Hoofdstuk 1: noodzaak van classificatie
groep 1: ijsbeer, bosmuis, neushoornkever (dieren)
gemeenschappelijke kenmerken: poten, ogen
groep 2: vliegenzwam, schimmel (zwammen)
gemeenschappelijke kenmerken: leven van dood organisch materiaal, voortplanting met
sporen
groep 3: amoebe, pantoffeldiertje (eencelligen)
gemeenschappelijke kenmerken: bestaan uit één cel
groep 4: parapluutjesmos, eik, brandnetel (planten)
gemeenschappelijke kenmerken: groene bladeren
Het ordenen van gegevens noem je classificatie.
Door zaken te classificeren, vind je ze gemakkelijker terug.
Je moet bij het classificeren zorgen dat je algemeen aanvaarde criteria gebruikt.
Bij de classificatie van gegevens worden vaak gemeenschappelijke kenmerken of
alfabetisch/numerieke volgorde gebruikt.
Een criterium is een kenmerk dat gebruikt wordt om gegevens te classificeren.
Hoofdstuk 2: classificatie van organismen
2.1 Indeling van organismen in groepen
eukaryoten:
● dieren
● planten
● schimmels
● eencelligen
prokaryoten (zonder celkern):
bacteriën:
● streptokokken
● bacillen
● spirillen
● stafylokokken
● blauwwieren
, oerbacteriën
domein → rijk → stam → klasse → orde → familie → geslacht → soort
toenemend aantal gemeenschappelijke kenmerken = toenemend verwantschap
Criterium 1: celkern
Wordt het erfelijk materiaal (DNA) omgeven door een kernmembraan, dan is er een celkern.
Bij erfelijk materiaal zonder kernmembraan is er geen celkern maar een kernzone.
Criterium 2: eencellig - meercellig
Criterium 3: autotroof - heterotroof
Een autotroof organisme kan zijn voedingsstoffen zelf opbouwen, bv. door fotosynthese.
Een heterotroof organisme haalt zijn voedingsstoffen uit andere organismen.
Criterium 4: celwand
Een celwand is een stevig laagje dat om de cellen van sommige organismen zit. Het geeft
steun aan de cel en beschermt de cel tegen indringers.
Hoofdstuk 3: Verdere indeling van het dierenrijk
Om dieren te classificeren maken we gebruik van 6 classificatiecriteria:
Criterium 1: Lichaamssymmetrie
Een lichaamssymmetrie verkrijg je wanneer je een denkbeeldige lijn tekent op een dier en je
twee spiegelende helften kan waarnemen. Hierdoor kunnen we verschillende indelingen
opstellen bij lichaamssymmetrie.
● Niet-symmetrisch
groep 1: ijsbeer, bosmuis, neushoornkever (dieren)
gemeenschappelijke kenmerken: poten, ogen
groep 2: vliegenzwam, schimmel (zwammen)
gemeenschappelijke kenmerken: leven van dood organisch materiaal, voortplanting met
sporen
groep 3: amoebe, pantoffeldiertje (eencelligen)
gemeenschappelijke kenmerken: bestaan uit één cel
groep 4: parapluutjesmos, eik, brandnetel (planten)
gemeenschappelijke kenmerken: groene bladeren
Het ordenen van gegevens noem je classificatie.
Door zaken te classificeren, vind je ze gemakkelijker terug.
Je moet bij het classificeren zorgen dat je algemeen aanvaarde criteria gebruikt.
Bij de classificatie van gegevens worden vaak gemeenschappelijke kenmerken of
alfabetisch/numerieke volgorde gebruikt.
Een criterium is een kenmerk dat gebruikt wordt om gegevens te classificeren.
Hoofdstuk 2: classificatie van organismen
2.1 Indeling van organismen in groepen
eukaryoten:
● dieren
● planten
● schimmels
● eencelligen
prokaryoten (zonder celkern):
bacteriën:
● streptokokken
● bacillen
● spirillen
● stafylokokken
● blauwwieren
, oerbacteriën
domein → rijk → stam → klasse → orde → familie → geslacht → soort
toenemend aantal gemeenschappelijke kenmerken = toenemend verwantschap
Criterium 1: celkern
Wordt het erfelijk materiaal (DNA) omgeven door een kernmembraan, dan is er een celkern.
Bij erfelijk materiaal zonder kernmembraan is er geen celkern maar een kernzone.
Criterium 2: eencellig - meercellig
Criterium 3: autotroof - heterotroof
Een autotroof organisme kan zijn voedingsstoffen zelf opbouwen, bv. door fotosynthese.
Een heterotroof organisme haalt zijn voedingsstoffen uit andere organismen.
Criterium 4: celwand
Een celwand is een stevig laagje dat om de cellen van sommige organismen zit. Het geeft
steun aan de cel en beschermt de cel tegen indringers.
Hoofdstuk 3: Verdere indeling van het dierenrijk
Om dieren te classificeren maken we gebruik van 6 classificatiecriteria:
Criterium 1: Lichaamssymmetrie
Een lichaamssymmetrie verkrijg je wanneer je een denkbeeldige lijn tekent op een dier en je
twee spiegelende helften kan waarnemen. Hierdoor kunnen we verschillende indelingen
opstellen bij lichaamssymmetrie.
● Niet-symmetrisch