Hoofdstuk 9.1 : het cariovasculair stelsel :
Het bloed
= bijzondere vorm van bindweefsel
Grondsubstan>e = plasma
Cellen en celfragmenten
GEEN vezels
WEL oplosbare eiwiFen
Hematrociet : het percentage van vol bloed dat wordt ingenomen door de
bloedcellen (erythrocyten) 4
Fibrinogeen wordt omgezet
in fibrine dus serum ->
bloedpalsma is zonder
fibrinogeen
Herapine en nacitraat
toegevoegd tegen stolling bij
bloedname
= volume percentage red
cells
= percentage cell volume
Linker tekening belangrijk,
rode bloedvel 99,9% kennen
!
1. De cellen
De vaste bestanddelen in het bloed zijn:
• Erythrocyten
• Leukocyten
• Thrombocyten
Deze ontwikkelen zich uit gemeenschappelijke
voorlopercellen, nl mul>potente stamcellen. Die
bevinden zich vooral in het bloedvormend rode
beenmerg (= myeloïde weefsel) . De celdeling en
differen>a>e vd voorlopercellen worden op elk niveau
gereguleerd door groei en differen>a>efactoren. Deze
spelen belangrijke rol bij aanpassing vd hematopoëse
aan situa>es waarin de produc>e van bloedcellen
verhoogt dient te worden.
Differentaite ! regulering: groei en
differen>a>efactoren
71
,Rijping van bloedcellen: beenmerg 1 uitzondering: T-lymfocyten: rijping Thymus
Levensloop vd bloedcellen: RBC en trombocyten in bloedbaan
Lymfociten: circuleren tussen compar>menten, bloedbaan, lymfevaten, lymfeklieren, milt, weefsels
Fagocyterende cellen: naar weefsels
a. de rode bloedcellen of erythrocyten
biconcave schijven:
• groot oppervlak: transportprocessen over membraan kunnen versneld verlopen
• grote flexibiliteit: celllen kunnen zich gemakkelijker verplaatsen doorheen de nauwe lumina vd
capilairen
menselijke RBC:
• geen kern
• geen organellen
• => kunnen dus niet delen en geen enzymen of eiwiFen vormen
• Energiewinning: glyclolyse : voordeel is dat ze geen zuurstof verbruiken
Bestaat voor:
• 60% water
• 34% hemoglobine (Hb) : eiwit dat zuurstof in beperkte mate ook koolstofdioxide kan binnen.
o + 02 -> rode kleur (oxyHb)
o – O2 -> donkerrode kleur (blauwach>g)
• 6% overige stoffen
Hemoglobine bestaat uit 4 subeenheden:
• 2 x Beta chain
• 2x Alfa chain
• Haemmolecule bevat bivalent ijzeratoom daar zuurstof aan
gebonden
Bij sikkelcelanemie: door muta>e B-keten gesynthe>seerd waarin 1
aminozuur is vervangen -> overerving is autosomaal recessief. Cel die
andere vorm aanneemt kan zorgen voor opstropping
72
,73
, de aan of afwezigheid van specifieke oppervlakte-an>genen op de masmamembraan vd erythrocyten
bepaalt je bloedgroep. deze worden gevormd door specifieke suikerketens (S1, S2, S3) in de glycocalix vd
rode bloedcel.
Op basis van oppervlakte-an>genen 4 bloedgroepen van het ABO-systeem.
2 an>genen (S2 en S3) gebonden aan de erythrocyFen zorgen voor an>geen A en B
• Heb je S2= an>geen A = bloedgroep A
• S3 = an>geen B = bloedgroep B
• S2 en S3 = an>geen A en B = bloedgroep AB
• Noch an>geen A, noch. B = bloedgroep O
• S2 en S3 komen soms ook voor op huis-tuin en keukenbacteriën -> waarwe mee samenleven.
• An>stoffen bevinden zich in plasma en komen natuurlijk voor vanaf 3 weken na de geboorte
+ an>stoffen tegen lichaamsvreemde stoffen
• Heb je bloedgroep A, dan heb je an> B an>stoffen
• Heb je bloedgroep B, dan heb je an> A an>stoffen
• Heb je bloedgroep AB dan heb je noch an> A, noch an> B an>stoffen
• Heb je bloedgroep 0 dan heb je an> A en An> B an>stoffend
ABO-an>stoffen:
• Ges>muleerd door darmbacteriën met A en B ach>ge celmembraanstructuren
• ‘natuurlijke an>stoffen (<-> niet natuurlijke AS) of ‘reguliere an>stoffen’ (<-> irregulieren
an>stoffen)
74
Het bloed
= bijzondere vorm van bindweefsel
Grondsubstan>e = plasma
Cellen en celfragmenten
GEEN vezels
WEL oplosbare eiwiFen
Hematrociet : het percentage van vol bloed dat wordt ingenomen door de
bloedcellen (erythrocyten) 4
Fibrinogeen wordt omgezet
in fibrine dus serum ->
bloedpalsma is zonder
fibrinogeen
Herapine en nacitraat
toegevoegd tegen stolling bij
bloedname
= volume percentage red
cells
= percentage cell volume
Linker tekening belangrijk,
rode bloedvel 99,9% kennen
!
1. De cellen
De vaste bestanddelen in het bloed zijn:
• Erythrocyten
• Leukocyten
• Thrombocyten
Deze ontwikkelen zich uit gemeenschappelijke
voorlopercellen, nl mul>potente stamcellen. Die
bevinden zich vooral in het bloedvormend rode
beenmerg (= myeloïde weefsel) . De celdeling en
differen>a>e vd voorlopercellen worden op elk niveau
gereguleerd door groei en differen>a>efactoren. Deze
spelen belangrijke rol bij aanpassing vd hematopoëse
aan situa>es waarin de produc>e van bloedcellen
verhoogt dient te worden.
Differentaite ! regulering: groei en
differen>a>efactoren
71
,Rijping van bloedcellen: beenmerg 1 uitzondering: T-lymfocyten: rijping Thymus
Levensloop vd bloedcellen: RBC en trombocyten in bloedbaan
Lymfociten: circuleren tussen compar>menten, bloedbaan, lymfevaten, lymfeklieren, milt, weefsels
Fagocyterende cellen: naar weefsels
a. de rode bloedcellen of erythrocyten
biconcave schijven:
• groot oppervlak: transportprocessen over membraan kunnen versneld verlopen
• grote flexibiliteit: celllen kunnen zich gemakkelijker verplaatsen doorheen de nauwe lumina vd
capilairen
menselijke RBC:
• geen kern
• geen organellen
• => kunnen dus niet delen en geen enzymen of eiwiFen vormen
• Energiewinning: glyclolyse : voordeel is dat ze geen zuurstof verbruiken
Bestaat voor:
• 60% water
• 34% hemoglobine (Hb) : eiwit dat zuurstof in beperkte mate ook koolstofdioxide kan binnen.
o + 02 -> rode kleur (oxyHb)
o – O2 -> donkerrode kleur (blauwach>g)
• 6% overige stoffen
Hemoglobine bestaat uit 4 subeenheden:
• 2 x Beta chain
• 2x Alfa chain
• Haemmolecule bevat bivalent ijzeratoom daar zuurstof aan
gebonden
Bij sikkelcelanemie: door muta>e B-keten gesynthe>seerd waarin 1
aminozuur is vervangen -> overerving is autosomaal recessief. Cel die
andere vorm aanneemt kan zorgen voor opstropping
72
,73
, de aan of afwezigheid van specifieke oppervlakte-an>genen op de masmamembraan vd erythrocyten
bepaalt je bloedgroep. deze worden gevormd door specifieke suikerketens (S1, S2, S3) in de glycocalix vd
rode bloedcel.
Op basis van oppervlakte-an>genen 4 bloedgroepen van het ABO-systeem.
2 an>genen (S2 en S3) gebonden aan de erythrocyFen zorgen voor an>geen A en B
• Heb je S2= an>geen A = bloedgroep A
• S3 = an>geen B = bloedgroep B
• S2 en S3 = an>geen A en B = bloedgroep AB
• Noch an>geen A, noch. B = bloedgroep O
• S2 en S3 komen soms ook voor op huis-tuin en keukenbacteriën -> waarwe mee samenleven.
• An>stoffen bevinden zich in plasma en komen natuurlijk voor vanaf 3 weken na de geboorte
+ an>stoffen tegen lichaamsvreemde stoffen
• Heb je bloedgroep A, dan heb je an> B an>stoffen
• Heb je bloedgroep B, dan heb je an> A an>stoffen
• Heb je bloedgroep AB dan heb je noch an> A, noch an> B an>stoffen
• Heb je bloedgroep 0 dan heb je an> A en An> B an>stoffend
ABO-an>stoffen:
• Ges>muleerd door darmbacteriën met A en B ach>ge celmembraanstructuren
• ‘natuurlijke an>stoffen (<-> niet natuurlijke AS) of ‘reguliere an>stoffen’ (<-> irregulieren
an>stoffen)
74