KLEUR & LICHT
Vandenberghe_Caro_1IVc
1
CARO VANDENBERGHE 1IVc
, KLEUR & LICHT
LICHTPLANNING
KWALITATIEVE KWANTITATIEVE OP WAARNEMING GERICHTE
- Relatie verlichtingssterkte & - Wisselspel tussen waarneming, - Gevoel bij ervaren
productiviteit op werkvloer object en licht - Psychologie mens – licht
2
CARO VANDENBERGHE 1IVc
, KLEUR & LICHT
- Bepaalt veiligheid, welzijn en - Verlichting op maat
comfort
RICHARD KELLY (1910 -1977)
- Verandert de vraag naar lichtkwantiteit in de vraag naar afzonderlijke kwaliteit van licht
- In de jaren 50 maakt hij de 3 basisfuncties
Licht om te zien (algemene verlichting)
Licht om naar iets te kijken (accent verlichting)
Licht om te bekijken (decoratieve-sfeer verlichting)
WILLIAM LAM (1924 – 2012)
- Maakte onderscheid tussen 2 hoofdgroepen van criteria;
ACTIVITEITSBEHOEFTEN BIOLOGISCHE BEHOEFTE
- Vereiste in visuele omgeving voor bepaalde activiteit - Psychologische vereiste in visuele omgeving
om deze optimaal uit te voeren - Beinvloeden onbewuste & emotionele waardering
1 ORIENTATIE (circulatie door licht, klimaat, tijdstip,..)
2 BEGRIJPELIJKHEID ( veilig gevoel, ervaren orde als mooi)
3 COMMUNICATIE (privé, contact met andere)
ZIEN EN WAARNEMEN
- Informatie opnemen over de omgeving doet de mens via het oog
LICHT
- Het zichtbaar kleurspectrum dat zichtbaar is voor het menselijke oog ligt tussen 380 nm (violet) en 760
nm (rood)
vorm van ernergie dat zich voortplant met een bepaalde snelheid
KLEURINDRUK
- Zichtbaar licht veroorzaakt naast een lichtindruk ook een kleurindruk
DE MONOCHROMATISCHE KLEUREN (= PURE SPECTRUM) licht dat slechts uit 1 spectrale kleur bestaat
→ Alle kleuren die zichtbaar zijn in een enkele golflengte van licht.
→ Kleurenspectrum = totaal lichtkleuren binnen een elektromagnetisch spectrum
→ Menselijk gezichtsvermogen kan meerdere spectrale kleuren niet onderscheiden = komen samen in 1
kleurindruk
→ Mengkleuren = kleuren buiten de spectrale kleuren
→ Lichtbron met spectrale kleuren = wit => Hoeveelheid kleur bepaald koud of warm licht.
FYSIOLOGIE VAN HET OOG
WAARNEMEN
1 RECEPTOREN
3
CARO VANDENBERGHE 1IVc
, KLEUR & LICHT
A. STAAFJES
- Hoge lichtgevoeligheid
- Grote waarnemingscapaciteit
- Geen kleur waarneming
- Enorme gevoeligheid => geactiveerd wanneer verlichtingssterkteniveau minder is dan 1 lux
- Zorgen voor nachtvisie
B. KEGELTJES
- Daglicht/ elektisch licht zien
- Weinig lichtgevoeligheid, en geconcentreerd in het centrale gebied rond het NETVLIES
- Kleur- en scherpe contouren waarnemen
- Belangrijkste gebied van waarneming ligt in CENTRALE GEBIED
2 DAG/NACHT
- Oog kan zich in verschillende verlichtings-verhoudingen stellen
3 ADAPTIETIJD
- Adaptievermogen = vermogen om zich aan te passen aan grote verschillen helderheid/ luminantie
- Ondanks groot adaptievermogen => beperken tot contrastwaarneming
- Oog kan niet alle luminanties waarnemen op hetzelfde moment
- Objecten met hoge helderheid tegenover een bepaald licht kunnen verblinden veroorzaken
- Adaptie naar licht = snel
- Adaptie naar donker = traag => effect op lichtplanning! Voorkom verblinding!
4 OOGGEVOELIGHEID
- Elk kegeltje heeft een eigen kleurpigment => dus eigen gevoeligheidsmaximum
5 ACCOMODATIEVERMOGEN
- Scherpstellen van het beeld => door vervorming op de ooglens
- Ooglens => platter/ boller wanneer object dicht of verder staat
PSYCHOLOGIE VAN HET KIJKEN
= hoe het brein meewerkt aan de waarneming van beeldinformatie
Controur - verwachting kan ontbrekende delen van een
vorm aanvulllen aan de contour => schaduw
moet aanwezig zijn
Totale vorm - Vorm voorstellen door de ervaring
- Herkennen aan details
4
CARO VANDENBERGHE 1IVc