Pedagogische basisbegrippen en concepten
LES 1 INLEIDING : EEN BEELD VAN EEN KIND
1.1 PEDAGOGIEK ALS MAATSCHAPPELIJKE KWESTIE
In de media vind je heel veel pedagogische kwesties terug! Belangrijk is het agentschap
Opgroeien.
Er zijn heel veel pedagogische vragen/kwesties maar veel minder eensgezindheid over
wat het probleem exact is, welke oplossingen er zijn…
Vb. sommigen denken dat we kleuters eerst moeten testen om te weten of ze naar het
lager onderwijs mogen gaan (vb. KOALA testen : kleuters testen op taalgebied om te
kijken of ze al dan niet naar het lager onderwijs mogen gaan) maar anderen vinden het
absoluut geen goed idee.
Sommigen vinden dat kinderopvang verplicht zou zijn of dat kinderen toch zo vroeg
mogelijk moeten gaan, anderen denken dat ze beter langer bij hun ouders moeten
blijven in het begin (ouderschapsverlof verlengen).
“Pedagogiek is nauw verbonden met de ideeën en opvattingen
in een samenleving over bijvoorbeeld burgerschap, ouderschap,
verantwoordelijkheid en democratie.”
1.2 DE ONVOORSPELBARE AARD VAN EEN KIND
Er zijn veel pedagogische bezorgdheden maar toch veel vraagtekens bij ‘de pedagoog’
en ‘pedagogische kennis’ => aard van de pedagogiek/pedagogische onderzoek!
Opvoeding en onderwijs hebben namelijk een inherent onvoorspelbaar en
onbeheersbaar karakter. Het is geen exacte wetenschap, zoals fysica of wiskunde.
MAAR wij willen zeker zijn van onze resultaten.
Tegelijkertijd is er een grote druk om antwoorden te vinden op “wat werkt” in plaats van
“wat betekent werken”.
Bij pedagogische vraagstukken gebruiken we ons toepasbare pedagogische kennis om
tegemoet te komt aan de vraag “hoe” we moeten handelen en “wat” we moeten doen.
“Er is met andere woorden een grote druk om antwoorden te formuleren op de vraag
‘Wat werkt?’ en daardoor is er minder ruimte om na te denken over wat we nu eigenlijk
met ‘werken’ bedoelen”
Voorbeelden :
1) We doen veel onderzoek over hoe we een uithuisplaatsing meer “in het belang
van het kind” kunnen organiseren maar we stellen ons minder de vraag of het wel
legitiem is om in een gezien zomaar te interveniëren. Is het ethisch verantwoord
om een kind uit zijn huis te plaatsen?
2) Ook over de schoolleeftijd, we stellen ons meer en meer de vraag over op welke
leeftijd kinderen op school moeten gaan en willen we ze daar natuurlijk zo lang
, mogelijk houden maar waarom organiseren we eigenlijk onderwijs? Wat is de
meerwaarde voor de kinderen, volgens ons?
We zijn vooral bezig met de “wat”-vraag dan met de fundamentele “waarom” vraag.
VEEL KRITIEK OP VAT VAN ONDERWIJS IN CIJFERS
Quantocratie (Chatterjee, 2021) : in cijfers gevat. Dit is heel aanwezig! De functie van de
onderwijsinstellingen worden in cijfers gevat maar veel andere zaken, omdat we zeker
willen zijn en dat cijfers ons “zekerheid” geven. Het gaat bijvoorbeeld over internationale
onderzoeken zoals PISA en TALIS die het onderwijsbeleid sterk bepalen maar gaan
voorbij de fundamentele vragen (waarover gaat onderwijs, waarom is dit belangrijk…).
Politici doen dit ook; ze kijken naar onderzoeken die bepaalde zaken aantonen maar
gaan niet verder kijken, naar het ethische.
Een andere voorbeeld is IELS, die alle vijfjarigen test om te weten wat ze het best kan
voorbereiden op de lagere school. Maar is dat wel de essentiële missie/doel van de
kleuterschool?
Ideologische discussie : het ethische, hoe denk je over de wereld en hoe moet het
eruitzien? Ethisch denken is wel persoonlijker dan ideologie(/ideologische discussie)
maar anders is het wel ongeveer hetzelfde.
Geïnformeerde standpunt : als je je mening wil zeggen maar dat je dat op basis van
evidentie zegt. Dat je de evidentie wel niet uitsluit… mening.
Het wordt, met andere woorden, een meningenoorlog als je enkel ideologische ideeën
hebt. Evidentie EN ideologie zijn belangrijk. Het probleem is dat evidentie ideologische
discussie vaak uitsluit (zie quantocratie). We gaan niet verder kijken.
Vandaag zien we wetenschap inderdaad als iets dat ons de juiste of beste resultaten
kan geven. Dit wordt evidence-based onderzoek genoemd. Het is exacte wetenschap.
Het leidt volgens ons tot een meer voorspelbare en beheersbare wereld, in tegenstelling
tot de sociale wetenschappen, of ideologische discussies. M.a.w. de opvatting dat
wetenschap leidt tot -eenduidige en algemeen toepasbare antwoorden (objectief,
ongeacht de context, de plaats, de personen, het zullen altijd dezelfde resultaten zijn) =
wetenschappelijke inzichten eerder voorschrijvend van beschrijvend.
“Het probleem is niet, zo betoogt de pedagoog Paulo Freire
(2014), dat de pedagogische wetenschappen besmet zouden zijn met ideologie.
Het probleem is eerder het gebrek aan ideologie of beter nog
aan ideologieën, in het meervoud.
Want dan vervalt de pedagogiek in
een techniek en verliest ze haar ethiek en haar capaciteit om te dromen;
ze wordt dan een marketinginstrument.”
1.3 DE PEDAGOGIEK ONDER DRUK?
Hedendaagse drang naar eenduidige antwoorden zo zwaar dat er weinig ruimte
overblijft om ándere vragen te stellen => problematisch voor de pedagogiek
,Er is ook veel discussie over het vakgebied van pedagogiek, over het
definiëring/omschrijving pedagogiek…waarover moeten ze zich bezig houden,
onderzoek doen…
Er is ook een grote verzameling van pedagogische stromingen en onderzoeksmethoden
in pedagogiek als wetenschappelijke discipline. Ook subdisciplines vb. sociaal werk,
onderwijskunde, orthopedagogiek. Daarom spreken we eerder van pedagogische
wetenschappen i.p.v. pedagogiek.
“Dat betekent dat er logischerwijs veel
discussie is (en hoort te zijn) over hoe pedagogische kwesties het best
kunnen worden beschreven en bestudeerd. In die zin is en blijft de
pedagogiek zelf ook een kwestie (Masschelein, 2019).”
Evidencebased onderzoek interessant om invullingen te geven en vertalingen van
pedagogiek naar het werkveld.
➔ zoektocht naar effectiviteit en efficiëntie.
‘Trage’ of fundamentele pedagogische vraagstukken vragen een heel andere
wetenschapsbenadering.
➔ niet gericht op te veralgemenen wetmatigheden
➔ wel zoektocht naar betekenis
Pedagogiek in dit handboek: een sociale en bij uitstek normatieve wetenschap en verschilt
daarom wezenlijk van academische disciplines zoals de wiskunde en de fysica.
Behoefte aan actie en kennis over hoe we de dingen kunnen aanpakken en wat
‘werkt’, MAAR evenveel behoefte aan reflectie op het niveau van fundamenteel
pedagogisch onderzoek!
TWEE TENDENSEN DIE DE EVOLUTIE OF DRANG NAAR EENDUIDIGE
ANTWOORDEN MEE HEBBEN VORMGEGEVEN.
1.3.1 RISICOREDUCEREND DENKEN
“We zien dat overheden, sociale dienstverleners en academici vandaag heel erg
gericht zijn op het identificeren, beoordelen en vooral verminderen van elk
(potentieel) gevaar voor kinderen en jongeren (Devlieghere, 2017).”
Er zijn veel tools voor de overheid om risico’s in kaart te brengen.
Voorbeeld : camera’s in kinderdagverblijven zodat de ouders op elk moment van de dag
kunnen kijken wat er gebeurt. Als je niets te verbergen hebt, moet je het niet vrezen en
permanente monitoren is ook belangrijk (er zijn al een aantal dingen gebeurd daarbij
waarbij kinderen het leven verloren). Maar tegelijk ervaren veel mensen dat als inbreuk
op hun privacy.
Groeiende drang naar het in kaart brengen en reduceren van risico’s begin 20ste eeuw,
vooral om kinderen en jongeren checken, labelen en diagnosticeren. Daarbij zijn goede
ouders dan vooral ‘waakzaam’ en up-to-date.
, Risico’s/opvoedingsproblemen worden wel niet opgelost, maar verhaal van expansie
21ste eeuw (Dekker, 2009). Diagnosticeren leidde vooral tot meer etiketten en meet
kinderen met risicogedrag met daarbij voortdurend nieuwe maatregelen.
CASUS : De 8-jarige Kasper mag al twee maanden de helft van de tijd niet in de klas
omdat hij te druk is. Hij zit dan wat te tekenen in het kantoor van de directeur. Hij mag
ook niet meedoen aan zwemlessen of andere activiteiten. De school vroeg of de ouders
hem geen medicatie kunnen geven. Maar daarin willen ze niet meegaan. Ze begrijpen
dat het voor de juf en de andere kinderen niet gemakkelijk is. Er is een vermoeden van
ADHD, maar de observatie- en diagnosestelling begint pas over drie maanden. De
ouders willen daarop wachten voor ze eventueel met medicatie starten. De school zegt
dat “haar trukendoos” opgebruikt is. Ze weten niet meer wat zou kunnen helpen. Vorige
week is Kasper op de parking van de school op een auto gaan staan toen hij een bal
ging halen. De school heeft hem preventief geschorst en wil hem nu definitief
uitsluiten. Het is eind mei. De ouders vragen zich af welke boodschap de school dan
geeft aan een 8-jarige?
1.3.2. INDIVIDUALISEREND WERKEN
“Beleid, praktijk en onderzoek richten hun aandacht namelijk
vooral op individualiserende interventies.”
Voorbeelden : anderstalige nieuwkomers die nog niet naar het eerste leerjaar mogen
(moeten eerst taalbad krijgen), kinderen met autisme die niet meer in het reguliere
onderwijs terechtkunnen (krijgen aangepast onderwijs), jongeren met moeilijk toegang
tot arbeidsmarkt (vormingscursussen volgen door VDAB)…
Kinderen, jongeren en ouders die risico lopen, worden letterlijk dan wel figuurlijk, tijdelijk
of levenslang, in een speciaal voor hen gecreëerde ruimte geplaatst en terug op de boot
gezet.
Weinig aandacht voor de persoonlijke context maar nog minder voor de
maatschappelijke context, het wordt een soort time-out met als doel inclusie in
de samenleving maar gefocust op individu.
We vragen ons zelden af waarom kinderen, jongeren of opvoeders uitvallen,
maar concentreren ons op ‘hoe’ we hen terug aan boord kunnen krijgen
of het uitvallen vermijden (= maatschappelijke context ontbreekt). M.a.w. als je
iets doet op een manier dat niet verwacht wordt van jou, moet je je wel
aanpassen.
= meritocratisch = eigen succes dus eigen fout/verantwoordelijkheid voor
mislukkingen!
LES 1 INLEIDING : EEN BEELD VAN EEN KIND
1.1 PEDAGOGIEK ALS MAATSCHAPPELIJKE KWESTIE
In de media vind je heel veel pedagogische kwesties terug! Belangrijk is het agentschap
Opgroeien.
Er zijn heel veel pedagogische vragen/kwesties maar veel minder eensgezindheid over
wat het probleem exact is, welke oplossingen er zijn…
Vb. sommigen denken dat we kleuters eerst moeten testen om te weten of ze naar het
lager onderwijs mogen gaan (vb. KOALA testen : kleuters testen op taalgebied om te
kijken of ze al dan niet naar het lager onderwijs mogen gaan) maar anderen vinden het
absoluut geen goed idee.
Sommigen vinden dat kinderopvang verplicht zou zijn of dat kinderen toch zo vroeg
mogelijk moeten gaan, anderen denken dat ze beter langer bij hun ouders moeten
blijven in het begin (ouderschapsverlof verlengen).
“Pedagogiek is nauw verbonden met de ideeën en opvattingen
in een samenleving over bijvoorbeeld burgerschap, ouderschap,
verantwoordelijkheid en democratie.”
1.2 DE ONVOORSPELBARE AARD VAN EEN KIND
Er zijn veel pedagogische bezorgdheden maar toch veel vraagtekens bij ‘de pedagoog’
en ‘pedagogische kennis’ => aard van de pedagogiek/pedagogische onderzoek!
Opvoeding en onderwijs hebben namelijk een inherent onvoorspelbaar en
onbeheersbaar karakter. Het is geen exacte wetenschap, zoals fysica of wiskunde.
MAAR wij willen zeker zijn van onze resultaten.
Tegelijkertijd is er een grote druk om antwoorden te vinden op “wat werkt” in plaats van
“wat betekent werken”.
Bij pedagogische vraagstukken gebruiken we ons toepasbare pedagogische kennis om
tegemoet te komt aan de vraag “hoe” we moeten handelen en “wat” we moeten doen.
“Er is met andere woorden een grote druk om antwoorden te formuleren op de vraag
‘Wat werkt?’ en daardoor is er minder ruimte om na te denken over wat we nu eigenlijk
met ‘werken’ bedoelen”
Voorbeelden :
1) We doen veel onderzoek over hoe we een uithuisplaatsing meer “in het belang
van het kind” kunnen organiseren maar we stellen ons minder de vraag of het wel
legitiem is om in een gezien zomaar te interveniëren. Is het ethisch verantwoord
om een kind uit zijn huis te plaatsen?
2) Ook over de schoolleeftijd, we stellen ons meer en meer de vraag over op welke
leeftijd kinderen op school moeten gaan en willen we ze daar natuurlijk zo lang
, mogelijk houden maar waarom organiseren we eigenlijk onderwijs? Wat is de
meerwaarde voor de kinderen, volgens ons?
We zijn vooral bezig met de “wat”-vraag dan met de fundamentele “waarom” vraag.
VEEL KRITIEK OP VAT VAN ONDERWIJS IN CIJFERS
Quantocratie (Chatterjee, 2021) : in cijfers gevat. Dit is heel aanwezig! De functie van de
onderwijsinstellingen worden in cijfers gevat maar veel andere zaken, omdat we zeker
willen zijn en dat cijfers ons “zekerheid” geven. Het gaat bijvoorbeeld over internationale
onderzoeken zoals PISA en TALIS die het onderwijsbeleid sterk bepalen maar gaan
voorbij de fundamentele vragen (waarover gaat onderwijs, waarom is dit belangrijk…).
Politici doen dit ook; ze kijken naar onderzoeken die bepaalde zaken aantonen maar
gaan niet verder kijken, naar het ethische.
Een andere voorbeeld is IELS, die alle vijfjarigen test om te weten wat ze het best kan
voorbereiden op de lagere school. Maar is dat wel de essentiële missie/doel van de
kleuterschool?
Ideologische discussie : het ethische, hoe denk je over de wereld en hoe moet het
eruitzien? Ethisch denken is wel persoonlijker dan ideologie(/ideologische discussie)
maar anders is het wel ongeveer hetzelfde.
Geïnformeerde standpunt : als je je mening wil zeggen maar dat je dat op basis van
evidentie zegt. Dat je de evidentie wel niet uitsluit… mening.
Het wordt, met andere woorden, een meningenoorlog als je enkel ideologische ideeën
hebt. Evidentie EN ideologie zijn belangrijk. Het probleem is dat evidentie ideologische
discussie vaak uitsluit (zie quantocratie). We gaan niet verder kijken.
Vandaag zien we wetenschap inderdaad als iets dat ons de juiste of beste resultaten
kan geven. Dit wordt evidence-based onderzoek genoemd. Het is exacte wetenschap.
Het leidt volgens ons tot een meer voorspelbare en beheersbare wereld, in tegenstelling
tot de sociale wetenschappen, of ideologische discussies. M.a.w. de opvatting dat
wetenschap leidt tot -eenduidige en algemeen toepasbare antwoorden (objectief,
ongeacht de context, de plaats, de personen, het zullen altijd dezelfde resultaten zijn) =
wetenschappelijke inzichten eerder voorschrijvend van beschrijvend.
“Het probleem is niet, zo betoogt de pedagoog Paulo Freire
(2014), dat de pedagogische wetenschappen besmet zouden zijn met ideologie.
Het probleem is eerder het gebrek aan ideologie of beter nog
aan ideologieën, in het meervoud.
Want dan vervalt de pedagogiek in
een techniek en verliest ze haar ethiek en haar capaciteit om te dromen;
ze wordt dan een marketinginstrument.”
1.3 DE PEDAGOGIEK ONDER DRUK?
Hedendaagse drang naar eenduidige antwoorden zo zwaar dat er weinig ruimte
overblijft om ándere vragen te stellen => problematisch voor de pedagogiek
,Er is ook veel discussie over het vakgebied van pedagogiek, over het
definiëring/omschrijving pedagogiek…waarover moeten ze zich bezig houden,
onderzoek doen…
Er is ook een grote verzameling van pedagogische stromingen en onderzoeksmethoden
in pedagogiek als wetenschappelijke discipline. Ook subdisciplines vb. sociaal werk,
onderwijskunde, orthopedagogiek. Daarom spreken we eerder van pedagogische
wetenschappen i.p.v. pedagogiek.
“Dat betekent dat er logischerwijs veel
discussie is (en hoort te zijn) over hoe pedagogische kwesties het best
kunnen worden beschreven en bestudeerd. In die zin is en blijft de
pedagogiek zelf ook een kwestie (Masschelein, 2019).”
Evidencebased onderzoek interessant om invullingen te geven en vertalingen van
pedagogiek naar het werkveld.
➔ zoektocht naar effectiviteit en efficiëntie.
‘Trage’ of fundamentele pedagogische vraagstukken vragen een heel andere
wetenschapsbenadering.
➔ niet gericht op te veralgemenen wetmatigheden
➔ wel zoektocht naar betekenis
Pedagogiek in dit handboek: een sociale en bij uitstek normatieve wetenschap en verschilt
daarom wezenlijk van academische disciplines zoals de wiskunde en de fysica.
Behoefte aan actie en kennis over hoe we de dingen kunnen aanpakken en wat
‘werkt’, MAAR evenveel behoefte aan reflectie op het niveau van fundamenteel
pedagogisch onderzoek!
TWEE TENDENSEN DIE DE EVOLUTIE OF DRANG NAAR EENDUIDIGE
ANTWOORDEN MEE HEBBEN VORMGEGEVEN.
1.3.1 RISICOREDUCEREND DENKEN
“We zien dat overheden, sociale dienstverleners en academici vandaag heel erg
gericht zijn op het identificeren, beoordelen en vooral verminderen van elk
(potentieel) gevaar voor kinderen en jongeren (Devlieghere, 2017).”
Er zijn veel tools voor de overheid om risico’s in kaart te brengen.
Voorbeeld : camera’s in kinderdagverblijven zodat de ouders op elk moment van de dag
kunnen kijken wat er gebeurt. Als je niets te verbergen hebt, moet je het niet vrezen en
permanente monitoren is ook belangrijk (er zijn al een aantal dingen gebeurd daarbij
waarbij kinderen het leven verloren). Maar tegelijk ervaren veel mensen dat als inbreuk
op hun privacy.
Groeiende drang naar het in kaart brengen en reduceren van risico’s begin 20ste eeuw,
vooral om kinderen en jongeren checken, labelen en diagnosticeren. Daarbij zijn goede
ouders dan vooral ‘waakzaam’ en up-to-date.
, Risico’s/opvoedingsproblemen worden wel niet opgelost, maar verhaal van expansie
21ste eeuw (Dekker, 2009). Diagnosticeren leidde vooral tot meer etiketten en meet
kinderen met risicogedrag met daarbij voortdurend nieuwe maatregelen.
CASUS : De 8-jarige Kasper mag al twee maanden de helft van de tijd niet in de klas
omdat hij te druk is. Hij zit dan wat te tekenen in het kantoor van de directeur. Hij mag
ook niet meedoen aan zwemlessen of andere activiteiten. De school vroeg of de ouders
hem geen medicatie kunnen geven. Maar daarin willen ze niet meegaan. Ze begrijpen
dat het voor de juf en de andere kinderen niet gemakkelijk is. Er is een vermoeden van
ADHD, maar de observatie- en diagnosestelling begint pas over drie maanden. De
ouders willen daarop wachten voor ze eventueel met medicatie starten. De school zegt
dat “haar trukendoos” opgebruikt is. Ze weten niet meer wat zou kunnen helpen. Vorige
week is Kasper op de parking van de school op een auto gaan staan toen hij een bal
ging halen. De school heeft hem preventief geschorst en wil hem nu definitief
uitsluiten. Het is eind mei. De ouders vragen zich af welke boodschap de school dan
geeft aan een 8-jarige?
1.3.2. INDIVIDUALISEREND WERKEN
“Beleid, praktijk en onderzoek richten hun aandacht namelijk
vooral op individualiserende interventies.”
Voorbeelden : anderstalige nieuwkomers die nog niet naar het eerste leerjaar mogen
(moeten eerst taalbad krijgen), kinderen met autisme die niet meer in het reguliere
onderwijs terechtkunnen (krijgen aangepast onderwijs), jongeren met moeilijk toegang
tot arbeidsmarkt (vormingscursussen volgen door VDAB)…
Kinderen, jongeren en ouders die risico lopen, worden letterlijk dan wel figuurlijk, tijdelijk
of levenslang, in een speciaal voor hen gecreëerde ruimte geplaatst en terug op de boot
gezet.
Weinig aandacht voor de persoonlijke context maar nog minder voor de
maatschappelijke context, het wordt een soort time-out met als doel inclusie in
de samenleving maar gefocust op individu.
We vragen ons zelden af waarom kinderen, jongeren of opvoeders uitvallen,
maar concentreren ons op ‘hoe’ we hen terug aan boord kunnen krijgen
of het uitvallen vermijden (= maatschappelijke context ontbreekt). M.a.w. als je
iets doet op een manier dat niet verwacht wordt van jou, moet je je wel
aanpassen.
= meritocratisch = eigen succes dus eigen fout/verantwoordelijkheid voor
mislukkingen!