INLEIDING
Psychologie = de wetenschappelijke studie over oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag, en hoe die kennis
toegepast kan worden in de psychologische hulpverlening en begeleiding van mensen in verchillende situaties
Het begrip ‘menselijk gedrag’ bestaat uit:
• Direct waarneembaar gedrag (wat mensen doen)
• Indirect waarneembaar gedrag (hoe men denkt en wat men voelt)
• De biologische of neuropsychologische processen die aan de basis liggen van dat gedrag
ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
= de studie die de normale ontwikkeling bestudeert van kind tot oudere
• Probeert achterstanden en stoornissen te beschrijven, te begrijpen en te verklaren
• Bestaat uit
o De klassieke ontwikkelingspsychologie
o De levenslooppsychologie
Taal/motorische/fysieke ontwikkeling ⬄ cognitieve/sociale/emotionele/persoonlijkheids-ontwikkeling
• Leeftijdscategorieën
o Prenatale periode
o Babytijd (0-1 jaar)
o Peutertijd (1-2 jaar)
o Kleutertijd (3-6 jaar)
o Lagere school (6-11 jaar)
o Puberteit (11-14 jaar)
o Adolescentie (14-18 jaar)
o Jongvolwassenen (18-21 jaar)
o Volwassenen (21+)
o Ouderen (65+)
BELANG PSYCHOLOGISCHE ONTWIKKELINGSTHEORIEËN
• Voorzien een kader om menselijk gedrag te observeren, te interpreteren, te voorspellen
• Gefundeerd door wetenschappelijk onderzoek
• Combinatie van verschillende theorieën is nodig
• Vormen stevige basis voor interventie
VROEGE DENKBEELDEN OVER KINDEREN
Philippe Ariès (1914 – 1984) (kunsthistoricus)
• Voor 1600: kind als miniatuurvolwassenen
• Middeleeuwen: kinderen krijgen eigen status
1
, • 18e E: babybiografieën en Darwin
o Babybiografie: “dagboekjes” met mijlpalen v kinderen
o Evolutietheorieën à nieuwsgierigheid nr kinderen
• 19 E: eerste boek kinderziekten
e
• 20e E: ontwikkelingspsy als wetenschap
John Locke (1632-1704)
• Tabula rasa: het kind als onbeschreven blad, van nature niet goed of slecht
• Nadruk op omgeving, opvoeding en ervaring
• Kinderen als passief en beschreven door anderen
Ontwikkeling als continu proces, elementen in leertheoretische principes
Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778)
• Kind is van nature goed, neiging tot positieve ontwikkeling
• Opvoedingsfilosofie is gebaseerd op eerbied voor de natuurlijke ontwikkeling: Emile
• Volwassenen als receptief, kind als actief
Ontwikkeling als discontinu process
Maturatie: genetisch bepaald en natuurlijk ontwikkelingsverloop
WETENSCHAPPELIJKE VISIES OP KINDEREN (LEERPAD)
• Psychodynamisch perspectief: focus op innerlijke krachten
• Behavioristisch perspectief: focus op waarneembaar gedrag
• Cognitief perspectief: focus op ons begripsvermogen
• Evolutionair perspectief: wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag
• Systemisch perspectief: systemen rond het kind
• Behoefteperspectief: psychologische basisbehoeften als motor voor ontwikkeling
PSYCHODYNAMISCH PERSPECTIEF
= benadering van ontwikkeling waarbij men uitgaat dat gedrag gemotiveerd wordt door innerlijke krachten.
Men beklemtoont het belang van herinneringen en conflicten waarvan een pers zich nog nauwelijks bewust is.
• Sigmund Freud (1856 – 1939)
o Grondlegger psychoanalytische theorie
§ Gedrag gemotiveerd door innerlijke krachten en herinneringen waarvan pers zich
nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle heeft
§ Krachten hebben oorspr in kindertijd en blijven iemands gedrag hele leven beïnvloeden
§ ⇨ theorie over de (ontwikkeling van) persoonlijkheid
§ à tripartite persoonlijkheid
• Onbewuste krachten zijn bepalend
2
, o Persoonlijkheid bestaat uit drie delen:
§ Id
• Fysiologisch aangeboren deel vd persoonlijkheid (primitieve drift)
• Instinctief en opereert vanuit een genotsprincipe ⇨ gericht op onmiddellijke
behoeftebevrediging
§ Superego
• Reflecteert het geweten
• Kind wordt blootgesteld aan allerlei eisen uit de omgeving
• Kind is afh van die omgeving ⇨ neemt eisen over
• Schuld- en schaamte gevoelens zijn de motor van de ontwikkelig vh menselijk
geweten
§ Ego
• Rationele en redelijke deel vd persoonlijkheid
• Reflecteert de uiteindelijke persoonlijkheid van iemand
• Moet compromis zien te sluiten tussen instinctieve verlangens vd
persoon (id) en de geïnternaliseerde omgevingseisen (super-ego)
• Hoe iemand met een conflict tussen het id en het super-ego
omgaat, is de kern van iemand zijn persoonlijkheid
o Psychoseksuele ontwikkeling
§ Theorie over manier waarop die persoonlijkheid zich tijdens kindertijd vormt
§ Fase theorie: in elke fase is biologisch genot steeds gericht op een ander deel vh lichaam
• Ouders: balans vinden hoeveel bevrediging er nodig is vr basisbehoeften vh kind
o Lukt dit ⇨ kinderen opgroeien tot aangepaste volwassenen met
capaciteiten voor mature seksualiteit en intieme relaties
o Lukt dit niet ⇨ fixatie
• Verschillende persoonlijkheden: doordat bepaalde fase stempel drukt
• Orale fase (0-1j): focus op zuigactiviteiten
• Anale fase (1-3j): focus op vasthouden en ontlasten van urine/stoelgang
• Fallische fase (3-6j): focus op genitale stimulatie
o Oedipus-en elektracomplex
• Latentiefase (6-11j)
• Genitale fase (adolescentie)
Bedenkingen en verdere ontwikkelingen van Freuds theorie:
• Erik Erikson:
o Psychosociale ontwikkeling (ipv psychoseksuele) ⇨ nadruk op sociale interacties met anderen
o In elke fase neem je maatschappelijke rollen op ⇨ verwachtingen
o Ontwikkeling groeit doorheen hele leven (⬄ adolescentie (Freud)) ⇨ achtstadia model
§ In elk stadia een conflict of crisis dat moet worden opgelost om door te kunnen groeien naar
een volgend stadium (wijze waarop drukt stempel op iemands persoonlijkheid)
• Sterktes
o Erkent dat er psychologische, onbewuste conflicten zijn die een verklaring kunnen bieden voor
ogenschijnlijk onzinnig gedrag dat mensen soms vertonen
o Nadruk op belang van opvoeding, want omgeving leert kind ongewenste driften te beheersen
• Zwaktes
o Overbeklemtoonde seksuele gevoelens
o Theorie tot stand gekomen op basis van zijn praktijk met volwassenen (geen kinderen onderzocht)
3
, BEHAVIORISTISCHE/LEERTHEORETISCH PERSPECTIEF
Men kijkt hierbinnen niet naar onbewuste processen. Aanvankelijk bestudeerden behavioristen mensen zelfs
volledig van buitenaf. In een behavioristisch perspectief hanteert men geen stadia of fasen. Zij gaan er vanuit
dat mensen ontwikkelen door de omgevingsstimuli waaraan ze toevallig worden blootgesteld.
KLASSIEKE CONDITIONERING
= proces waarbij een persoon leert reageren op en neutrale stimulus (een stimulus die de respons normaal
niet zou uitlokken), nadat deze werd gekoppeld aan een beladen stimulus (een stimulus die van nature uit
wel een reactie uitlokt). Zo leert een pers verbanden leggen tussen stimuli en krijgen stimuli betekenissen.
= betekenisleren = emotieleren
• Ivan Pavlov (1849-1936)
o Hond van Pavlov
• John Watson (1878-1958)
o Paste KC als eerste toe op mensen
o Gebruikte KC om emoties te verklaren
o Kleine Albert
OPERANTE CONDITIONERING
= gedragsleren
Verklaart intentioneel gedrag. Het helpt ons begrijpen waarom we gedrag wel of niet gaan stellen. Het vertelt
iets over de functie van gedrag.
Een persoon leert een koppeling tussen een gedrag en de positieve of negatieve gevolgen op dit gedrag
• Burrhus Skinner (1904-1990)
SOCIAAL COGNITIEVE LEERTHEORIE
= observationeel leren
• Albert Bandura (1925-2021)
o Consequenties v gedrag moeten niet zelf worden ervaren om er van te leren
o We leren ook door het observeren van het gedrag van een andere persoon (een model) en de
gevolgen die dat gedrag heeft voor die andere persoon
o Experiment met honden & Bobo-doll-experiment
• Cognitieve aspect belangrijk
Sterktes
• Grote invloed gehad op de ontwikkelingspsychologie (procedures v straffen/belonen op gebaseerd)
• Beklemtoont het belang van opvoeden
• Kent van bij de start een grote wetenschappelijke onderbouwing
Zwaktes
• Aanvankelijk geen aandacht voor innerlijke processen
4