Parenterale ontwikkelingsfase
Prenatale fase = periode waarin bevruchte eicel uitgroeit tot een volledige baby. → wordt
onderverdeeld in 3 specifieke perioden.
De lichamelijke ontwikkeling:
De germinale periode (3 – 4 weken): Na bevruchting gaat eicel (zygote) zich herhaaldelijk
delen en nestelt deze zich in baarmoeder. In deze fase worden de placenta, de navelstreng en
de vruchtzak gevormd.
De embryonale periode (5 – 10 weken): zygote wordt nu embryo genoemd en krijgt
menselijke vorm. Organen en lichaamsdelen ontwikkelen zich in vaste volgorde: eerst het
hoofd, dan ogen, romp, ledematen (armen en benen) en tot slot geslachtsdelen.
Ongeboren kind is zeer vatbaar voor schadelijke invloeden van buitenaf (nurture).
Belangrijke risicofactoren zijn:
o Infecties bij de moeder: Zoals toxoplasmose (via rauw vlees of
kattenuitwerpselen), het cytomegalievirus (CMV), Rubella (Rode Hond) en
diabetes bij moeder, kunnen leiden tot hersenbeschadiging of blindheid.
o Levensstijl: Roken, alcohol en drugsgebruik kunnen leiden tot een lager
geboortegewicht.
o Stress: stresshormoon cortisol kan via de navelstreng de baby bereiken en de
groei beïnvloeden.
o Ongezonde voeding: wanneer mama tekort aan bepaalde vitamines heeft kan
ze niet voldoende doorgeven aan de ongeboren baby.
De foetale periode (11 – 40 weken): embryo wordt een foetus genoemd. Alle organen zijn
gevormd en hoeven enkel nog te groeien; ook ontstaan de eerste adem- en slikbewegingen.
Motorische ontwikkeling:
Hoewel bewegingen al in de embryonale fase beginnen, neemt de activiteit in de foetale
periode sterk toe. De ongeboren baby kan:
- Armen en benen buigen, handjes openen en sluiten, en zelfs duimzuigen.
- Rond de helft van de zwangerschap worden deze bewegingen voelbaar voor de moeder.
- Er ontwikkelen zich babyreflexen (zoals de zuig- en grijpreflex), maar dit is nog geen
doelbewust gedrag
.
Psychische ontwikkeling:
Er is geen sprake van bewust denken, maar wel van gewaarworden en reageren.
- Zintuigen: Vanaf zevende maand werken zintuigen even goed als bij een voldragen
baby.
- Licht en geluid: Foetus is gevoelig voor licht en reageert op externe geluiden. Ze
kunnen stemmen van ouders herkennen en laten dit merken door te bewegen.
- Kalmering: Muziek of stemmen die foetus in baarmoeder hoort, kunnen na geboorte
een kalmerend effect hebben.
,De baby (0-1,5jaar)
Lichamelijke ontwikkeling:
Asynchrone groei: In eerste halfjaar groeit baby explosief in gewicht en lengte, waarbij
verschillende lichaamsdelen in een verschillend tempo groeien.
- Tandjes: ze krijgen het in hun eerste levensjaar.
- Voeding: Tot 1 jaar is melk hoofdvoeding, tussen 4 en 6 maanden aangevuld met pap,
en vanaf 1 jaar eet de baby "mee aan tafel".
- Slaap: is basisbehoefte voor lichamelijke en cognitieve groei; baby's ontwikkelen
tussen 1 en 4 maanden een dag-nachtritme.
Motorische ontwikkeling:
Babyreflexen: Omdat de hersenen nog niet volgroeid zijn, reageert een baby met reflexen
zoals:
- Grijpreflex = Wanneer je je vinger in het handje van baby legt, zal hij deze krachtig
dichtknijpen. Gebalde vuistjes van baby zullen opengaan wanneer we over handrug
strijken.
- Zoekreflex = neiging om het hoofd te draaien in richting van de wang die aangeraakt
wordt.
- Zuigreflex = neiging om te zuigen aan dingen die de lippen raken.
- Babinski-reflex = tenen verspreiden zich als je de buitenkant van voeten aanraakt.
- Moro-reflex = bij plots steunverlies spreidt de baby de armen en brengt ze daarna
naar voren alsof hij zich wil vastklampen.
- Schrikreflex = bij plots geluid/beweging zal baby de armen en vingers spreiden en rug
overstrekken.
- Stapreflex = baby maakt stapbewegingen als je ze rechtop houdt en voeten de grond
raken.
→ verdwijnen na paar maanden of opgenomen in meer doelbewust gedrag.
De vijf motorische stadia:
1. Kijkstadium (0-3 maanden): De wereld verkennen door te kijken en te observeren.
2. Grijpstadium (3-6 maanden): Doelgericht grijpen; rond 1 jaar ontstaat de pincetgreep
(duim en vingers afzonderlijk gebruiken om voorwerpen vast te nemen).
3. Zitstadium (6-9 maanden): Zelfstandig leren zitten (buiklig, ruglig, kruiphouding).
4. Kruipstadium (9-12 maanden): Voortbewegen op handen en knieën. →
ontwikkelingsstappen zetten: leren hun hoofd en bovenlichaam te tillen, arm-, buik- en
rugspieren moeten voldoende stevig zijn en moeten hun evenwicht leren behouden.
5. Loopstadium (12-15 maanden): Eerste stapjes, meestal rond de eerste verjaardag.
Tekenontwikkeling: Rond 1 jaar begint het krabbelstadium; de baby tekent puur voor het
motorische plezier, zonder visueel doel.
- Belangrijk voor (latere) ontwikkeling van kinderen → leren lezen/schrijven, gevoelens
uiten,…
- Belang pincetgreep → potlood kunnen vasthouden.
Perceptuele ontwikkeling (Zintuigen):
Zien: Pasgeborenen zien wazig en enkel in zwart-wit; pas na 3 tot 4 maanden functioneert
het zicht (diepte, kleur, scherpte) zoals bij een volwassene.
, - Na een week kunnen ze objecten/personen zien op afstand van 25cm.
- Voorkeur voor bepaalde waarnemingen: menselijke gezichten (mama), bewegende
beelden, 3D-voorwerpen, voorwerpen met felle kleuren.
- Perceptuele constantie = baby’s kunnen wereld zien als gestructureerd en
samenhangend geheel en niet als één grote chaos van bewegende voorwerpen en
voorbijflitsende beelden.
- Visual Cliff: Dit experiment toont aan dat baby's die kunnen kruipen al
diepteperspectief hebben en weigeren over een 'visuele kloof' te gaan.
Horen: Baby's verkiezen vrouwenstemmen boven mannenstemmen en herkennen de stem
van hun moeder. Ruiken, proeven en voelen: Er is een sterke voorkeur voor zoete geuren
en vloeistoffen. Baby's zijn zeer gevoelig voor aanraking en ervaren pijn.
Seksuele ontwikkeling:
Is verschillend bij kinderen en volwassenen → pre genitaal niveau.
Belang huidcontact (aangeraakt worden) → aangenaam gevoel en manier van basisgevoel
van veiligheid.
Seksuele ontwikkeling volgens Freud: ‘kinderlijke seksualiteit’ = aantal fasen waarin
genot centraal staat en gericht op specifiek lichaamsdeel.
- De Orale Fase (0 – 1,5 jaar): Volgens Freud bevindt de baby zich in de orale fase,
waarbij de mond het voornaamste 'lustorgaan' is
Ontwikkelingsf Stadium/fase Centraal Kenmerken
ase/ lichaamsdeel
leeftijd
Baby Orale fase Mond Interesse in orale bevrediging d.m.v.
zuigen, eten, bijten, bewegen van de
lippen
Peuter Anale fase Anus Bevrediging door uitwerpselen op te
houden en los te laten (cfr.
Zindelijkheidstraining)
Kleuter Fallische fase Geslachtsdelen Interesse in de genitaliën, omgaan met
oedipus- of elektracomplex wat leidt tot
identificatie met ouder van hetzelfde
geslacht.
Lagereschoolkind Latentie fase Verstand Seksualiteit grotendeels (even) op de
achtergrond.
Adolescentie Genitale fase Geslachtscontact Opnieuw interesse in seksualiteit en
aangaan van volwassen seksuele
relaties.
Seksuele ontwikkeling van de baby:
- Vanaf 1j → auto-erotisch gedrag = stellen van bewust gedrag gericht op fijn gevoel
ervaren.
- Vanaf ongeveer 4 maanden ontdekken baby's hun eigen lichaam (vingers, tenen, soms
geslachtsdelen) per toeval en ervaren dit als plezierig, maar ze kunnen dit nog niet
bewust onthouden of herhalen
Sociaal-emotionele ontwikkeling:
Belang van contact met anderen om sociale en emotionele vaardigheden te leren.
Hechting = fundament van ontwikkeling:
, - Goede gehechtheid/band tussen ouders en kind is belangrijk
- Vormt basis voor gezonde emotionele, sociale, intellectuele, maar ook taal- en
motorische ontwikkeling
- Lang werd gedacht dat voeding cruciaal was in het vormen van moeder-kind relatie.
- Freud: hechting moeder-kind door bevrediging van orale behoefte (borstvoeding).
- Theorie gangbaar tot jaren 50, tot ontdekking dat niet voeding maar fysieke nabijheid
maakte dat hechting kon ontstaan én dat hechting noodzakelijk was voor overleving.
- Aapjes van Harlow → Link met reactie emotioneel verwaarloosde kinderen
- Anekdotes bij mensen → Onderzoek naar met welke taal kinderen geboren worden (13 e
eeuw)
“Still face experiment”
Gemene deler: hechting – fysieke nabijheid ontbrak
Hechtingsgedrag = aangeboren gedrag dat jong kind/dier stelt om nabijheid van volwassen
soortgenoot te verkrijgen/behouden → zorgt voor hechting.
- 5 soorten hechtingsgedrag: Huilen, Glimlachen, Zuigen, Volgen en Zich vastklampen.
Gehechtheidstheorie → John Bowlby:
- Hechting = biologisch gefundeerde nabijheidsbehoefte tussen moeder-kind. Deze
hechting staat in functie van overleven.
- Hechtingsgedrag komt vooral/sterker naar boven wanneer kinderen in “distress” zijn
(bv. bang, moe, ziek,…)
- “Distress” bv. angst > hechtingsgedrag > reductie van angst ALS er iemand komt
- “Distress” bv angst > hechtingsgedrag > er komt niemand > méér hechtingsgedrag >
… opgeven (zie still face experiment)
Bowlby’s basisidee (conclusie):
- Aangeboren aanleg tot hechting (instinctief)
- Via hechtingsgedrag richt kind zich tot verzorger/wie beschikbaar is.
- Nabijheid is belangrijk:
Om zich veilig te voelen
Bescherming & overleving
Stressreductie
- Op die manier ervaart kind dat er iemand beschikbaar is en leert die terug te vallen op
volwassenen
Gehechtheidstheorie → Konrad Lorenz:
- Basis voor Bowlby’s werk.
- Bestudeerde gedrag van dieren.
- Zag hechting als evolutionair principe: overleving
- “Imprinting”
- Bv. Ganzen die uit het ei komen, zien het eerst bewegend voorwerp als hun
“mama”/zorgfiguur (→ Opnieuw: belang van nabijheid)
Manier waarop en kwaliteit van hechting tussen ouder-kind is afhankelijk van de
responsiviteit van de ouder/verzorger. (hoe ouders reageren op de behoefte van het kind)
- Sensitieve responsiviteit: reageren op noden v.h. kind (niét vanuit eigen behoefte)
Bv: Kind draait hoofd weg bij fles → ouder stopt.
- Emotionele betrokkenheid: betrokken willen en kunnen zijn.
Bv: Ouder troost verdrietig kind op ooghoogte.