H1: WAAROM
SOCIAALWETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK
1.1 Inleiding
Methodologie--> wijze waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening
functioneert.
Academic Probation--> student krijgt waarschuwing dat resultaten te laag zijn.
--> theoretisch kader: rational choice theory
- keuze 3 opties (niet inschrijven, lichte/zware inspanning)
- kiezen max. verwachte opbrengst, gegeven ability
- academic probation: lichte inspanning onmogelijk gemaakt voor
studenten middelgrote ability (drempelscore haalbaar = harder werken,
anders dropout)
Kenmerken wetenschappelijke theorieën:
- uitspraak over relaties tussen concepten
- empirisch toetsbaar
- zekere mate van veralgemeenbaarheid
Mixed-methods aanpak--> meerdere empirische luiken
Moderne wetenschapsbeoefening --> niet enkel rationele dialoog, ook
machtsverhoudingen, politieke inmenging, ...
1.2 Enkele voorbeelden
1.2.1 de opwarming van de aarde
GEWOON LEZEN
1.2.2 De ‘War against Crime’ in New York
Broken windows theory (Wilson & Kelling)
--> kleine tekenen wanorde leiden tot meer criminaliteit omdat niemand
boeit
--> figuur 1.1 p9 bekijken
3 voorwaarden causaliteit:
1. zeker statistisch verband tussen gebeurtenis A en B
2. gebeurtenis A moet voorafgaan aan B
3. statistisch verband tussen A en B mag niet te wijten zijn aan derde
gebeurtenis C
1.2.3-1.2.6--> GEWOON LEZEN
,1.3 Wetenschappelijke aanpak
Wetenschappelijke inzichten --> kennis + toepassen methoden & technieken
voor kennis
Methodologie ≠ methode (proces wetenschapsbeoefening ≠ specifieke
technieken)
Alternatieve bronnen:
1. persoonlijke ervaringen
2. massamedia
3. ideologie
--> NIET BETROUWBAAR
1.4 Wat te verwachten van methodologie
- theoretische inzichten uit data + uitspraken
o microniveau: individu
o mesoniveau: organisaties/bedrijven/...
o macroniveau: maatschappij
- data/gegevens uit werkelijkheid
H2: BOUWSTENEN EN
SOORTEN SOC.-WET.
ONDERZOEK
2.1 Inleiding
Sociaalwetenschappelijk onderzoek --> kennis opbouwen over de samenleving:
- observeerbare fenomenen
- methodologische spelregels toepassen
- ‘waarheid’ als criterium
2.2 Bouwstenen van sociaal-wetenschappelijk
onderzoek
2.2.1 theorie en empirie
Theorie--> geheel samenhangende uitspraken die bepaalde fenomenen
beschrijven/verklaren.
- concept --> algemeen, abstract idee dat als label dient om concrete
fenomenen te categoriseren
- propositie --> veronderstelde relatie tussen concepten.
,Job demand-control model (Robert Karasek, 1979)
--> welke jobkenmerken ertoe leiden dat werknemers gestresseerd zijn.
- zinloze job (veel autonomie, weinig werkdruk, weinig stress)
- actieve job (veel autonomie, veel werkdruk, gemiddelde stress)
- passieve job (weinig autonomie, weinig werkdruk, gemiddelde stress)
- slopende job (weinig autonomie, veel werkdruk, veel stress)
Rational choice theory--> mensen overwegen ‘kosten en baten’ bij het nemen
van beslissingen
5 KENMERKEN:
1. logisch consistent --> proposities spreken elkaar niet tegen
2. veralgemeenbaar --> ruim toepassingsgebied
a. formele theorie--> sociale fenomenen kan je los verklaren van
concrete inhoud vanuit enkele basisprincipes (bv. rational choice
theory)
b. grand theory (Mills)--> sociale fenomenen vatten vanuit één
conceptueel kader, waarin het ordenen van concepten
belangrijker is dan begrijpen werkelijkheid (bv. historisch
materialisme van Marx) --> niet bruikbaar voor onderzoek
c. middle range theory (Merton) --> theorieën die berusten op
reeks aannames over één sociaal fenomeen, waaruit hypothesen
kunnen volgen die op hun beurt empirisch getoetst worden
3. verklaringskracht --> van fenomenen rondom ons
4. spaarzaam --> niet te veel concepten en proposities om fenomenen te
verklaren
5. empirisch toetsbaar --> moet verifieerbaar en falsifieerbaar zijn
(repliceren)
a. verifieerbaarheid: mogelijkheid om door observatie te toetsen
of theoretische aannames overeenstemmen met de realiteit
b. falsifieerbaarheid: mogelijkheid om door observatie de
eventuele onjuistheid van kennis aan te tonen (=
weerlegbaarheid)
--> hoe vaker gefalsifieerd, hoe beter
Repliceren--> het herhalen van onderzoek om conclusies te controleren.
2.2.2 inductie en deductie
Henri Poincaré: “science is build up with facts, as a house is with stones. But a
collection of facts is no more a science than a heap of stones is a house”.
, Deductie (deducere = afleiden):
- algemene naar het bijzondere (theorie naar empirie)
- BV: vogels hebben vleugels --> kanarie is vogel dus ook vleugels
Inductie:
- specifieke waarnemingen naar algemene regel (empirie naar theorie)
- BV: zwaan X, Y en Z zijn wit --> alle zwanen zijn wit
Emile Durkheim (“le suicide”) --> onderzoek naar zelfdoding
- 4 types zelfdoding:
a. anomisch (te zwakke regulatie)
b. fatalistisch (te sterke regulatie)
c. egoïstisch (te zwakke integratie)
d. altruïstisch (te sterke integratie)
- bv. val Sovjet-Unie --> meer anomische zelfdoding door wegvallen sterke
regulatie
2.2.3 de empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
2.3 Evaluatiecriteria voor wetenschappelijke kennis
2 soorten fouten:
- toevallig (error) --> kunnen elkaar neutraliseren
- systematisch (bias/vertekening)
2.3.1 betrouwbaarheid
SOCIAALWETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK
1.1 Inleiding
Methodologie--> wijze waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening
functioneert.
Academic Probation--> student krijgt waarschuwing dat resultaten te laag zijn.
--> theoretisch kader: rational choice theory
- keuze 3 opties (niet inschrijven, lichte/zware inspanning)
- kiezen max. verwachte opbrengst, gegeven ability
- academic probation: lichte inspanning onmogelijk gemaakt voor
studenten middelgrote ability (drempelscore haalbaar = harder werken,
anders dropout)
Kenmerken wetenschappelijke theorieën:
- uitspraak over relaties tussen concepten
- empirisch toetsbaar
- zekere mate van veralgemeenbaarheid
Mixed-methods aanpak--> meerdere empirische luiken
Moderne wetenschapsbeoefening --> niet enkel rationele dialoog, ook
machtsverhoudingen, politieke inmenging, ...
1.2 Enkele voorbeelden
1.2.1 de opwarming van de aarde
GEWOON LEZEN
1.2.2 De ‘War against Crime’ in New York
Broken windows theory (Wilson & Kelling)
--> kleine tekenen wanorde leiden tot meer criminaliteit omdat niemand
boeit
--> figuur 1.1 p9 bekijken
3 voorwaarden causaliteit:
1. zeker statistisch verband tussen gebeurtenis A en B
2. gebeurtenis A moet voorafgaan aan B
3. statistisch verband tussen A en B mag niet te wijten zijn aan derde
gebeurtenis C
1.2.3-1.2.6--> GEWOON LEZEN
,1.3 Wetenschappelijke aanpak
Wetenschappelijke inzichten --> kennis + toepassen methoden & technieken
voor kennis
Methodologie ≠ methode (proces wetenschapsbeoefening ≠ specifieke
technieken)
Alternatieve bronnen:
1. persoonlijke ervaringen
2. massamedia
3. ideologie
--> NIET BETROUWBAAR
1.4 Wat te verwachten van methodologie
- theoretische inzichten uit data + uitspraken
o microniveau: individu
o mesoniveau: organisaties/bedrijven/...
o macroniveau: maatschappij
- data/gegevens uit werkelijkheid
H2: BOUWSTENEN EN
SOORTEN SOC.-WET.
ONDERZOEK
2.1 Inleiding
Sociaalwetenschappelijk onderzoek --> kennis opbouwen over de samenleving:
- observeerbare fenomenen
- methodologische spelregels toepassen
- ‘waarheid’ als criterium
2.2 Bouwstenen van sociaal-wetenschappelijk
onderzoek
2.2.1 theorie en empirie
Theorie--> geheel samenhangende uitspraken die bepaalde fenomenen
beschrijven/verklaren.
- concept --> algemeen, abstract idee dat als label dient om concrete
fenomenen te categoriseren
- propositie --> veronderstelde relatie tussen concepten.
,Job demand-control model (Robert Karasek, 1979)
--> welke jobkenmerken ertoe leiden dat werknemers gestresseerd zijn.
- zinloze job (veel autonomie, weinig werkdruk, weinig stress)
- actieve job (veel autonomie, veel werkdruk, gemiddelde stress)
- passieve job (weinig autonomie, weinig werkdruk, gemiddelde stress)
- slopende job (weinig autonomie, veel werkdruk, veel stress)
Rational choice theory--> mensen overwegen ‘kosten en baten’ bij het nemen
van beslissingen
5 KENMERKEN:
1. logisch consistent --> proposities spreken elkaar niet tegen
2. veralgemeenbaar --> ruim toepassingsgebied
a. formele theorie--> sociale fenomenen kan je los verklaren van
concrete inhoud vanuit enkele basisprincipes (bv. rational choice
theory)
b. grand theory (Mills)--> sociale fenomenen vatten vanuit één
conceptueel kader, waarin het ordenen van concepten
belangrijker is dan begrijpen werkelijkheid (bv. historisch
materialisme van Marx) --> niet bruikbaar voor onderzoek
c. middle range theory (Merton) --> theorieën die berusten op
reeks aannames over één sociaal fenomeen, waaruit hypothesen
kunnen volgen die op hun beurt empirisch getoetst worden
3. verklaringskracht --> van fenomenen rondom ons
4. spaarzaam --> niet te veel concepten en proposities om fenomenen te
verklaren
5. empirisch toetsbaar --> moet verifieerbaar en falsifieerbaar zijn
(repliceren)
a. verifieerbaarheid: mogelijkheid om door observatie te toetsen
of theoretische aannames overeenstemmen met de realiteit
b. falsifieerbaarheid: mogelijkheid om door observatie de
eventuele onjuistheid van kennis aan te tonen (=
weerlegbaarheid)
--> hoe vaker gefalsifieerd, hoe beter
Repliceren--> het herhalen van onderzoek om conclusies te controleren.
2.2.2 inductie en deductie
Henri Poincaré: “science is build up with facts, as a house is with stones. But a
collection of facts is no more a science than a heap of stones is a house”.
, Deductie (deducere = afleiden):
- algemene naar het bijzondere (theorie naar empirie)
- BV: vogels hebben vleugels --> kanarie is vogel dus ook vleugels
Inductie:
- specifieke waarnemingen naar algemene regel (empirie naar theorie)
- BV: zwaan X, Y en Z zijn wit --> alle zwanen zijn wit
Emile Durkheim (“le suicide”) --> onderzoek naar zelfdoding
- 4 types zelfdoding:
a. anomisch (te zwakke regulatie)
b. fatalistisch (te sterke regulatie)
c. egoïstisch (te zwakke integratie)
d. altruïstisch (te sterke integratie)
- bv. val Sovjet-Unie --> meer anomische zelfdoding door wegvallen sterke
regulatie
2.2.3 de empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
2.3 Evaluatiecriteria voor wetenschappelijke kennis
2 soorten fouten:
- toevallig (error) --> kunnen elkaar neutraliseren
- systematisch (bias/vertekening)
2.3.1 betrouwbaarheid