenisch ( 1/3 v alle erfelijke kenmerken) : w bepaald door 1 enkel gen
▪ Discontinue variatie :
• Achtergrond : DNA fragmentjes
▪ Milieu invloeden : nee, als die genetische varianten aanwezig zijn krijg je altijd dat fenotype ook al
is het koud bv. soms speelt het wel een beetje mee
▪ KWALITATIEVE GENETICA : goed en slecht, zwart/wit
▪ Hier kan je DNA testen voor gebruiken
o Polygenisch ( 2/3) : w bepaald door meerdere genen
▪ continue variatie
• bv. lichaamsgewicht of lichaamslengte
• heupdysplasie : honden met veel problemen en
geen problemen en alles er tussen in
▪ milieu-invloeden: ja
▪ KWANTITATIEVE GENETICA : kenmerken kan je
uitdrukken met een bepaald getal, je kan er getallen op
plakken.
▪ Hier kan je geen DNA testen voor gebruiken
2
,NOG WAT OPDELINGEN
- transmissie genetica : iets wat w overgedragen, doorgeven etc.
- moleculaire genetica : onderliggende zaken bekijken tot op het atoom niveau bijna.
- populatiegenetica : voor complexere kenmerken moet je ganse populatie
beshouwen
WETTEN VAN MENDEL
alles wat later komt is hierop gebaseerd met nuances.
- Monohybridisme : kruising met 1 kenmerk
PROEFOBJECT: TUINERWT :
begon met iets heel simpels ( dat is dus heel goed). Darwin werkte met duiven bv. hij is nooit op een duidelijk patroon
gekomen, is veel te moeilijk begonnen.
- veel uniforme, fokzuire variëteiten beschikbaar
o uniform : altijd hetzelfde
o fokzuiver: hier tot gekomen door soortgelijk x soortgelijk
- gemakkelijk te kweken, korte generatieduur
o je wilt veel kruisingen doen om de patronen te achterhalen
- rassen onderling gemakkelijk te kruisen
o zelfde plant/ soort + zijn vruchtbaar – ook de hybriden zijn vruchtbaar!!
- kruisingen leveren vruchtbare dochterplanten op
- veel nakomelingen → statistische analyse
MENDEL: 7 BESTUDEERDE KENMERKEN
- P = parentes, ouders
o Mendel : kruising korte x lange stengel
- F1 = filiale 1, dochtergeneratie
o Allemaal een lange stengel ( nog geen versmelting v
kenmerken!!! : anders middellange stengels)
o Ging F1 onderling inkruisen
- F2: filiale 2
o Lange stengel ( de grote meerderheid, 3/1) en korte stengel (
1/1) beide aanwezig
o Heel wat erfelijke ziektes doen dit dus ook!!
1STE MENDELWET: DE AFZONDERINGSWET
- de erfelijke eigenschappen worden gecontroleerd door afzonderlijke en niet deelbare eenheden
o erfelijke eenheden v mendel zijn wel nog op te splitsen( nuance nodig)
o afzonderlijk : ook niet perfect , is wel deelbaar dus…
- alle F1 individuen zijn identiek en veruiterlijken slechts de dominante vorm van het kenmerk
o lange stengel = dominante vorm
o korte stengel = recessieve vorm
- de eenheden komen steeds in paren voor: 1 van de vader en 1 van de moeder
o gewoon het geslacht klopt bv. hier niet meteen
- bij de vorming van de gameten worden de eenheden van elkaar gescheiden
3
, VOORBEELDEN M DIEREN
- U= uniform = fenotype, dominante vorm
- u = bont, recessieve vorm
- z= rood, verspreiding v pigment, recessief tov zwart
- Z=zwart, dominant over rood
Allel : U of u ; het is hetzelfde gen maar een variant ervan ( varianten v een bepaalde
vorm, bepaalde gen). ( ook bij Z en z).
- P: zwart x rood ( geslacht maakt hier niet uit)
- F1 : zwart
- F2 : 3 zwart + 1 bruin
Dit is op basis vh genotype :
- P: UU x uu
- F1 : Uu
- F2 : 1UU + 2Uu + 1uu
Recessief allelen + Dominante allelen
fenotype = zwart bont
mogelijke genotypes:
- ZZ = homozygoot, kan maar 1 type v zygoten maken : bevatten allemaal Z
- Zz = heterozygoot, kan 2 verschillende types v gameten maken
- Hemizygoot : abnormale, maar 1 allel : x0 ( er is er geen maar er zou er 1 moeten zijn, om verschil met gameet
duidelijk te maken)
GEN - ALLEL - LOCUS !!!! ( GAAT EIGENLIJK 3X OVER HETZELFDE)
- GEN = onsplitsbare eenheid die de erfelijke overdracht van een kenmerk controleert
- ALLEL = variant van een gen
o Specifieke variant van dat gen, maar gaat over hetzelfde gen
- LOCUS= chromosomale locatie van een gen
DIHYBRIDISME : MET 2 KENMERKEN
Fe = uniform rood (Ge= UUzz) X Fe= zwartbont ( Ge= ZZuu) - dubbel
homozygoot
F1 = uniform zwart (: ZzUu) – dubbel heterozygoot
➔ 9 uniform zwart, 3 uniform rood, 3 zwartbont, 1 roodbont : ( 9 -3-3-
1 altijd)
: 2DE WET V MENDEL: AFZONDERLIJKE SEGREGATIE
4