lOMoAR cPSD| 49225245
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
INLEIDING
- Biologische antropologen = wetenschappers die oude fossiele bestuderen, het gedrag van primaten observeren
en de evolutie van het menselijke brein onder de loep nemen, die zich bezighouden met de wetenschappelijke
studie van de mensheid (van anthropos, wat ‘mens’ betekent en -ologie, ‘de studie van’). de biologische
antropologie is hetzelfde als een fysiologische antropologie.
= (natuurwetenschappelijke ) studie van de mens vanuit een evolutionair oogpunt.
- geneticus theodosius dobzhansky zei ooit: “niets in de biologie is logisch behalve in het licht van de evolutie”. =
belangrijk citaat als het gaat over de biologische antropologie. dit wilt zeggen dat er niets in de biologie echt een
betekenis heeft tenzij in het licht van de evolutie.
ANTROPOLOGIE EN DIENS SUBVELDEN
Antropologie is de studie van de mensheid in al zijn vormen.
ANTROPOLOGIE IN DE ‘4-FIELD APPROACH’
- Er zijn 4 belangrijke velden van de antropologie.
1) De culturele antropologie is de studie van de menselijke samenleving, vooral in cross-culturele context. Het gaat
hier over de etnologie en de etnografie.
o De etnologie = de wetenschappelijke studie van de oorsprong, kenmerken en functie van menselijke
culturen en samenlevingen. Het onderzoekt de aspecten van volken en bevolkingsgroepen.
o De etnografie = vorm van kwalitatief onderzoek waarbij de onderzoeker zich onderdompelt in een
gemeenschap of organisatie om gedragingen en interacties van dichtbij te kunnen observeren. De
cultuur kan bepaalde gedragingen besterken maar ook afremmen. De cultuur mag zeker en vast niet
onderschat worden.
2) De linguïstische antropologie is de studie van taal, geschiedenis en gebruik in culturen.
o De linguïstische vorm gaat over de grammaticale regels.
o linguïstische functie, dit gaat over de vraag ‘waarom spreken wij?’ Als het gaat over de ontdekking
van de mens en specifieker vanaf wanneer hadden ze de mogelijkheid om te kunnen praten.
Bij de linguïstische antropologie gaat het over de sociale context waarin de taal ontwikkelde. De taal is een
bioculturele parasiet (= taal kan evolueren zoals een virus, geen enkele taal is onveranderlijk.)
3) De archeologie = wetenschap die overblijfselen van oude culturen bestudeert teneinde het verleden te reconstrueren
en te duiden. Deze overblijfselen, zoals door de mens vervaardigde gebruiksvoorwerpen (artefacten), worden bij
opgravingen gevonden. Een nieuw ontwikkelend gebied wordt ook wel de archeogenetica genoemd.
4) De biologische antropologie, kortweg bio-antropologie, antropobiologie of fysische antropologie = wetenschap die
de diversiteit bij de mens bestudeert vanuit een natuurwetenschappelijk kader. Een biologische antropoloog is
elke wetenschapper die de menselijke soort vanuit evolutionair perspectief bestudeert.
REIKWIJDTE VAN DE BIO -ANTROPOLOGIE
PALEOANTROPOLOGIE
- Paleoantropologie = studie van het fossielbestand van de mensheid, en versteende overblijfselen zijn het meest
directe fysieke bewijs van menselijke afkomst dat bijdraagt aan het begrijpen waar we vandaan komen
◼ De studie gebeurt in museums en universitaire labo’s.
, lOMoAR cPSD| 49225245
SKELETBIOLOGIE EN MENSELIJKE OSTEOLOGIE
- Osteologie = studie van het skelet.
1) !skeletbiologie gaat het evenwel over de studie van het menselijke skelet, maar omdat de botten van het
lichaam zich ontwikkelen in samenwerking met andere weefsels, zoals spieren en pezen, moet een
skeletbioloog ook de patronen en processen van menselijke groei, fysiologie en ontwikkeling kennen, niet
alleen de anatomie.
- De antroprometrici = eerste generaties van de biologische antropologen. Zij gaan dus metingen uitvoeren van het
menselijke lichaam, zoals de gemiddelden, variaties, ….
PALEOPATHOLOGIE EN BIOARCHEOLOGIE
De paleopathologie (=studie van ziekten bij de oude menselijke populaties) en bioarcheologie (= de studie van
menselijke resten in een archeologische context) gaan hand in hand met de skeletbiologie.
Vb: de sporen van infecties op botten en schedels.
FORENSISCHE ANTROPOLOGIE
- Forensische antropologie = de studie van de identificatie van skeletresten en van de wijze waarop een individu
stierf, het is een hedendaagse toepassing van de biologische antropologie
o Toegepast tijdens: genocideonderzoek naar massagraven in Bosnië, bij moord,…
PRIMATOLOGIE
- Primatologie
o Bekend door: primatologen Jane Goodall en Diane Fossey in jaren 60 en 70 door dat het werk van
Goodall massaal werd gepubliceerd
o Primatologen bestuderen de anatomie, fysiologie, gedrag en genetica van zowel levende als
uitgestorven mensapen, apen en halfapen.
- Belangrijke primatologen die hebben gezorgd coor nieuwe inzichten in menselijke evolutie zijn primatoloog
Richard Wrangham en Frans De Waal.
o Frans de waal heeft het boek geschreven: “chimpanzee politics”.
MENSELIJKE BIOLOGIE
- De andere scala aan interesses w aangeduid als menselijke biologie.
o voedingsantropologen (onderlinge relatie tussen voeding, cultuur en evolutie)
o biomedische antropologie ( effecten van vervuiling en giftige stoffen op de menselijke groei.)
o moleculaire antropologie (de genetische benadering van de evolutionaire wetenschap)
▪ verschillen aantonen tussen (en binnen) de mensen en niet-menselijke primaten.
DE OORSPRONG VAN DE MODERNE BIO -ANTROPOLOGIE
- Darwins (‘On the Origin of Species’) maakte veel oude debatten over de menselijke oorsprong irrelevant.
o niet langer discussie of mensen voortkwamen uit een schepping of dat de verschillende rassen
afzonderlijk werden geschapen (monogenisme versus polygenisme)
- Het gaat hier eigenlijk over het ontdekken van de fossiele homininen. De oude benaming van de moderne bio-
antropologie is de ‘physical anthropology’. Dit was in de eerste helft van de 20e eeuw en hier waren ze vooral bezig
met de antropometrie (lichaam, constitutie en cranium). Het monogenisme-polygenisme debat (één ras vs
verschillende rassen).
- De nieuwe fysische antropologie is gebaseerd op de ‘neodarwinistische synthesis’ van genetica, anatomie,
ecologie, en gedrag met evolutietheorie van Darwin.
- De paleoantropologie is gebaseerd op nieuwe dateertechnieken (de archeogenetica). Vandaag is dit zeer
multidisciplinair.
, lOMoAR cPSD| 49225245
HOOFDSTUK 2: EVOLUTIE, SELECTIE EN ADAPTIE
INLEIDING
jaren 1920: hevige strijd tussen de wetenschap en het creationisme. Vroeger hadden we “the scopes trial”, dit was een
verbod op het lesgeven over de evolutietheorie. Er was een heel proces opgestart vroeger tegen een leerkracht John
Scopes, die over de evolutietheorie les gaf.
DE OORSPRONG VAN HET MODERNE EVOLUTIE DENKEN
- Charles Darwin = centrale intellectuele figuur in de biologie en in de biologische antropologie
- Aan de oude Grieken worden vaak de eerste schriftelijke inspanningen
toegeschreven om de natuurlijke wereld en onze plaats daarin te begrijpen.
- 4e E v.C: Aristoteles beschreef het dieren- en plantenleven van het Middellandse
zeegebied. Dit toont aan dat Darwin niet de eerste was die nadacht over de
evolutietheorie.
o Aristoteles: “Great Chain of Being” = organismen staan op een
hiërarchische ladder, met de mens aan de top, was zowel een natuurlijke
filosofie als een wettelijke code.
- Renaissance: kritieke ontwikkelingen vormen de basis voor de oprichting van een
academische discipline gewijd aan een wetenschappelijk begrip van de
menselijke conditie.
- J. blumenbach = de vader van de biologische antropologie => deed onderzoek
naar menselijke variëteiten, hieruit besloot hij dat de mens het resultaat is van één gemeenschappelijke
oorsprong.
DE NATUURLIJKE CLASSIFICATIE VAN ORGANISMEN VOLGENS LINNAEUS
- 17e – 18e E: natuuronderzoekers meer bezig met het ontwikkelen van classificatieschema’s om planten en
dieren te benoemen en te organiseren.
- Taxonomie = wetenschap van classificatie en het benoemen v levende wezens die Linnaeus heeft
uitgevonden.
o hij paste een hiërarchie van namen toe op categorieën van deze formele hiërarchie. Linnaeus volgde
het naamgevingspatroon van de oude Grieken door Griekse en Latijnse talen te gebruiken voor zijn
schema.
▪ elk organisme kreeg 2 Latijnse namen: een voor het geslacht en een voor de soort.
DE WEG NAAR DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
COMTE DE BUFFON
- merkte op dat dieren die naar nieuwe klimaten migreerde vaak veranderende als reactie op
nieuwe omgevingen.
- Buffon vond dat hedendaagse levende soorten de nakomelingen zijn van soorten die vroeger
hebben geleefd.
- aanvaardde het begrip van biologische verandering.
GEORGES CUVIER
- Cuvier pleitte voor catastrofisme = catastrofale rampen zouden levensvormen op aarde
hebben weggevaagd.
- deed ontdekkingen van dinosaurusbotten in West-Europa
- geloofde niet in evolueerbaarheid van het leven, diersoorten verdwenen ten gevolge van
catastrofes, een catastrofe zorgt ervoor dat een volledige groep van soorten verdwijnt.
, lOMoAR cPSD| 49225245
JEAN-BAPTISTE LAMARCK
beweerde dat alle organismen tijdens hun leven eigenschappen
kunnen verwerven door aanpassingen aan de omgeving en dat die
verworven eigenschappen vervolgens aan hun nakomelingen w
doorgeven. => klopt niet
JAMES HUTTON
- fan van het uniformisme = de geologische processen die vandaag de
dag de natuurlijke wereld aandrijven, dezelfde zijn als die in het
verleden
CHARLES LYELL
- voorstander van het uniformisme en beweerde dat langzame, geleidelijke verandering de manier was waarop de
fysieke wereld in elkaar stak
DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
- Charles Darwin, kleinzoon van Erasmus Darwin, ging op reis met de
HMS beagle
- Bestudeerde 5 jaar de zeekusten van Zuid-Amerika, Australië en
Afrika (zie kaart afgelegde weg)
- De ET van Darwin heeft een revolutie betekent in het begrijpen van
hoe de evolutie kon plaatsvinden.
- Deed inspiratie op bij grote reizen van Alexander von Humboldt.
- bij aankomst op Galapogos eilanden bracht hij heel veel materiaal mee, met
name over de verschillende vinken die hij daar vond. Ze verschilde allemaal
met elkaar, dit waren dus de adapties van alle verschillende
leefomstandigheden waarin de vinken leefde. Dit was een klatogram en dit
toont aan welke vogel het dichtste bij mekaar staat. De bovenste en de
ondersta staan dus heel ver van mekaar, de eerste en de tweede vink staan
wel dicht met elkaar verbonden.
DE ESSENTIE VAN DE EVOLUTIETHEORIE
DARWIN’S DRIE OBSERVATIES EN TWEE DEDUCTIES
- Observatie 1: alle organismen hebben potentieel voor explosieve populatiegroei die hun voedselvoorziening zou
overtreffen (afkomstig van Malthus) Het idee was vooral dat door het verschil in groeicurves dat er nog steeds
een dreiging was van hongersnood.
- Observatie 2: als we echter naar de natuur kijken, zien we populaties die ongeveer stabiel zijn. Hier gaat het over
potentieel voor explosieve groei, maar zij lijken toch stabiel te blijven. Althans, wanneer 1 generatie kijkt dan zien
we een lichte vorm van stabiliteit.
o Deductie 1: er moet dus altijd een strijd bestaan. Hieruit leidde Darwin af dat er waarschijnlijk strijd
moest zijn om te overleven. De populaties blijven stabiel in aantellen, terwijl organismen het potentieel
hebben voor een explosieve groei. Er gebeurt geen explosieve groei waardoor er toch een zekere strijd
moet zijn van overleven.
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
INLEIDING
- Biologische antropologen = wetenschappers die oude fossiele bestuderen, het gedrag van primaten observeren
en de evolutie van het menselijke brein onder de loep nemen, die zich bezighouden met de wetenschappelijke
studie van de mensheid (van anthropos, wat ‘mens’ betekent en -ologie, ‘de studie van’). de biologische
antropologie is hetzelfde als een fysiologische antropologie.
= (natuurwetenschappelijke ) studie van de mens vanuit een evolutionair oogpunt.
- geneticus theodosius dobzhansky zei ooit: “niets in de biologie is logisch behalve in het licht van de evolutie”. =
belangrijk citaat als het gaat over de biologische antropologie. dit wilt zeggen dat er niets in de biologie echt een
betekenis heeft tenzij in het licht van de evolutie.
ANTROPOLOGIE EN DIENS SUBVELDEN
Antropologie is de studie van de mensheid in al zijn vormen.
ANTROPOLOGIE IN DE ‘4-FIELD APPROACH’
- Er zijn 4 belangrijke velden van de antropologie.
1) De culturele antropologie is de studie van de menselijke samenleving, vooral in cross-culturele context. Het gaat
hier over de etnologie en de etnografie.
o De etnologie = de wetenschappelijke studie van de oorsprong, kenmerken en functie van menselijke
culturen en samenlevingen. Het onderzoekt de aspecten van volken en bevolkingsgroepen.
o De etnografie = vorm van kwalitatief onderzoek waarbij de onderzoeker zich onderdompelt in een
gemeenschap of organisatie om gedragingen en interacties van dichtbij te kunnen observeren. De
cultuur kan bepaalde gedragingen besterken maar ook afremmen. De cultuur mag zeker en vast niet
onderschat worden.
2) De linguïstische antropologie is de studie van taal, geschiedenis en gebruik in culturen.
o De linguïstische vorm gaat over de grammaticale regels.
o linguïstische functie, dit gaat over de vraag ‘waarom spreken wij?’ Als het gaat over de ontdekking
van de mens en specifieker vanaf wanneer hadden ze de mogelijkheid om te kunnen praten.
Bij de linguïstische antropologie gaat het over de sociale context waarin de taal ontwikkelde. De taal is een
bioculturele parasiet (= taal kan evolueren zoals een virus, geen enkele taal is onveranderlijk.)
3) De archeologie = wetenschap die overblijfselen van oude culturen bestudeert teneinde het verleden te reconstrueren
en te duiden. Deze overblijfselen, zoals door de mens vervaardigde gebruiksvoorwerpen (artefacten), worden bij
opgravingen gevonden. Een nieuw ontwikkelend gebied wordt ook wel de archeogenetica genoemd.
4) De biologische antropologie, kortweg bio-antropologie, antropobiologie of fysische antropologie = wetenschap die
de diversiteit bij de mens bestudeert vanuit een natuurwetenschappelijk kader. Een biologische antropoloog is
elke wetenschapper die de menselijke soort vanuit evolutionair perspectief bestudeert.
REIKWIJDTE VAN DE BIO -ANTROPOLOGIE
PALEOANTROPOLOGIE
- Paleoantropologie = studie van het fossielbestand van de mensheid, en versteende overblijfselen zijn het meest
directe fysieke bewijs van menselijke afkomst dat bijdraagt aan het begrijpen waar we vandaan komen
◼ De studie gebeurt in museums en universitaire labo’s.
, lOMoAR cPSD| 49225245
SKELETBIOLOGIE EN MENSELIJKE OSTEOLOGIE
- Osteologie = studie van het skelet.
1) !skeletbiologie gaat het evenwel over de studie van het menselijke skelet, maar omdat de botten van het
lichaam zich ontwikkelen in samenwerking met andere weefsels, zoals spieren en pezen, moet een
skeletbioloog ook de patronen en processen van menselijke groei, fysiologie en ontwikkeling kennen, niet
alleen de anatomie.
- De antroprometrici = eerste generaties van de biologische antropologen. Zij gaan dus metingen uitvoeren van het
menselijke lichaam, zoals de gemiddelden, variaties, ….
PALEOPATHOLOGIE EN BIOARCHEOLOGIE
De paleopathologie (=studie van ziekten bij de oude menselijke populaties) en bioarcheologie (= de studie van
menselijke resten in een archeologische context) gaan hand in hand met de skeletbiologie.
Vb: de sporen van infecties op botten en schedels.
FORENSISCHE ANTROPOLOGIE
- Forensische antropologie = de studie van de identificatie van skeletresten en van de wijze waarop een individu
stierf, het is een hedendaagse toepassing van de biologische antropologie
o Toegepast tijdens: genocideonderzoek naar massagraven in Bosnië, bij moord,…
PRIMATOLOGIE
- Primatologie
o Bekend door: primatologen Jane Goodall en Diane Fossey in jaren 60 en 70 door dat het werk van
Goodall massaal werd gepubliceerd
o Primatologen bestuderen de anatomie, fysiologie, gedrag en genetica van zowel levende als
uitgestorven mensapen, apen en halfapen.
- Belangrijke primatologen die hebben gezorgd coor nieuwe inzichten in menselijke evolutie zijn primatoloog
Richard Wrangham en Frans De Waal.
o Frans de waal heeft het boek geschreven: “chimpanzee politics”.
MENSELIJKE BIOLOGIE
- De andere scala aan interesses w aangeduid als menselijke biologie.
o voedingsantropologen (onderlinge relatie tussen voeding, cultuur en evolutie)
o biomedische antropologie ( effecten van vervuiling en giftige stoffen op de menselijke groei.)
o moleculaire antropologie (de genetische benadering van de evolutionaire wetenschap)
▪ verschillen aantonen tussen (en binnen) de mensen en niet-menselijke primaten.
DE OORSPRONG VAN DE MODERNE BIO -ANTROPOLOGIE
- Darwins (‘On the Origin of Species’) maakte veel oude debatten over de menselijke oorsprong irrelevant.
o niet langer discussie of mensen voortkwamen uit een schepping of dat de verschillende rassen
afzonderlijk werden geschapen (monogenisme versus polygenisme)
- Het gaat hier eigenlijk over het ontdekken van de fossiele homininen. De oude benaming van de moderne bio-
antropologie is de ‘physical anthropology’. Dit was in de eerste helft van de 20e eeuw en hier waren ze vooral bezig
met de antropometrie (lichaam, constitutie en cranium). Het monogenisme-polygenisme debat (één ras vs
verschillende rassen).
- De nieuwe fysische antropologie is gebaseerd op de ‘neodarwinistische synthesis’ van genetica, anatomie,
ecologie, en gedrag met evolutietheorie van Darwin.
- De paleoantropologie is gebaseerd op nieuwe dateertechnieken (de archeogenetica). Vandaag is dit zeer
multidisciplinair.
, lOMoAR cPSD| 49225245
HOOFDSTUK 2: EVOLUTIE, SELECTIE EN ADAPTIE
INLEIDING
jaren 1920: hevige strijd tussen de wetenschap en het creationisme. Vroeger hadden we “the scopes trial”, dit was een
verbod op het lesgeven over de evolutietheorie. Er was een heel proces opgestart vroeger tegen een leerkracht John
Scopes, die over de evolutietheorie les gaf.
DE OORSPRONG VAN HET MODERNE EVOLUTIE DENKEN
- Charles Darwin = centrale intellectuele figuur in de biologie en in de biologische antropologie
- Aan de oude Grieken worden vaak de eerste schriftelijke inspanningen
toegeschreven om de natuurlijke wereld en onze plaats daarin te begrijpen.
- 4e E v.C: Aristoteles beschreef het dieren- en plantenleven van het Middellandse
zeegebied. Dit toont aan dat Darwin niet de eerste was die nadacht over de
evolutietheorie.
o Aristoteles: “Great Chain of Being” = organismen staan op een
hiërarchische ladder, met de mens aan de top, was zowel een natuurlijke
filosofie als een wettelijke code.
- Renaissance: kritieke ontwikkelingen vormen de basis voor de oprichting van een
academische discipline gewijd aan een wetenschappelijk begrip van de
menselijke conditie.
- J. blumenbach = de vader van de biologische antropologie => deed onderzoek
naar menselijke variëteiten, hieruit besloot hij dat de mens het resultaat is van één gemeenschappelijke
oorsprong.
DE NATUURLIJKE CLASSIFICATIE VAN ORGANISMEN VOLGENS LINNAEUS
- 17e – 18e E: natuuronderzoekers meer bezig met het ontwikkelen van classificatieschema’s om planten en
dieren te benoemen en te organiseren.
- Taxonomie = wetenschap van classificatie en het benoemen v levende wezens die Linnaeus heeft
uitgevonden.
o hij paste een hiërarchie van namen toe op categorieën van deze formele hiërarchie. Linnaeus volgde
het naamgevingspatroon van de oude Grieken door Griekse en Latijnse talen te gebruiken voor zijn
schema.
▪ elk organisme kreeg 2 Latijnse namen: een voor het geslacht en een voor de soort.
DE WEG NAAR DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
COMTE DE BUFFON
- merkte op dat dieren die naar nieuwe klimaten migreerde vaak veranderende als reactie op
nieuwe omgevingen.
- Buffon vond dat hedendaagse levende soorten de nakomelingen zijn van soorten die vroeger
hebben geleefd.
- aanvaardde het begrip van biologische verandering.
GEORGES CUVIER
- Cuvier pleitte voor catastrofisme = catastrofale rampen zouden levensvormen op aarde
hebben weggevaagd.
- deed ontdekkingen van dinosaurusbotten in West-Europa
- geloofde niet in evolueerbaarheid van het leven, diersoorten verdwenen ten gevolge van
catastrofes, een catastrofe zorgt ervoor dat een volledige groep van soorten verdwijnt.
, lOMoAR cPSD| 49225245
JEAN-BAPTISTE LAMARCK
beweerde dat alle organismen tijdens hun leven eigenschappen
kunnen verwerven door aanpassingen aan de omgeving en dat die
verworven eigenschappen vervolgens aan hun nakomelingen w
doorgeven. => klopt niet
JAMES HUTTON
- fan van het uniformisme = de geologische processen die vandaag de
dag de natuurlijke wereld aandrijven, dezelfde zijn als die in het
verleden
CHARLES LYELL
- voorstander van het uniformisme en beweerde dat langzame, geleidelijke verandering de manier was waarop de
fysieke wereld in elkaar stak
DE DARWINIAANSE REVOLUTIE
- Charles Darwin, kleinzoon van Erasmus Darwin, ging op reis met de
HMS beagle
- Bestudeerde 5 jaar de zeekusten van Zuid-Amerika, Australië en
Afrika (zie kaart afgelegde weg)
- De ET van Darwin heeft een revolutie betekent in het begrijpen van
hoe de evolutie kon plaatsvinden.
- Deed inspiratie op bij grote reizen van Alexander von Humboldt.
- bij aankomst op Galapogos eilanden bracht hij heel veel materiaal mee, met
name over de verschillende vinken die hij daar vond. Ze verschilde allemaal
met elkaar, dit waren dus de adapties van alle verschillende
leefomstandigheden waarin de vinken leefde. Dit was een klatogram en dit
toont aan welke vogel het dichtste bij mekaar staat. De bovenste en de
ondersta staan dus heel ver van mekaar, de eerste en de tweede vink staan
wel dicht met elkaar verbonden.
DE ESSENTIE VAN DE EVOLUTIETHEORIE
DARWIN’S DRIE OBSERVATIES EN TWEE DEDUCTIES
- Observatie 1: alle organismen hebben potentieel voor explosieve populatiegroei die hun voedselvoorziening zou
overtreffen (afkomstig van Malthus) Het idee was vooral dat door het verschil in groeicurves dat er nog steeds
een dreiging was van hongersnood.
- Observatie 2: als we echter naar de natuur kijken, zien we populaties die ongeveer stabiel zijn. Hier gaat het over
potentieel voor explosieve groei, maar zij lijken toch stabiel te blijven. Althans, wanneer 1 generatie kijkt dan zien
we een lichte vorm van stabiliteit.
o Deductie 1: er moet dus altijd een strijd bestaan. Hieruit leidde Darwin af dat er waarschijnlijk strijd
moest zijn om te overleven. De populaties blijven stabiel in aantellen, terwijl organismen het potentieel
hebben voor een explosieve groei. Er gebeurt geen explosieve groei waardoor er toch een zekere strijd
moet zijn van overleven.