Hoofdstuk 1: Wat is economie?
Economie:
Economische wetenschap/ economics (kritisch verzamelen)
Economische werkelijkheid/ economy: (feiten, gebeurtenissen)
Economie:
Het streven naar behoeftebevrediging voor zo ver die afhankelijk is van het omgaan met
schaarse middelen (m.a.w het streven van mensen naar welvaart).
Economisch probleem:
Adam Smith: - Grondlegger van het klassieke liberale economisch denken
- Moraalfilosoof
- Arbeidsdeling speldenfabriek: met 1 iemand kan je 20 spelden
maken, maar met 10 kan je er 40000 maken en dat komt doordat je
da arbeid kan verdelen: vermeerderen van arbeidsproductiviteit
Kern economisch probleem:
Schaarste: - Verplicht tot kiezen
- Spanningsveld die ontstaat tussen behoeften en om middelen om
die te bevredigen
Economische goederen/ diensten 2 kenmerken:
1) Nuttig: - Voldoet aan de behoefte
2) Schaars: - Offer voor gebracht worden
- Tijd en productiefactoren voor opgeofferd worden
Economische goederen:
Schaarse middelen waarmee (on)rechtstreekse behoeften bevredigd kunnen worden:
1) Goederen: producten, materiële zaken (fiets)
2) Diensten: immatriële prestaties: (consulatie bij geneesheer)
,Soorten goederen:
1) Consumptie (geen verdere productie) - en kapitaalgoederen (voortgebrachte
productiemiddelen + dragen onrechtstreeks bij in behoeftebevrediging bv: robotten
in autofabriek)
2) Duurzame (meer dan 1 keer gebruikt: auto) en niet-duurzame (1 keer gebruiken:
sigaretten)
3) Finale (afgewerkte) – en intermediaire goederen (tussenstadia: grondstoffen)
4) Individuele (voedsel, fiets,…) – en collectieve goederen (door overheid aangeboden:
belastingen)
Productiefactoren:
1) Natuur
2) Arbeid: elke menselijke activiteit in het proces
3) Kapitaal: door mens voortgebrachte producten
Kaders van de analyse van het keuzegedrag:
1) Homo economicus:
- Kiest rationeel, berekend en afgewogen
- Kiest doelmatig (efficiënt) en doeltreffend (effectief)
Beperkingen Homo economicus:
Vaak emotioneel/ instinctief
Myopisch keuzegedrag: buik vullen met chips zodat het hoofdgerecht niet smaakt
Hyperopisch keuzegedrag: toekomstgericht (alle ontspanningen uitstellen tot je
pensioen: nashevenwicht)
Oplossingen:
Rationaliteit extern opgelegd: geboden, verboden en regels
Zelfcorrectie: eigen vuistregels bv: tournée minérale
Keuzebedrag bestudeert via:
Micro niveau: niveau van bedrijven/ gezinnen en markten
Macro niveau: niveau van regio’s en landen
Soms meso niveau: niveau van sectoren
,Positieve en normatieve economie:
1) Positieve: beschrijft wat is ( hoe iets werkt)
2) Normatieve: wat zou moeten zijn of niet zou mogen zijn of beter zou moeten zijn
Hfdst 2: economische stelsels:
Economische stelsels:
1) Zelfvoorziening: gezinnen zorgden zelf voor hun behoeften
2) Maatschappelijke arbeidsverdeling:
Goederen diensten die geproduceerd zijn om voor de behoeftebevrediging
van anderen.
Productie van bepaald goed
Er vindt specialisatie plaats
Centraal geleide planeconomie
Gemengde economie
Vrije markteconomie
Gevolgen arbeidsverdeling en specialisatie:
1) Splitsing in productie- en consumptie huishoudingen
2) Productiehuishoudingen produceren meer dan enkel voor zichzelf
3) Ontstaan van ruil
4) Ontstaan van geld
5) Internationale arbeidsverdeling
6) Arbeidsdeling
7) Snellere technologische vooruitgang
8) Daardoor hogere welvaart
9) Nood aan coördinatiemechanismen:
Belangrijkste criteria om het verschil tussen een vrije markteconomie en een centraal
geleide economie aan te geven
, Vrije markteconomie:
Adam Smith
Liberaal principe
Individuele vrijheid
Onzichtbare hand
Gedecentraliseerd
Eigenbelang
Prijzen en productie ontstaan via vraag en aanbod op de markt
Veel vragers en aanbieders
Homogene goederen
Verwaarloost collectieve behoeften
Verwaarloost externe effecten
Inkomensverdeling ongelijk
Geen stabiele economische ontwikkeling
Veel werkloosheid
Dingen meer maken om te kunnen ruilen met anderen
Concurrent = essentieel
Vraag kleiner dan aanbod, prijs daalt
Vraag groter dan aanbod, prijs stijgt
Planeconomie:
Karl Marx en Vladimir Lenin
Communistisch principe
Collectiviteit primeert: iedereen schikt zich naar het eigen belang
Zichtbare hand
Gekruiste hamer en sikkel
Gecentraliseerd
Prijzen en productie zijn het resultaat van een plan
Uitgebreid bestuursapparaat
Onvrijheid
Ondoelmatig
Inkomensverdeling zeer gelijk
Stabiele economische ontwikkeling
Economie:
Economische wetenschap/ economics (kritisch verzamelen)
Economische werkelijkheid/ economy: (feiten, gebeurtenissen)
Economie:
Het streven naar behoeftebevrediging voor zo ver die afhankelijk is van het omgaan met
schaarse middelen (m.a.w het streven van mensen naar welvaart).
Economisch probleem:
Adam Smith: - Grondlegger van het klassieke liberale economisch denken
- Moraalfilosoof
- Arbeidsdeling speldenfabriek: met 1 iemand kan je 20 spelden
maken, maar met 10 kan je er 40000 maken en dat komt doordat je
da arbeid kan verdelen: vermeerderen van arbeidsproductiviteit
Kern economisch probleem:
Schaarste: - Verplicht tot kiezen
- Spanningsveld die ontstaat tussen behoeften en om middelen om
die te bevredigen
Economische goederen/ diensten 2 kenmerken:
1) Nuttig: - Voldoet aan de behoefte
2) Schaars: - Offer voor gebracht worden
- Tijd en productiefactoren voor opgeofferd worden
Economische goederen:
Schaarse middelen waarmee (on)rechtstreekse behoeften bevredigd kunnen worden:
1) Goederen: producten, materiële zaken (fiets)
2) Diensten: immatriële prestaties: (consulatie bij geneesheer)
,Soorten goederen:
1) Consumptie (geen verdere productie) - en kapitaalgoederen (voortgebrachte
productiemiddelen + dragen onrechtstreeks bij in behoeftebevrediging bv: robotten
in autofabriek)
2) Duurzame (meer dan 1 keer gebruikt: auto) en niet-duurzame (1 keer gebruiken:
sigaretten)
3) Finale (afgewerkte) – en intermediaire goederen (tussenstadia: grondstoffen)
4) Individuele (voedsel, fiets,…) – en collectieve goederen (door overheid aangeboden:
belastingen)
Productiefactoren:
1) Natuur
2) Arbeid: elke menselijke activiteit in het proces
3) Kapitaal: door mens voortgebrachte producten
Kaders van de analyse van het keuzegedrag:
1) Homo economicus:
- Kiest rationeel, berekend en afgewogen
- Kiest doelmatig (efficiënt) en doeltreffend (effectief)
Beperkingen Homo economicus:
Vaak emotioneel/ instinctief
Myopisch keuzegedrag: buik vullen met chips zodat het hoofdgerecht niet smaakt
Hyperopisch keuzegedrag: toekomstgericht (alle ontspanningen uitstellen tot je
pensioen: nashevenwicht)
Oplossingen:
Rationaliteit extern opgelegd: geboden, verboden en regels
Zelfcorrectie: eigen vuistregels bv: tournée minérale
Keuzebedrag bestudeert via:
Micro niveau: niveau van bedrijven/ gezinnen en markten
Macro niveau: niveau van regio’s en landen
Soms meso niveau: niveau van sectoren
,Positieve en normatieve economie:
1) Positieve: beschrijft wat is ( hoe iets werkt)
2) Normatieve: wat zou moeten zijn of niet zou mogen zijn of beter zou moeten zijn
Hfdst 2: economische stelsels:
Economische stelsels:
1) Zelfvoorziening: gezinnen zorgden zelf voor hun behoeften
2) Maatschappelijke arbeidsverdeling:
Goederen diensten die geproduceerd zijn om voor de behoeftebevrediging
van anderen.
Productie van bepaald goed
Er vindt specialisatie plaats
Centraal geleide planeconomie
Gemengde economie
Vrije markteconomie
Gevolgen arbeidsverdeling en specialisatie:
1) Splitsing in productie- en consumptie huishoudingen
2) Productiehuishoudingen produceren meer dan enkel voor zichzelf
3) Ontstaan van ruil
4) Ontstaan van geld
5) Internationale arbeidsverdeling
6) Arbeidsdeling
7) Snellere technologische vooruitgang
8) Daardoor hogere welvaart
9) Nood aan coördinatiemechanismen:
Belangrijkste criteria om het verschil tussen een vrije markteconomie en een centraal
geleide economie aan te geven
, Vrije markteconomie:
Adam Smith
Liberaal principe
Individuele vrijheid
Onzichtbare hand
Gedecentraliseerd
Eigenbelang
Prijzen en productie ontstaan via vraag en aanbod op de markt
Veel vragers en aanbieders
Homogene goederen
Verwaarloost collectieve behoeften
Verwaarloost externe effecten
Inkomensverdeling ongelijk
Geen stabiele economische ontwikkeling
Veel werkloosheid
Dingen meer maken om te kunnen ruilen met anderen
Concurrent = essentieel
Vraag kleiner dan aanbod, prijs daalt
Vraag groter dan aanbod, prijs stijgt
Planeconomie:
Karl Marx en Vladimir Lenin
Communistisch principe
Collectiviteit primeert: iedereen schikt zich naar het eigen belang
Zichtbare hand
Gekruiste hamer en sikkel
Gecentraliseerd
Prijzen en productie zijn het resultaat van een plan
Uitgebreid bestuursapparaat
Onvrijheid
Ondoelmatig
Inkomensverdeling zeer gelijk
Stabiele economische ontwikkeling