1. Moet de procedure tot herziening van de Grondwet worden versoepeld?
(P. 116-119)
Is het moeilijk om de grondwet te wijzigen?
In theorie is de Belgische procedure tot herziening van de GW zeer rigide. De procedure
verloopt in 3 fasen:
1) De preconstituante (bestaande uit de Koning, de Kamer en de Senaat) stelt een lijst
op met bepalingen die voor herziening vatbaar zijn. Deze wordt gestemd met een
gewone meerderheid. (½ + 1)
2) De Kamer wordt onmiddellijk ontbonden na bekendmaking en er volgen nieuwe
verkiezingen van de Kamer
3) De Constituante (de nieuw verkozen kamer) mag de Gw herzien, en heeft hier ⅔
quorum en ⅔ meerderheid voor nodig.
Waarom is de procedure zo rigide?
Strenge voorwaarden zijn noodzakelijk omdat de Grondwet de belangrijkste bepalingen omtrent
de staatsinrichting en onze democratische grondrechten bevat. Een te soepele procedure
zou het risico op inbreuken op deze grondrechten of overhaaste beslissingen tot
staatshervorming verhogen. Bovendien zou bv. een gewone meerderheid in fase 3) het principe
van de consensusdemocratie en de federale staatsstructuur schenden, aangezien er dan
minder waarborgen zouden zijn voor o.a. de Franse structurele minderheidsgroep.
Worden die doelstellingen bereikt?
De bovengenoemde voorwaarden hebben elks een eigen specifiek doel dat hun rigiditeit
verklaart, maar deze worden niet altijd behaald:
- De ontbinding van het parlement heeft als doelstelling om de Grondwet stabiel te
houden. Het vermijdt dat de Kamer voortdurend de Grondwet zou wijzigen. De lijst voor
herziening wordt in praktijk echter steeds opgemaakt aan het einde van de legislatuur
en heeft dus weinig afschrikkend effect.
- De nieuwe verkiezingen hebben ook als doelstelling dat burgers hun instemming
verlenen met het oog op de herzieningslijst. In de praktijk houden burgers echter vooral
rekening met de algemene beleidsdoelen van partijen. Zelfs als burgers voor een partij
stemmen omwille van haar doelstellingen voor de herziening van de grondwet, is de
constituante daarbij niet gehouden om de opgegeven bepalingen te veranderen
volgens het doel van de preconstituante.
- Een andere doelstelling voor de rigide herziening van de Gw, is dat zij slechts
punctueel aangepast zou worden. In het verleden zijn er echter al grote veranderingen
ingevoerd (zoals federalisering, lidmaatschap supranationale instellingen) én kan de
preconstituante het artikel 195 GW (procedure grondwetsherziening) zelf in de lijst
, opnemen. Dit laatste laat het toe om tijdelijk van de herziening af te wijken, wat de
rigiditeit van de procedure serieus vermindert.
- De regel van een ⅔ meerderheid tracht te verzekeren dat er een brede consensus is,
maar ook deze regel heeft een onbedoeld effect. De oppositie, die geen inspraak heeft
bij de uitwerking van de herziening, kan (omdat ook haar toestemming is vereist bij een
⅔ meerderheid) toch druk uitoefenen om bepaalde compromissen in de nieuwe GW te
verwerken. Dat is paradoxaal: het resulteert in een minderheidsgroep die toch inspraak
krijgt in de nieuwe GW, terwijl een meerderheid vereist wordt.
Vooral de ‘truc’ met artikel 195 zorgt ervoor dat er van een rigide procedure in de praktijk minder
sprake is. Deze truc dreigt een politieke praktijk te worden.
Waarom is rigiditeit een probleem?
Enerzijds kan je beargumenteren dat de procedure dus zeker niet nog versoepeld moet worden,
aangezien een verandering van art. 195 de wetgever al meer vrijheid heeft (in samenlezing met
de andere effecten). Anderzijds kan men beargumenteren dat de procedure juist wel versoepeld
moet worden, zodat deze truc overbodig wordt en de toepassing van de
herzieningsprocedure een accurate toepassing is van de formele procedure zoals hij staat
beschreven in de wet. Dat eerbiedigt het principe van rechtszekerheid en het
legaliteitsbeginsel.
Daarbij is onze staat gekenmerkt door vele staatshervormingen, het federalisme en het
lidmaatschap in supranationale organisaties, waarmee de grondwetgever in 1831 (de
geboortedatum van de herzieningsprocedure) geen rekening mee kon houden. Toen ging men
nog uit van de onschendbaarheid van de wet. Bovendien kan een te rigide grondwet
veroorzaken dat de minderheid de status quo afdwingt.
Waarom zijn waarborgen in de GW wel nodig?
Een tegenargument voor de versoepeling is het belang van de grondrechten gewaarborgd in
titel II de Grondwet. De grondrechten in titel II liggen aan de basis van onze democratie, ze
verzekeren de vrijheid van burgers en beschermen hen tegen de overheid. Zo’n fundamentele
bepalingen mogen aan geen enkel risico worden onderworpen. Bovendien zijn deze rechten al
ruim interpreteerbaar, en is er volgens het proportionaliteitsbeginsel al een (weliswaar zeer
afgewogen) afwijking mogelijk.
Ten slotte zijn in het verleden al interne staatshervormingen mogelijk geweest zonder
grondwetsherzieningen (bv de oprichting van de nieuwe oneigenlijke gemeenschap FGC door
overheveling van bevoegdheden van de gemeenschap voor Franstalige instellingen in Brussel).