BIOMEDISCH KADER
27/11/2025
DEEL 1: CELLEER
1. Bouw en functie van de cel
- Alle organismen cellen
- Ondanks onderlinge verschillen duidelijke overeenkomsten tss. cellen van meeste
organismen
- Alle cellen begrenzing/celmembraan & geleiachtige inhoud
- Geleiachtige inhoud nucleïnezuren (stoffen die belangrijke rol vervullen bij bepalen
wat cel kan & doet) DNA (Desoxyribonucleïnezuur)
1.1. Bouw
- Eencellige organismen bv bacteriën
- Meercellig organisme
- Cellen met = vorm & functie weefsel
- Meeste organismen organen voor uitvoeren van speciale taken
- Elk orgaan verschillende soorten weefsels
- Ingewikkeld gebouwde organismen organen verbonden tot organenstelsel met
eigen taak bv maagdarmstelsel, zenuwstelsel, hormoonstelsel
- Binnen een cel organisatieniveaus onderscheiden
- Meeste cellen organellen
- Moleculen meerdere atomen
1.1.1. Celschema
- Cellen algemeen bouwplan & verschillen
- Elke cel eigen functie & zo goed mogelijk aangepast
- Cellen cytoplasma omgeven door celmembraan
- Cytoplasma grondplasma & organellen
- Grondplasma geleiachtige vloeistof & groot aantal eiwitten, vetten, suikers,
mineralen
1.1.2. Celorganellen en hun functie
- Celorganellen onderdelen cel
- Celkern = nucleus:
- Alle eurkaryote cellen celkern (onderscheiden van prokaryote cellen)
- Celkern chromosomen (steeds gekopieerd & aan dochtercellen doorgegeven)
verantwoordelijk voor erfelijke eigenschappen van organisme
- Elk chromosoom complex van DNA en eiwitten
- Cel niet deelt lange dunne draden, chromatine (met microscoop alleen met
speciale technieken zichtbaar)
- Celdeling draden rollen op tot staafjes
- Binnen kern structuur, nucleolus (kernlichaam) aanmaak ribosomen
- Rond kernplasma kernmembraan (dubbelmembraan)
- Kernmembraam gaatjes, kernporieën
- Poriën grote moleculen kunnen celkern in & uit
Mitochondriën
- In eukaryote cellen energie uit voedsel omgezet in ATP (adenosinetrifosfaat)
- ATP fungeert in cel als opgeladen accu
- ATP-moleculen mitochondriën kerncentrale van de cel
- Mitochondriën dubbelmembraam, grondplasma, DNA, veel enzymen energie uit
voedsel omzetten in ATP
, - Mitochondrium grondstoffen voor ATP zijn ADP (adenosinedifostaat) & P
(fostaat)
Ribosomen en er (= endoplasmatisch reticulum)
- Informatie uit celkern in cytoplasma vertaald
- Ribosomen informatie uit celkern vertalen in eiwitten
- Ribosomen zijn zelf eiwitten in celkern informatie opgeslagen om ribosomen te
maken
- In cytoplasma ribosomen als losse bolletjes (soms in klontjes bij elkaar), ook
gebonden aan systeem van membranen endoplasmatisch reticulum (ER)
- Membranensysteem verbinding met andere celorganellen & zorgt voor transport
van stoffen binnen de cel
- Ruw-ER veel ribosomen
- Glad-ER weinig ribosomen, huisvest veel enzymen
Golgi-systeem en de lysosomen
- Golgi-apparaat:
Organel bestaande uit op elkaar gestapelde membranen door afsnoering
blaasjes ontstaan
Stoffen (afkomstig van endoplasmatisch reticulum) bewerkt & opgeslagen
Soort fabriek waar allerlei stoffen worden aangevoerd om na bewerking weer
afgevoerd te worden
Voor bewerkingen veel verschillende enzymen aanwezig
- Transport van stoffen (exocytose) blaasje
- Lysosomen
Blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken
Versmelten met voedselvacuolen/ inhoud buiten cel afgeven via proces dat
exocytose/opruimers heet
- Cytoskelet
Een cel niet alleen vorm door celmembraan & cytoplasma
krijgt vorm & bewegelijkheid door eiwitdraden (zitten vast aan celmembraan
& celorganellen)
Eiwitstructuur cyto/celskelet
Eiwitdraden van celskelet sommige cellen heel lang bv. Zenuwcellen
- Vacuole
Door een membraan omgeven, ruimte in cel waarbinnen vocht ligt opgeslagen
met allerlei opgeloste stoffen zoals reserve, kleur, afvalstoffen
Met vocht gevuld blaasje, omgeven door vacuolemembraan & bevindt zich in
cytoplasma van cel
Dierlijke cellen geen/weinig vacuolen (alleen enkele eencellige diertjes bv.
Pantoffeldiertje)
Plantaardige cellen meerdere kleine vacuolen water opnemen &
verenigen tot 1 grote vacuole
1.2. Functie van de cellen
- Ons lichaam veel verschillende typen cellen
- Al die cellen manier om handhaven & aan energie komen
vernieuwen zichzelf & contact met buitenwereld
- Functie cel uiterlijk
- Bv. Uitstulping cel zwemmen
- Bv. Uitsteeksel functie: opname stoffen
2. Celmembraan
- Vormt grens tss. Cytoplasma (binnenkant cel) & buitenwereld
, - Voortdurend uitwisseling van stoffen tss. Grondplasma & omgeving
- Membraan houdt stoffen tegen
- Cellen in contacten met andere cellen
- Veel eiwitten rol bij onderscheid tss. lichaamseigen & lichaamsvreemd
- Cellen kunnen op elkaar reageren bv. Afweerreactie op gang
- Reactie tot gemeenschappelijk doel bv. Samentrekken spiercellen rond de darm
2.1 Dubbele fosfolipidenlaag
- Alle membranen in cel, ook celmembraan dubbele laag fosfolipiden
- In celmembraan eiwitten & cholesterol
- Fosfolipiden glycerolmolecuul met daaraan 2 vetzuren, fosfaatgroep, aminozuur
(choline)
- Choline & fosfaat hydrofiel water aantrekken & afstoten
- Vetzuren hydrofoob water afstoten & vet aantrekken
- Selectief doorlaatbaar semi-permeabel
- Eiwitten transport stoffen (poriën) receptoren
- Kenmerken voor cel
2.2 Membraaneiwitten
- Plasmamembraan verschillende soorten eiwitten
- Sommige eiwitten helemaal door dubbele fosfolipidenlaag
- Andere eiwitten gedeeltelijk/losjes aan binnen-/buitenkant verbonden
- Eiwitten verschillende functies
Herkenningseiwitten
Soort identiteitskaart
Duidelijk maken of cel lichaamseigen & gezond/vreemd & afwijkend
Belangrijk voor afweersysteem
Receptoreneiwitten
Als ontvangers
Herkennen & binden specifieke stoffen van buiten cel bv hormonen
Daardoor verandert werking cel
Kanaaleiwitten
Vormen kleine openingen (kanalen) water, kleine ionen & andere
opgeloste stoffen snel door membraan kunnen bewegen
Passief transport stoffen volgen concentratie-/spanningsgradiënt
Dragereiwitten
Binden zich aan bepaalde stof & vervoeren stap per stap door membraan
Energie (ATP) nodig stoffen tegen gradiënt in verplaatst
Bv: Natriumionen naar buiten & kaliumionen naar binnen
Bv: glucosetransporters (GLUT) glucose in de cel
- Wanneer gebruikt cel kanalen/dragers voor ionen:
Kleine ionen die snel & passief door membraan moeten kanaaleiwitten
(tunnels)
Ionen tegen hun gradiënt in verplaats t worden/energie kosten dragereiwitten
(draaideuren/pompen)
Grotere moleculen (glucose/aminozuren) dragereiwitten
2.3 Transportfunctie van het celmembraan
- Doorlaatbaarheid/ permeabiliteit plasmamembraan eigenschap die bepaalt welke
stoffen in/uit cytoplasma gaan
- Niets door membraan heen impermeabel
- Alle stoffen de membraan zonder problemen passeren permeabel
, - Celmembranen selectief permeabel (semi-permeabel) sommige stoffen vrij
passeren & andere stoffen tegengehouden
- Stof al dan niet door plasmamembraan heen omvang, elektrische lading, vorm
molecuul, oplosbaarheid van stof in vet/combinatie deze factoren
- Verplaatsing van stof door membraan passief/actief
- Passieve processen ionen & moleculen door plasmamembraan getransporteerd
zonder dat dit de cel energie kost
- Actief transport kost de cel energie & in vorm ATP
2.3.1 Passief transport:
- Disfussie:
Ionen & moleculen voortdurend in beweging
Botsen tegen elkaar & obstakels die ze tegenkomen
Netto verplaatsing van moleculen van een plaats met relatief hoge concentratie
(veel botsingen) naar gebied met relatief lage concentratie (minder botsingen)
Verschil tussen hoge & lage concentratie concentratieverschil
Verplaatsing met concentratieverschil mee (bergafwaarts)
Gevolg diffusieproces moleculen gelijkmatige verdeeld &
concentratieverschil opgeheven
- Osmose – hypertoon, hypotoon, isotoon
Osmose difussie van water door semipermeabel membraan
Water beweegt van lage naar hoge concentratie opgeloste deeltjes
Intra & extracellulaire vloeistoffen oplossingen met verschillende opgeloste
stoffen
Hoe hoger de concentratie opgeloste stoffen, hoe lager de waterconcentratie
Water stroomt altijd naar de zijde met hoogste concentratie opgeloste deeltjes.
De waterverplaatsing stopt concentratie opgeloste stoffen aan beide kanten
gelijk is
Een semipermeabel membraan laat water door geen opgeloste deeltjes
Osmose water naar de oplossing met laagste waterconcentratie (hoogste
deeltjesconcentratie)
Afhankelijk concentratie opgeloste stoffen in omgeving t.o.v. cel 3 situaties
Isotoon
Concentratie opgelaste stoffen = binnen & buiten cel
Evenveel water in & uit cel
Cel behoudt normale vorm
Hypotoon
Omgeving buiten cel minder opgeloste stoffen dan celinhoud
Water stroomt cel in
Cel zwelt op & zelfs barsten
Hypertoon
Omgeving buiten cel meer opgeloste stoffen dan celinhoud
Water stroomt cel uit
Cel krimpt & verschrompelt
2.3.2 Actief transport:
- Actief transport transport waar energie voor nodig is
- Stoffen die te groot zijn door membraan diffunderen
- Stoffen van lage naar hoge concentratie vervoerd (tegen concentratiegradiënt in)
- Stoffen tegen ladingsverschil in bewegen cel daar energie in investeren
- Veel actief transport speciale eiwitten in membraan bv. Na/K pomp
- Energierijke verbinding in ATP energie
27/11/2025
DEEL 1: CELLEER
1. Bouw en functie van de cel
- Alle organismen cellen
- Ondanks onderlinge verschillen duidelijke overeenkomsten tss. cellen van meeste
organismen
- Alle cellen begrenzing/celmembraan & geleiachtige inhoud
- Geleiachtige inhoud nucleïnezuren (stoffen die belangrijke rol vervullen bij bepalen
wat cel kan & doet) DNA (Desoxyribonucleïnezuur)
1.1. Bouw
- Eencellige organismen bv bacteriën
- Meercellig organisme
- Cellen met = vorm & functie weefsel
- Meeste organismen organen voor uitvoeren van speciale taken
- Elk orgaan verschillende soorten weefsels
- Ingewikkeld gebouwde organismen organen verbonden tot organenstelsel met
eigen taak bv maagdarmstelsel, zenuwstelsel, hormoonstelsel
- Binnen een cel organisatieniveaus onderscheiden
- Meeste cellen organellen
- Moleculen meerdere atomen
1.1.1. Celschema
- Cellen algemeen bouwplan & verschillen
- Elke cel eigen functie & zo goed mogelijk aangepast
- Cellen cytoplasma omgeven door celmembraan
- Cytoplasma grondplasma & organellen
- Grondplasma geleiachtige vloeistof & groot aantal eiwitten, vetten, suikers,
mineralen
1.1.2. Celorganellen en hun functie
- Celorganellen onderdelen cel
- Celkern = nucleus:
- Alle eurkaryote cellen celkern (onderscheiden van prokaryote cellen)
- Celkern chromosomen (steeds gekopieerd & aan dochtercellen doorgegeven)
verantwoordelijk voor erfelijke eigenschappen van organisme
- Elk chromosoom complex van DNA en eiwitten
- Cel niet deelt lange dunne draden, chromatine (met microscoop alleen met
speciale technieken zichtbaar)
- Celdeling draden rollen op tot staafjes
- Binnen kern structuur, nucleolus (kernlichaam) aanmaak ribosomen
- Rond kernplasma kernmembraan (dubbelmembraan)
- Kernmembraam gaatjes, kernporieën
- Poriën grote moleculen kunnen celkern in & uit
Mitochondriën
- In eukaryote cellen energie uit voedsel omgezet in ATP (adenosinetrifosfaat)
- ATP fungeert in cel als opgeladen accu
- ATP-moleculen mitochondriën kerncentrale van de cel
- Mitochondriën dubbelmembraam, grondplasma, DNA, veel enzymen energie uit
voedsel omzetten in ATP
, - Mitochondrium grondstoffen voor ATP zijn ADP (adenosinedifostaat) & P
(fostaat)
Ribosomen en er (= endoplasmatisch reticulum)
- Informatie uit celkern in cytoplasma vertaald
- Ribosomen informatie uit celkern vertalen in eiwitten
- Ribosomen zijn zelf eiwitten in celkern informatie opgeslagen om ribosomen te
maken
- In cytoplasma ribosomen als losse bolletjes (soms in klontjes bij elkaar), ook
gebonden aan systeem van membranen endoplasmatisch reticulum (ER)
- Membranensysteem verbinding met andere celorganellen & zorgt voor transport
van stoffen binnen de cel
- Ruw-ER veel ribosomen
- Glad-ER weinig ribosomen, huisvest veel enzymen
Golgi-systeem en de lysosomen
- Golgi-apparaat:
Organel bestaande uit op elkaar gestapelde membranen door afsnoering
blaasjes ontstaan
Stoffen (afkomstig van endoplasmatisch reticulum) bewerkt & opgeslagen
Soort fabriek waar allerlei stoffen worden aangevoerd om na bewerking weer
afgevoerd te worden
Voor bewerkingen veel verschillende enzymen aanwezig
- Transport van stoffen (exocytose) blaasje
- Lysosomen
Blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken
Versmelten met voedselvacuolen/ inhoud buiten cel afgeven via proces dat
exocytose/opruimers heet
- Cytoskelet
Een cel niet alleen vorm door celmembraan & cytoplasma
krijgt vorm & bewegelijkheid door eiwitdraden (zitten vast aan celmembraan
& celorganellen)
Eiwitstructuur cyto/celskelet
Eiwitdraden van celskelet sommige cellen heel lang bv. Zenuwcellen
- Vacuole
Door een membraan omgeven, ruimte in cel waarbinnen vocht ligt opgeslagen
met allerlei opgeloste stoffen zoals reserve, kleur, afvalstoffen
Met vocht gevuld blaasje, omgeven door vacuolemembraan & bevindt zich in
cytoplasma van cel
Dierlijke cellen geen/weinig vacuolen (alleen enkele eencellige diertjes bv.
Pantoffeldiertje)
Plantaardige cellen meerdere kleine vacuolen water opnemen &
verenigen tot 1 grote vacuole
1.2. Functie van de cellen
- Ons lichaam veel verschillende typen cellen
- Al die cellen manier om handhaven & aan energie komen
vernieuwen zichzelf & contact met buitenwereld
- Functie cel uiterlijk
- Bv. Uitstulping cel zwemmen
- Bv. Uitsteeksel functie: opname stoffen
2. Celmembraan
- Vormt grens tss. Cytoplasma (binnenkant cel) & buitenwereld
, - Voortdurend uitwisseling van stoffen tss. Grondplasma & omgeving
- Membraan houdt stoffen tegen
- Cellen in contacten met andere cellen
- Veel eiwitten rol bij onderscheid tss. lichaamseigen & lichaamsvreemd
- Cellen kunnen op elkaar reageren bv. Afweerreactie op gang
- Reactie tot gemeenschappelijk doel bv. Samentrekken spiercellen rond de darm
2.1 Dubbele fosfolipidenlaag
- Alle membranen in cel, ook celmembraan dubbele laag fosfolipiden
- In celmembraan eiwitten & cholesterol
- Fosfolipiden glycerolmolecuul met daaraan 2 vetzuren, fosfaatgroep, aminozuur
(choline)
- Choline & fosfaat hydrofiel water aantrekken & afstoten
- Vetzuren hydrofoob water afstoten & vet aantrekken
- Selectief doorlaatbaar semi-permeabel
- Eiwitten transport stoffen (poriën) receptoren
- Kenmerken voor cel
2.2 Membraaneiwitten
- Plasmamembraan verschillende soorten eiwitten
- Sommige eiwitten helemaal door dubbele fosfolipidenlaag
- Andere eiwitten gedeeltelijk/losjes aan binnen-/buitenkant verbonden
- Eiwitten verschillende functies
Herkenningseiwitten
Soort identiteitskaart
Duidelijk maken of cel lichaamseigen & gezond/vreemd & afwijkend
Belangrijk voor afweersysteem
Receptoreneiwitten
Als ontvangers
Herkennen & binden specifieke stoffen van buiten cel bv hormonen
Daardoor verandert werking cel
Kanaaleiwitten
Vormen kleine openingen (kanalen) water, kleine ionen & andere
opgeloste stoffen snel door membraan kunnen bewegen
Passief transport stoffen volgen concentratie-/spanningsgradiënt
Dragereiwitten
Binden zich aan bepaalde stof & vervoeren stap per stap door membraan
Energie (ATP) nodig stoffen tegen gradiënt in verplaatst
Bv: Natriumionen naar buiten & kaliumionen naar binnen
Bv: glucosetransporters (GLUT) glucose in de cel
- Wanneer gebruikt cel kanalen/dragers voor ionen:
Kleine ionen die snel & passief door membraan moeten kanaaleiwitten
(tunnels)
Ionen tegen hun gradiënt in verplaats t worden/energie kosten dragereiwitten
(draaideuren/pompen)
Grotere moleculen (glucose/aminozuren) dragereiwitten
2.3 Transportfunctie van het celmembraan
- Doorlaatbaarheid/ permeabiliteit plasmamembraan eigenschap die bepaalt welke
stoffen in/uit cytoplasma gaan
- Niets door membraan heen impermeabel
- Alle stoffen de membraan zonder problemen passeren permeabel
, - Celmembranen selectief permeabel (semi-permeabel) sommige stoffen vrij
passeren & andere stoffen tegengehouden
- Stof al dan niet door plasmamembraan heen omvang, elektrische lading, vorm
molecuul, oplosbaarheid van stof in vet/combinatie deze factoren
- Verplaatsing van stof door membraan passief/actief
- Passieve processen ionen & moleculen door plasmamembraan getransporteerd
zonder dat dit de cel energie kost
- Actief transport kost de cel energie & in vorm ATP
2.3.1 Passief transport:
- Disfussie:
Ionen & moleculen voortdurend in beweging
Botsen tegen elkaar & obstakels die ze tegenkomen
Netto verplaatsing van moleculen van een plaats met relatief hoge concentratie
(veel botsingen) naar gebied met relatief lage concentratie (minder botsingen)
Verschil tussen hoge & lage concentratie concentratieverschil
Verplaatsing met concentratieverschil mee (bergafwaarts)
Gevolg diffusieproces moleculen gelijkmatige verdeeld &
concentratieverschil opgeheven
- Osmose – hypertoon, hypotoon, isotoon
Osmose difussie van water door semipermeabel membraan
Water beweegt van lage naar hoge concentratie opgeloste deeltjes
Intra & extracellulaire vloeistoffen oplossingen met verschillende opgeloste
stoffen
Hoe hoger de concentratie opgeloste stoffen, hoe lager de waterconcentratie
Water stroomt altijd naar de zijde met hoogste concentratie opgeloste deeltjes.
De waterverplaatsing stopt concentratie opgeloste stoffen aan beide kanten
gelijk is
Een semipermeabel membraan laat water door geen opgeloste deeltjes
Osmose water naar de oplossing met laagste waterconcentratie (hoogste
deeltjesconcentratie)
Afhankelijk concentratie opgeloste stoffen in omgeving t.o.v. cel 3 situaties
Isotoon
Concentratie opgelaste stoffen = binnen & buiten cel
Evenveel water in & uit cel
Cel behoudt normale vorm
Hypotoon
Omgeving buiten cel minder opgeloste stoffen dan celinhoud
Water stroomt cel in
Cel zwelt op & zelfs barsten
Hypertoon
Omgeving buiten cel meer opgeloste stoffen dan celinhoud
Water stroomt cel uit
Cel krimpt & verschrompelt
2.3.2 Actief transport:
- Actief transport transport waar energie voor nodig is
- Stoffen die te groot zijn door membraan diffunderen
- Stoffen van lage naar hoge concentratie vervoerd (tegen concentratiegradiënt in)
- Stoffen tegen ladingsverschil in bewegen cel daar energie in investeren
- Veel actief transport speciale eiwitten in membraan bv. Na/K pomp
- Energierijke verbinding in ATP energie