College 4: aristoteles
Oudheid
Aristoteles (384-322 v.C.)
Opvolger Plato
- Vertrekken vanuit zintuigelijke waarneming
Bakende verschillende wet. Disciplines af en definieerde
hoe ze systematisch met elkaar samenhangen.
- De eerste die empirisch te werk ging.
Systematische wetenschap
Plato: meningen zijn onstabiel
- 1 oplossing (ideale staat) met 3 klasse
- Ethiek gebaseerd op kennis (de idee/ vorm)
o De wede herinnering
- Transcendent: zintuigelijk overstijgend
Aristoteles:
- Allesomvattend systeem
- Afgebakende disciplines, elke discipline heeft een eigen werk
- Esoterisch vs. Exoterisch
o Exoterisch: werken die we niet meer hebben. (Breed
publiek)
o Esoterisch: werken die geschreven zijn voor zijn studenten
(hebben we wel)
- Empirisch (vs. moderne wetenschap)
o Wij: experimenten, hypothesen, verificatie
Drukken uit in de vorm van formules, natuurwetten
o Ari: observeren zonder te manipuleren
- Observatie -> ‘echte’ kennis
o Betrekking tot Universele oorzaken
Niet-materiële principes
o Kennis omwille van kennis/ weten omwille van het weten
Voorbeeld
, “De octopus gebruikt zijn tentakels tegelijk als handen en als voeten: hij
neemt voedsel in met behulp van de twee tentakels boven zijn bek, en zijn
laatste tentakel, die heel puntig is en als enige wittig en aan het uiteinde
gespleten […] gebruikt hij voor de geslachtsgemeenschap. […] Zo lang het
dier leeft, is zijn kop hard en lijkt deze opgeblazen. Hij grijpt dingen en
houdt ze vast met de onderkant van zijn tentakels, en het membraan
tussen zijn voeten is volledig gestrekt. Als hij op het zand terechtkomt,
verliest hij zijn greep.” (Historia animalium, IV, 1, 524a3-20)
Vanuit observatie opklimmen tot de fundamenten van de werkelijkheid
Categorieën
- Methode = logica
o De structuur en de studie van de structuur van de logos
- In beschrijving v/d werkelijkheid vertrekt onze logos van Tien
basisvragen/perspectieven (qua)
o Die altijd terugkeren
o Categorie: een structuur van de werkelijkheid en de taal
- Structuren van verstand én werkelijkheid (categorieën):
o Substantie (bv:’jan’)
Een concreet aanwijsbaar ding
o Kwaliteit (bv: kleur)
o Kwantiteit (bv: lengte)
o Plaats (bv: ’in dit lokaal’)
o Relatie (bv: ‘rechts van mij’)
Verhouding tussen 2 substanties
o Tijd (bv: ‘gisteren’)
o Activiteit (bv: ‘praten’)
o Ondergaan (bv: ‘gestoord worden’)
o Houding (bv: zittend)
o Aanhebben (bv: geschoeid)
- Wij maken van die categorieën gebruik in ons denken en spreken
over de werkelijkheid.
Substantie is de enige die op zichzelf kan bestaan en die
blijvend identiek is met zichzelf.
Scheidbaar: ze kan worden ontdaan v/ eigenschappen
zonder dat ze daardoor ophoudt te bestaan.
- Logica = onto-logica
Je kan de werkelijkheid begrijpen zoals hij is
- De logica van ons denken weerspiegelt de logica die in de
werkelijkheid aanwezig is.
Oudheid
Aristoteles (384-322 v.C.)
Opvolger Plato
- Vertrekken vanuit zintuigelijke waarneming
Bakende verschillende wet. Disciplines af en definieerde
hoe ze systematisch met elkaar samenhangen.
- De eerste die empirisch te werk ging.
Systematische wetenschap
Plato: meningen zijn onstabiel
- 1 oplossing (ideale staat) met 3 klasse
- Ethiek gebaseerd op kennis (de idee/ vorm)
o De wede herinnering
- Transcendent: zintuigelijk overstijgend
Aristoteles:
- Allesomvattend systeem
- Afgebakende disciplines, elke discipline heeft een eigen werk
- Esoterisch vs. Exoterisch
o Exoterisch: werken die we niet meer hebben. (Breed
publiek)
o Esoterisch: werken die geschreven zijn voor zijn studenten
(hebben we wel)
- Empirisch (vs. moderne wetenschap)
o Wij: experimenten, hypothesen, verificatie
Drukken uit in de vorm van formules, natuurwetten
o Ari: observeren zonder te manipuleren
- Observatie -> ‘echte’ kennis
o Betrekking tot Universele oorzaken
Niet-materiële principes
o Kennis omwille van kennis/ weten omwille van het weten
Voorbeeld
, “De octopus gebruikt zijn tentakels tegelijk als handen en als voeten: hij
neemt voedsel in met behulp van de twee tentakels boven zijn bek, en zijn
laatste tentakel, die heel puntig is en als enige wittig en aan het uiteinde
gespleten […] gebruikt hij voor de geslachtsgemeenschap. […] Zo lang het
dier leeft, is zijn kop hard en lijkt deze opgeblazen. Hij grijpt dingen en
houdt ze vast met de onderkant van zijn tentakels, en het membraan
tussen zijn voeten is volledig gestrekt. Als hij op het zand terechtkomt,
verliest hij zijn greep.” (Historia animalium, IV, 1, 524a3-20)
Vanuit observatie opklimmen tot de fundamenten van de werkelijkheid
Categorieën
- Methode = logica
o De structuur en de studie van de structuur van de logos
- In beschrijving v/d werkelijkheid vertrekt onze logos van Tien
basisvragen/perspectieven (qua)
o Die altijd terugkeren
o Categorie: een structuur van de werkelijkheid en de taal
- Structuren van verstand én werkelijkheid (categorieën):
o Substantie (bv:’jan’)
Een concreet aanwijsbaar ding
o Kwaliteit (bv: kleur)
o Kwantiteit (bv: lengte)
o Plaats (bv: ’in dit lokaal’)
o Relatie (bv: ‘rechts van mij’)
Verhouding tussen 2 substanties
o Tijd (bv: ‘gisteren’)
o Activiteit (bv: ‘praten’)
o Ondergaan (bv: ‘gestoord worden’)
o Houding (bv: zittend)
o Aanhebben (bv: geschoeid)
- Wij maken van die categorieën gebruik in ons denken en spreken
over de werkelijkheid.
Substantie is de enige die op zichzelf kan bestaan en die
blijvend identiek is met zichzelf.
Scheidbaar: ze kan worden ontdaan v/ eigenschappen
zonder dat ze daardoor ophoudt te bestaan.
- Logica = onto-logica
Je kan de werkelijkheid begrijpen zoals hij is
- De logica van ons denken weerspiegelt de logica die in de
werkelijkheid aanwezig is.