Inhoudsopgave
1. Inleiding.............................................................................................................................................................................. 2
2. Het geografisch kader: Griekenland en omgeving................................................................................................................. 2
2.1. Omgeving...................................................................................................................................................................................2
2.2. Griekse wereld...........................................................................................................................................................................3
2.3. De Macedonische kwestie..........................................................................................................................................................3
2.4. Macedonië en de graven van Vergina.......................................................................................................................................4
3. De oudste geschiedenis van Griekenland (oorsprong – 1100 v.C.)......................................................................................... 5
3.1. Prehistorie, protohistorie en historie........................................................................................................................................5
3.2. Sporen van Pre-Hellenen............................................................................................................................................................5
3.3. Minoische ‘paleis’ beschaving, hoogtepunt Prehellenen...........................................................................................................6
3.4. Komst van de Grieken................................................................................................................................................................7
3.5. De Myceense paleis beschaving, eerste hoogtepunt van de Griekse beschaving.....................................................................7
3.6. Lineair A en B op kleitabletten...................................................................................................................................................9
3.7. Troje en de Trojaanse oorlog.....................................................................................................................................................9
3.8. De Egeïsche in beroering – zeevolkeren...................................................................................................................................11
4. Het Archaïsch tijdsvak – Ontstaan polis en de weg naar democratie (1100 – 500 v.C.).........................................................11
4.1. De Dark Ages (1015 – 800 v.C.)................................................................................................................................................12
4.2. De Voorklassieke Periode (800 v.C. – 500 v.C.)........................................................................................................................12
4.3. Het ontstaan van de polis........................................................................................................................................................12
4.4. Het Orakel van Apollo en de amphyctionie van Delphi...........................................................................................................14
4.5. Uitvindingen en nieuwe sociale klasse.....................................................................................................................................15
4.6. Een aristocratische polis in beeld: Sparta................................................................................................................................16
4.7. Een democratische burgerstaat in beeld: Athene....................................................................................................................19
5. De geestelijke eenheid van het Griekse volk....................................................................................................................... 23
5.1. Taal..........................................................................................................................................................................................23
5.2. Panhelleense spelen.................................................................................................................................................................23
6. Het klassieke tijdvak – bloei en ondergang van de polis en de strijd om het leiderschap (500 – 336 v.C.).............................25
6.1. De Perzische oorlogen (499-479 v.C.).....................................................................................................................................25
6.2. Leiderschap van Athene (478 – 431 v.C.).................................................................................................................................27
6.3. De Peloponnesische Oorlog (431-404 v.C.)..............................................................................................................................29
6.4. Politieke onmacht in de Griekse wereld -> studeren adhv ppt................................................................................................30
6.5. Macedonië vult het machtsvacuum (381-338 v.C.).................................................................................................................31
7. Alexander en het Hellenistische tijdperk (336 – 30 v.c.)...................................................................................................... 31
7.1. Alexander de Grote (336 – 323 v.C.)........................................................................................................................................31
, 7.2. Van Alexander tot de Romeinen..............................................................................................................................................33
1. INLEIDING
GRIEKSE MYTHEN EN HET ONTSTAAN VAN DE WERELD
Mythologie = geheel van verhalen waarin een volk of volkerengroep vormgeeft aan zijn opvattingen over grote gebeurtenissen
i/d oertijd, godenwereld, ontstaan wereld…
Om de wereld te begrijpen & te beheersen (primitieve mens)
Rede, rationaliteit & wetenschap dat later belangrijker zal worden
Bevat meestal kern v waarheid
- Later: filosofie en wetenschap wordt belangrijker
- Grote filosofen waren vaak ook wiskundigen en geografen
2 supercontinenten: Laurasia en Grondwana
LAURASIA: terugkerende elementen van de mythologie
- Schepping van de wereld + scheiding hemel – aarde (tegenstelling tot Grondwana)
- Enkele generaties Goden
- Creatie mens door goden
- Hoogmoed mensen: straf (bv de appel van Adam & Eva)
- Nieuwe start
- Ondergang wereld (tegenstelling tot Grondwana)
Voorbeeld: de Griekse wereld
Chaos, Eros, Gaia → scheppen hemel, zee, andere goden, 5 mensenrassen:
- Gouden (mannen, dus stierf uit)
- Zilver (gedood door Zeus)
- Brons (gesticht door Zeus)
- Helden (halfgoden)
- Ijzeren: menselijk ras met hoogmoed
Prometheus ⇒ doos van Pandora:
Prometheus heeft wel het beste voor met de mens en rooft voor hen het vuur uit de hemel. Het komt de dief duur te staan. Zeus
is woedend en laat Prometheus als straf met onbreekbare ketenen vastbinden aan een rots. Iedere dag wordt zijn lever door
een adelaar uitgerukt, waarna het orgaan ’s nachts weer aangroeit om vervolgens weer weggerukt te kunnen worden.
Ook de mens wordt bestraft voor de diefstal van het vuur. Zeus geeft Hephaistos, de god van de smeedkunst, opdracht een mooi
maar gevaarlijk en nieuwsgierig nieuw schepsel te maken: de vrouw. Zeus stuurt deze vrouw, genaamd Pandora, met een doos
naar de mens en drukte haar op het hart nóóit in de doos te kijken, hoewel hij weet dat zij haar nieuwsgierigheid nooit zal weten
te bedwingen. Alle goden hebben onheilspellende gaven in de doos verborgen.
Op aarde wordt Pandora al snel opgenomen door de mannen die onder de indruk zijn van haar schoonheid. De nieuwsgierige
Pandora kan zich op een dag inderdaad niet meer inhouden en besluit de bijzondere doos te openen. Uit de doos vliegen alle
rampen die de mensheid sinds die tijd teisteren, zoals hongersnood, ziekte, aardbevingen en oorlog. Het onheil verspreidt zich
bliksemsnel onder de mensen, die tot die tijd vrij van problemen en ziekten hadden geleefd.
Geschrokken sluit Pandora de doos weer, maar alleen de hoop zit nog in de doos als deze weer gesloten wordt. Het is de enige
goede gave die in de doos verborgen was. Volgens een andere lezing moet ook de hoop beschouwd worden als een giftig
geschenk.
2. HET GEOGRAFISCH KADER: GRIEKENLAND EN OMGEVING
2.1. OMGEVING
Zuidelijkste uitloper Balkanschiereiland MZ
Ionische Zee – Cretische Zee – Egeïsche Zee
- Atheense koning Aegeus (zoon Theseus sprong in Egeïsche zee om de dood er te vinden)
Egeïsch = term gebruikt voor gebied waar Griekse cultuur het meest verspreid was: Griekenland, het W van Turkije + Egeïsch Zee
en eilanden
Klein Azië & Antatolië: huidige Turkije (met oosterse regio’s)
Noordgrens
- Van Acroceraunische bergen in westen tot Olympusberg in het oosten
- Ten noorden: Macedonië -> bleven verwantschap voelen met de Grieken, evenals de Illyriërs en oosten de Thraciërs
(werden beschouwd als barbaren)
Westen
- Vanaf 750 v.C. zal Zuid-Italië en Sicilië gekoloniseerd worden
EUROPA EN AZIË
Etymologie ⇒ Feniciërs:
2
, o Asu: zonsopgang → W-Turkije: Azië
o Eureb: zonsondergang → N-Gr: Europa
5e eeuw vC: 3 werelddelen: Europa, Asia, Libya
EUROPA IS EEN VROUW
Fenicische prinses ⇒ geschaakt door Zeus (stier) ⇒ Kreta: trouwt met koning ⇒ krijgt kind: Minos
= symbool voor overdracht cultuur van O naar W (bv. alfabet afkomst van Feniciërs)
2.2. GRIEKSE WERELD
Terminologie
- Archaeërs (oudste term) < Hellenen (Griekse stam Midden-Griekenland, Achaea Phthiotis)
- ‘Grieken’ is afgeleid van de naam Graii -> antieke stad Graia ten NO van Athene
Koloniseerden in de 8ste E v.C. gebied rond Napels (Neapolis) -> geraakten zo bekend onder de Latijnse naam
‘Graeci’
Onderscheid met de 2 andere mediterrane schiereilanden (Iberisch & Italisch) door verschillende karakteristieken
1. Bergachtig: talrijke ingesloten dalen
Nooit grote verbindingswegen
Vestiging centrale macht = onmogelijk -> vorming kleine politieke entiteiten (stadsstaten) rond een citadel
met huizen aan de voet
Moeilijk toegankelijk voor indringers
2. Bebossing: in Oudheid meer dan nu
Veelvuldig gebruik van hout -> ontbossingsproces in sommige gebieden verder
Athene voor noden van scheepsbouw afhankelijk van invoer Macedonisch hout
3. Rivieren = bergstromen ongelijk debiet
Minder regen in zomer dan in winter -> uitgedroogde rivieren -> verschroeit gras & geen veeteelt op grote
schaal mogelijk
Bronnen & putten = schaars -> bevolking op sommige punten concentreren
Rivieren die altijd water hadden -> bijna allemaal onbevaarbaar
4. Landbouwgrond: slechts 1/5 van de totale oppervlakte
Uitsluitend aangetroffen in de valleien
Weidegrond = schaars -> eerder kleinvee
Voedingsprobleem overbevolking = medeoorzaak van kolonisatie
5. Landstreken
Arcadië, Laconië, Attica…
Nog steeds in moderne benamingen: provincie Thessalia
6. Zee: overal makkelijk bereikbaar
Oostkust: diep ingesneden, veel haven(tjes) -> Saronische Golf
Ten tijde van Homerus: zee = verbindingsweg (‘vochtige wegen’)
Van iedere berg is er zee te zien en van op de Egeïsche zee is er altijd land te zien
Geen kompas/kaart nodig om te navigeren
Van Griekse kust -> kust Klein Azië = reeks overtochten met een veerpont
Grieks: zee ‘pontos’ < Latijnse ‘pons < Frans ‘pont’ = brug
Zee zorgde voor culturele eenheid in de Egeïsche wereld
7. Klimaat: is zacht
Mensen leven meestal buiten, weinig behoefte opgesmukte huizen
Volksvergaderingen & gerechtshoven blote hemel Athene
Gepassioneerde liefde voor zonlicht
Verkoeling -> stoa’s
8. Griekse landschap: wordt vandaag bewonderd
Antieke schrijvers: religieus getinte visie
Zagen overal goden: natuurelementen – godenwereld
Olympusberg = hoogste top v/d land = woonplaats goden
Acropolis = plaats waar Athena & Poseidon vechtten om bezit stad
2.3. DE MACEDONISCHE KWESTIE
Oude Macedonië: aparte staat, volledig gescheiden van oude Griekenland
Grens = Olympusberg
- Aan voet van de berg: Dion = ‘stad van Zeus’ = religieuze hoofdstad Macedonië
- Eigenlijke hoofdstad: Aegae tot 400 v.C., daarna Pella
3
, Gesticht door Perdiccas I in de 1ste helft v/d 7de E
Definitieve vorm onder Alexander I (voorouder Alex de Grote)
Huidige Macedonië
o Geografisch gebied op de Balkan
Z: moderne GR
NO: Bulgarije
NW: vroegere Joegoslavië
o Meest noordelijke provincie van moderne Griekenland (Thessaloniki: hoofdstad)
o Meest zuidelijke deel van vroegere Joegoslavië = zelfstandige republiek (Skopje: hoofdstad)
Deelpubliek Macedonië: vraagt in 1991 internationale erkenning ⇒ probleem met naam, GR verdachten het nieuwe Macedonia
ervan dat ze op termijn de provincie wouden veroveren
Grieken stellen naam FYROM voor: Former Yuguslav Republic of Macedonia
Argumenten Griekenland
1. Oude Macedonië grotendeels valt met huidige Griekse provincie Macedonia
Grootste deel valt samen met Grieks Macedonia en klein deel ligt in ZW Bulgarije
Meest zuidelijke deel van Skopje tot oude Macedonië
2. Graven familieleden Alex de Grote op Grieks grondgebied
3. Volgens (Griekse) specialisten: Oudmacedonisch = Dorisch dialect
Inwoners republiek Skopje: beweren dat oude Macedoniërs ≠ Grieken& Macedonisch ≠ Grieks dialect
Waarheid: tussenin
- Macedoniërs: Griekse stam Doriërs, maar leefden afgesloten van overige Grieken & ontwikkelden eigen cultuurgoed
- Taalverwantschap, maar onduidelijk of Grieks dialect of niet
Einde 5de E v.C.: interesse van Macedonische vosten naar Griekse cultuur & beschouwen zich als Grieken
- Opvoeding, taal, Olympische Spelen, …
4de E: vermengen zich soms zaken van de regio Thessalië
Philippus II: controle Griekenland
Uiteindelijk: Noord-Macedonië in 2018
2.4. MACEDONIË EN DE GRAVEN VAN VERGINA
ROL GRAVEN VAN VERGINA
Moderne Vergina: Aegea
336 v.C.: Philippus liet ten ere van huwelijk dochter Cleopatra spelen organiseren -> werd in theater vermoord (ex Olympus)
1977: M. Andronikos: ontdekking onder grafheuvel 3 monumentale graven
- Persephone, de prins, Philippus II
Graf I : rechthoekige ruimte met plak dak & zonder deur
Graven II & III: tongewelf, toegangsdeur, 2 kamers
Graf I, het graf van Persephone
- Prachtige wandschilderingen
- Volledig leefgeroofd, op een aantal beenderen na
- Graf Cleopatra? Laatste vrouw Philippus II & dochter Europe
- Probleem: lichamen niet gecremeerd, in tegenstelling tot wat de bronnen vertellen
Graf II, meest beroemde graf
- Marmeren sacrofaag met gouden kist/larnax met zestienpuntige Macedonische ster
- Beenderen in purperen doek
- Man van 40 à 50, vrouw van 20 à 30
- Bevatte een heroon: heldencultus Philippus II
Speer in dij -> verschillende beelplaten
Litteteken boven rechteroog -> was oog ook verloren
- Fresco van jachtscène
Leeuwenjacht niet ten tijde van PH II
- Eerder PH III, halfbroer Alex de Grote
Anticlimax, was zwakzinnig
Graf III, Alexander IV
- Zoon Alexander de Grote & Roxane
- Vergiftigd door generaal Cassander
Graf IV, Eurydice (moeder Philippus II)
Nieuwe graven onder de agora
- Herakles & zijn moeder Barsina (minnares Alexander)
4