DEFINITIE VAN HOUT
Hout is het materiaal dat eens onderdeel was van de levende boom. Er zijn twee groepen te onderscheiden:
Naaldhout
Loofhout
Vaak worden de benamingen hardhout en zachthout gebruikt. Dit is een oudere benaming die teruggaat tot de
negentiende eeuw. De ton gebruikte loofhoutsoorten waren hard en de toen gebruikte naaldhoutsoorten
waren zacht, voor het eenvoudige handgereedschap dat men in die tijd gebruikte.
TOEPASSINGEN VAN HOUT
Hout wordt gebruikt in dragen en niet-dragende toepassingen, zoals dakspanten, balklagen, houtskeletbouw,
massieve constructies, gevel-, muur- en vloerbekledingen, ramen en deuren.
Ook in de afwerking en het interieur komt vaak hout voor.
STRUCTUUR VAN HOUT
De structuur van hout is op verschillende niveaus te benaderen.
MACROSCOPISCHE STRUCTUUR
De dwarsdoorsnede van een boomstam vertoont dikwijls concentrische ringen, die ‘groeiringen’ worden
genoemd. Bij de meeste houtsoorten kunnen deze groeiringen gemakkelijk onderscheiden worden doordat in
eenzelfde ring het uitzicht van het vroeghout verschilt van dat van het laathout.
Het centrum (ook wel: hart) van de stam wordt ingenomen door het merg.
Rondom het merg bevindt zich eerst het kernhout en vervolgens het spinthout.
De functie van het kernhout blijft voornamelijk beperkt tot het vormen van een mechanisch en
biologisch weerstand biedend geraamte. Kernhout heeft een natuurlijke weerstand.
Het spinthoud heeft als functie het ruwe sap dat door de wortels uit de grond geput wordt, tot in de
balderen te vervoeren. Spinthoud is aantastbaar.
Het onderscheid kan dikwijls visueel gemaakt worden, aangezien er voor vele houtsoorten een duidelijk
kleurverschil bestaat: het spinthout is bleker van kleur dan het kernhout.
De buitenste laag van de stam bestaan uit het cambium. Het cambium vormt de teeltlaag, waarin de nieuwe
houtcellen gevormd worden. Deze laag verzekert dus de diktegroei van de boom.
De schil wordt gevormd door een levende laag, de bast, en door een dode laag de korst.