Hoofdstuk 2: Inleiding trainingsleer
Terminologie
- Fitness:
Nederlands: trainingsprogramma
Engels: fitheid
- Fitheid: vermogen om op bevredigende wijze spierarbeid te
verrichten
volgens Wereld Gezondheidsorganisatie (WGO)
Physical fitness: lichamelijke fitheid
Performance-related fitness: taakgerichte fitness
Health-related fitness: gezondheid gerelateerde fitheid
Factoren die sportprestatie beïnvloeden
- Constitutie: bv. leeftijd, geslacht, gezondheid, lichaamsbouw, ras
kan niet veranderd worden
- Fysieke basiseigenschappen
Uithouding
Kracht
Snelheid
Lenigheid
Coördinatie
Recuperatie
- Psychische eigenschappen
Intelligentie
Motivatie
Doorzetting
Faalangst
Concentratie
- Techniek: goede/vroege/continue opleiding
- Tactiek: spelinzicht, ervaring, kennis van coach, spelsysteem, …
- Levenswijze: voeding, slaap, roken, gezondheid, …
- Materiële mogelijkheden
- Stimulerende middelen: doping, cafeïne, hoogtestage, creatine
Training als opgebouwd programma
, - Training: oefenproces op systematische wijze waarbij vaardigheden
getraind om prestatieniveau/belastbaarheidsniveau te
verhogen/behouden adhv oefeningen
kinesitherapeut: beseffen welken basiseigenschap(pen) aandacht
nodig hebben voor revalidatie
- Oefening: onderdeel van training
Trainingseffect
Resultaat progressieve aanpassing van geleverde
inspanning/optelsom van oefeneffecten
Aard, intensiteit en omvang oefenprikkel bepalen trainingswinst
Oefeneffect
Winst boeken bij een oefening
Herhaald afwisselen inspanning-herstel
Oefenmodaliteit aantal eisen qua frequentie, intensiteit en omvang
Trainen
Leveren van herhaalde inspanning: lokt fysiologische reacties uit
Na inspanning fysiologisch evenwicht terug
genormaliseerd(homeostase) tijdens herstelfase
Duur tot trainingseffect zichtbaar: afh. van intensiteit, frequentie, te
trainen fysieke eigenschap, …
Behandelplan
Voor training: eerst onderzoek
idee krijgen van belasting/belastbaarheid en hulpvraag
steeds overleg met sporter
Trainingsprogramma
Rekening houden met:
, - Vaststellen trainingsdoel(en)
vb. fitheid verbeteren, sterker worden in benen, …
zowel specifiek als algemeen mogelijk
- Keuze bewegingsactiviteiten
- Trainingsvariabelen
voldoende variatie voor voldoende prikkels
rekening houden met trainingswetten
- Opbouw van onderdelen trainingsinhoud
Wat eerst aan bod laten komen in schema?
vb. eerst duur training verhogen, nadien intensiteit
- Uitvoeren van schema
- Meten/evalueren
- Bijstellen op basis van controle en doel
Trainingsvariabelen
- Intensiteit: maat van inspanning
lage intensiteit langer vol te houden
Hartslag belangrijke maatstaf voor bepaling intensiteit
- Aard: soort activiteit
groot verschil in lopen en fietsen
andere spiergroepen gebruikt voor uitvoeren activiteit
- Duur
Hoe lager intensiteit, hoe langer inspanning volgehouden moet
worden voor effect
30min continue loop/zwemtraining of 60min fietstraining voor
effect, opwarming/cooling down niet meegerekend
indien niet mogelijk, dan opdelen in stukken, bv. 6x5min
- Frequentie
te snel terug trainen: lichaam geen kans gekregen voor herstel
te lang wachten: effect vorige training weg dus je staat stil
Periodisering
belastingdynamiek wijzigen tijdens bepaalde tijdsindeling van
trainingsproces
plannen van trainingen in functie van wedstrijd, trainingscyclus
meestal 1 jaar
, Periodes: macrocycli
- voorbereidingsperiode: conditie ontwikkelen
- wedstrijdperiode: basiselementen van goede conditie omzetten naar
wedstrijdresultaten
- overgangsperiode: actieve recuperatie
Voorbereidingsperiode
- doelstellingen vastleggen
bepalen trainingsopbouw
- geleidelijke opbouw rustige (extensieve) training intensieve
training
intensieve neemt toe hoe dichter bij wedstrijd
- trainingsvolume voorrang op intensiteit
in begin aeroob focussen
- Voordelen
Verschillende energiesystemen belast
zowel vet – als suikermetabolisme gestimuleerd
Positieve invloed op zuurstofopnamevermogen
verbeterd zowel door trage duurlopen als aeroob-anaeroob
zone
Eentonigheid vermijden: kans overbelasting lager
Minder risico op stagnatie prestaties
prestatie verbetert door gevarieerde trainingsprikkels
Periode opbouwen
Cycli
- Macrocycli: periodes van 2-5 maanden
opdeling jaarplan
- Mesocyclus: periode 3-6 weken, meestal 4
opeenvolging microcycli
- Microcyclus: periode 5-10 dagen, meestal 7
specifieke trainingsinhoud
Rekening houden met trainingsgevoeligheid individu
Macrocycli
- Standaardcyclus: lager beginniveau, opbouwen van
trainingskwantiteit
beginniveau lager dan 5km