Practicum 1: Observeren
Opwarmer en voorkennis
Observatie Interpretatie
Mensen staan buiten. Dit lijkt een boerenprotest of
Er zijn tractors zichtbaar demonstratie.
achter de menigte. De tractors zijn waarschijnlijk
Sommige mensen houden meegenomen als actiemiddel
borden omhoog. Op één bord of symbool van de boeren.
staat: “Zonder jonge boer in De borden en leuzen wijzen
dit land geen boodschappen op onvrede over
in uw mand landbouwbeleid en
#NoFarmersNoFood”.Op een benadrukken het belang van
ander bord staat: “Ons land boeren voor
draait, doordat de boer voedselvoorziening.
zaait”. De aanwezigheid van veel
Er zijn vlaggen zichtbaar, o.a. mensen suggereert dat dit
rood-wit-blauw. een grote georganiseerde
Het is overdag, in een actie is.
buitenomgeving met bomen
op de achtergrond.
Observeren
Handelingsgerichte diagnostiek
, Observeren is
belangrijk doorheen
het hele traject
5 I-model
Wat is observeren?
Observeren is iets wat men moet leren.
Vanaf onze geboorte zijn we voortdurend bezig met
observeren, alledaags observeren.
Denk aan hoe een baby, vanuit een babystoel, voortdurend
haar spelende grote zus observeert.
Alledaags observeren heeft meerdere doelen:
Informatie verwerven over anderen.
Informatie verwerven over relaties, gebeurtenissen en
situaties.
Informatie verwerven over onszelf, zelfobservatie.
We willen als mens zijnde namelijk ons eigen gedrag, alsook dat van
anderen graag begrijpen. Alledaags observeren helpt ons bij
, interacties in en met onze omgeving. We stemmen ons eigen
gedrag vaak af op basis van ons alledaags observeren.
Observeren is als het ware een hulpmiddel om iemand beter te leren
kennen, begrijpen, etc. Echter stellen we vast dat alledaags observeren
geen professioneel observeren is. Er is sprake van gelijkenissen alsook
verschillen tussen alledaags observeren en professioneel
observeren.
Belang van observeren gedurende het diagnostisch proces
Als psychologisch consulent gaan we in het werkveld op zoek naar
antwoorden. Je wil als het ware (in)zicht krijgen op het gedrag van
cliënten. Het gedrag voorspellen, verbanden in de omgeving
nagaan, etc.
Professionele observatiedoelen: Wanneer je observeert, bepaal je
eerst wat je precies wil te weten komen. Dat kan op twee manieren:
je kan gedrag beschrijven of je kan gedrag verklaren.
1. Beschrijvend observatiedoel
Je wil enkel objectief vaststellen wat er gebeurt.
Je noteert wat je ziet en hoort, zonder te oordelen of te zoeken naar
oorzaken.
👉 Je beantwoordt dus eigenlijk de vragen:
Wat gebeurt er? Wanneer? Hoe vaak? Op welke manier?
Voorbeelden van vragen:
Wat doet Wolf wanneer hij agressief reageert? Slaat hij,
roept hij, duwt hij…?
Wanneer is Sofie minder aandachtig tijdens de les?
In welke situaties staat een kind op uit zijn stoel?
Concreet voorbeeld:
Doel: Het gedrag van Wolf in de speeltijd in kaart
brengen.
Observatie (beschrijvend):
Tijdens de speeltijd duwt Wolf twee keer een klasgenoot
wanneer hij moet wachten aan het voetbalveld. Hij roept
luid en gebruikt scheldwoorden. Na tussenkomst van de
leerkracht stopt het gedrag.
→ Je beschrijft alleen wat je ziet, niet waarom hij het doet.
, 1. Verklarend observatiedoel
Je wil begrijpen waarom het gedrag plaatsvindt.
Je zoekt naar mogelijke oorzaken, behoeften of omstandigheden die
het gedrag beïnvloeden.
👉 Je beantwoordt dus vragen zoals:
Waarom gebeurt dit? Waardoor wordt het uitgelokt? Wat zit
erachter?
Voorbeelden van vragen:
Waarom heeft Melanie vaak ruzie op school?
Hoe komt het dat Jolien niet graag alleen thuis is?
Waarom wordt een kind boos tijdens groepswerk?
Concreet voorbeeld (zelfde kind):
Doel: Nagaan waarom Wolf agressief reageert op de
speelplaats.
Interpretatie na meerdere observaties.
Wolf wordt vooral boos wanneer hij moet wachten of
wanneer spelregels veranderen. Hij reageert minder
agressief wanneer hij vooraf weet wat er gaat gebeuren
of wanneer hij een duidelijke taak krijgt.
→ Hier ga je dus zoeken naar een verklaring (bv. moeite met
wachten of onverwachte veranderingen).
Focus van observeren bij diagnostiek?
1. Objectiviteit voorop
Je noteert wat je ziet en hoort, zonder oordeel.
Voorbeeld: “kind wiebelt met benen gedurende de taak” i.p.v.
“kind is zenuwachtig”.
1. Gedrag in context
Hoe gedraagt iemand zich tijdens de testafname (of
gesprek/situatie) en hoe beïnvloedt de context dat?
Voorbeeld: meer prutsen bij rekenopdrachten dan bij
taalopdrachten.
1. Proces naast resultaat
Niet alleen of de cliënt een taak correct maakt, maar hoe
hij/zij die taak aanpakt.
Voorbeeld: blijft doorzetten, gebruikt strategie, vraagt
herhaaldelijk om bevestiging.
1. Non-verbaal gedrag
Lichaamshouding, mimiek, motoriek, spanning → vaak
veelzeggend naast verbale antwoorden.
1. Interactie met de onderzoeker/testleider