Inleiding tot de Medische Virologie
o Virus is zeer klein vb. pico(klein)RNA(met genoom)virus = verkoudheidsvirus (25 nm)
o Virussen enkel zichtbaar via elektronenmicroscopie (indien heel klein: X-stralen/MRI)
o Bacteriofagen: virussen die bacteriën aanvallen
o Cytopathogeen effect (CPE): effect dat een virus heeft op een cel
L van cyto(cel)megalo(groot)virus (HHV-5): virus zorgt
dat cellen vergroten, weefselkweek longfibroblasten,
spoelvormig tegen elkaar, virus zichtbaar in urine
L van respiratoir syncytium virus (RSV): rode kleurstof
in kern, infectie met RSV doet cellen versmelten à
syncytia (= multinucleaire cel, infecteert oa kinderen)
o We hebben bodem (agar) met cellen à we voegen vocht uit
een koortsblaasje toe à HSV-1 infecteert cellen à maakt ze
kapot à er ontstaan witte zones (plaques) waar de cellen
kapot gemaakt zijn (dus waar virus zit) (dus L veel witte zone's
à veel virus, R minder witte zone's à minder virus)
Morfologie van virussen
o Icosahedraal:
L Altijd 20 driehoekige vlakken, 30 ribben en 12 hoekpunten (= pentons)
L vb. rotavirus (veroorzaakt diarree), poliovirus, adenovirus
L Capside (= partikel zelf, daarin zit DNA/RNA)
à opgebouwd uit capsomeren (12 pentons + hexons)
hoe groter virus, hoe meer hexons (altijd 12 pentons!)
capsiden bevatten spikes (ó bij herpes op enveloppe!)
o Helicaal:
L Capsomeren rond genetisch materiaal gebonden
L Bevatten spikes
L vb. Ebolavirus, VSV
L geen enkel DNA virus is helicaal ó sommige RNA virussen
1
, o Complex:
L vb. pokkenvirus
L Bacteriofaag: capside (hoofd) + tube waar genetisch
materiaal nr binnen gaat + landingspoten
o Virus met enveloppe (= extra lipidenlaag) ó naakt virus (= zonder lipidenlaag)
Classificatie
soort: mazelenvirus
geslacht: morbillivirus
familie: paramyxoviridae
orde: mononegavirales
o Virussen met DNA-genoom
L dsDNA: herpesvirus, poxviridae, adenoviridae
L ssDNA: parvovirus B19
L circulair dsDNA: HPV
L partieel dsDNA: HBV (hepaDNAviridae)
o Virus met RNA-genoom
L dsRNA: rotavirus
L ssRNA: mazelenvirus, influenza-virus (8 strengen)
L +ssRNA: (5’ à 3’), directe vertaling in eiwitten thv ribosomen:
coronavirus, arenavirus, picoRNAvirus, calcivirus
L -ssRNA: (3’ à 5’), complementaire mRNA-streng nodig voor eiwitsynthese:
hondsdolheid, reovirus, aramuxovirus, orthomyxovirus, bunyavirus, filovirus, ebola
J/F: alle DNA virussen hebben een circulair genoom
à FOUT, herpes is dubbelstrengig + niet circulair, parvovirus is enkelstrengig + niet circulair
2
,De baltimore klassificatie
= hoe virussen hun genetisch materiaal naar mRNA omzetten
L Klasse I: dsDNA (vb. herpesvirus)
L Klasse II: ssDNA à dsDNA
L Klasse III: dsRNA
L Klasse IV: +ssRNA
L Klasse V: -ssRNA
L Klasse VI: ssRNA-RT (vb. HIV) à dsDNA
L Klasse VII: dsDNA-RT (vb. hepatitis B)
Replicatie RNA virussen (belangrijk!)
Wanneer een positief-sense RNA-virus de cel binnenkomt, kan het RNA direct dienen als
mRNA om eiwitten te maken. Maar om meerdere mRNA's te maken, heeft het virus eerst
positief-sense RNA nodig om negatief-sense RNA te genereren. Dit negatief-sense RNA dient
als sjabloon om meer positief-sense RNA te maken, wat vervolgens als mRNA kan dienen.
Negatief-sense RNA brengt polymerase al mee in partikeltje voor omzetting naar positief-
sense RNA eenmaal het in doelwitcel terechtkomt.
Daarna vindt maturatie van het virus plaats en wordt het vrijgezet via knopvorming (vb. HIV,
influenza, mazelen) of via cytolyse (vb. rhinovirus)
J/F: (+)ssRNA virussen coderen niet voor een polymerase
à FOUT, +ssRNA coderen WEL voor polymerasen, -ssRNA dient via polymerase omgezet te
worden naar +ssRNA voor translatie naar eiwitten, brengen polymerase mee in partikeltje.
+ssRNA moeten gecodeerd worden nr -ssRNA om meerdere +ssRNA strengen te produceren
3
, DNA VIRUSSEN
papilloma: naakt
pokkenvirus: groot genoom ó
hepaDNa: klein
RNA VIRUSSEN
Verschil tussen DNA en RNA:
DNA is nooit helicaal, enkele RNA
virussen zijn dit wel
Vijf basistypes van virale symmetrie
o Naakt icosahedraal: bv poliovirus, adenovirus, hepatitis A virus
o Naakt helicaal: bv tobacco mosaic virus
o Icosahedraal met enveloppe: bv herpesvirus, HIV, gele koorts
o Helicaal met enveloppe: bv rabiës virus, influenza-virus, bof virus, mazelen
o Complex type: bv pokkenvirus
J/F: Alle virussen met een RNA genoom zijn helicaal opgebouwd
à FOUT: sommige RNA genomen zijn helicaal opgebouwd, andere zijn icosohedraal!
4
o Virus is zeer klein vb. pico(klein)RNA(met genoom)virus = verkoudheidsvirus (25 nm)
o Virussen enkel zichtbaar via elektronenmicroscopie (indien heel klein: X-stralen/MRI)
o Bacteriofagen: virussen die bacteriën aanvallen
o Cytopathogeen effect (CPE): effect dat een virus heeft op een cel
L van cyto(cel)megalo(groot)virus (HHV-5): virus zorgt
dat cellen vergroten, weefselkweek longfibroblasten,
spoelvormig tegen elkaar, virus zichtbaar in urine
L van respiratoir syncytium virus (RSV): rode kleurstof
in kern, infectie met RSV doet cellen versmelten à
syncytia (= multinucleaire cel, infecteert oa kinderen)
o We hebben bodem (agar) met cellen à we voegen vocht uit
een koortsblaasje toe à HSV-1 infecteert cellen à maakt ze
kapot à er ontstaan witte zones (plaques) waar de cellen
kapot gemaakt zijn (dus waar virus zit) (dus L veel witte zone's
à veel virus, R minder witte zone's à minder virus)
Morfologie van virussen
o Icosahedraal:
L Altijd 20 driehoekige vlakken, 30 ribben en 12 hoekpunten (= pentons)
L vb. rotavirus (veroorzaakt diarree), poliovirus, adenovirus
L Capside (= partikel zelf, daarin zit DNA/RNA)
à opgebouwd uit capsomeren (12 pentons + hexons)
hoe groter virus, hoe meer hexons (altijd 12 pentons!)
capsiden bevatten spikes (ó bij herpes op enveloppe!)
o Helicaal:
L Capsomeren rond genetisch materiaal gebonden
L Bevatten spikes
L vb. Ebolavirus, VSV
L geen enkel DNA virus is helicaal ó sommige RNA virussen
1
, o Complex:
L vb. pokkenvirus
L Bacteriofaag: capside (hoofd) + tube waar genetisch
materiaal nr binnen gaat + landingspoten
o Virus met enveloppe (= extra lipidenlaag) ó naakt virus (= zonder lipidenlaag)
Classificatie
soort: mazelenvirus
geslacht: morbillivirus
familie: paramyxoviridae
orde: mononegavirales
o Virussen met DNA-genoom
L dsDNA: herpesvirus, poxviridae, adenoviridae
L ssDNA: parvovirus B19
L circulair dsDNA: HPV
L partieel dsDNA: HBV (hepaDNAviridae)
o Virus met RNA-genoom
L dsRNA: rotavirus
L ssRNA: mazelenvirus, influenza-virus (8 strengen)
L +ssRNA: (5’ à 3’), directe vertaling in eiwitten thv ribosomen:
coronavirus, arenavirus, picoRNAvirus, calcivirus
L -ssRNA: (3’ à 5’), complementaire mRNA-streng nodig voor eiwitsynthese:
hondsdolheid, reovirus, aramuxovirus, orthomyxovirus, bunyavirus, filovirus, ebola
J/F: alle DNA virussen hebben een circulair genoom
à FOUT, herpes is dubbelstrengig + niet circulair, parvovirus is enkelstrengig + niet circulair
2
,De baltimore klassificatie
= hoe virussen hun genetisch materiaal naar mRNA omzetten
L Klasse I: dsDNA (vb. herpesvirus)
L Klasse II: ssDNA à dsDNA
L Klasse III: dsRNA
L Klasse IV: +ssRNA
L Klasse V: -ssRNA
L Klasse VI: ssRNA-RT (vb. HIV) à dsDNA
L Klasse VII: dsDNA-RT (vb. hepatitis B)
Replicatie RNA virussen (belangrijk!)
Wanneer een positief-sense RNA-virus de cel binnenkomt, kan het RNA direct dienen als
mRNA om eiwitten te maken. Maar om meerdere mRNA's te maken, heeft het virus eerst
positief-sense RNA nodig om negatief-sense RNA te genereren. Dit negatief-sense RNA dient
als sjabloon om meer positief-sense RNA te maken, wat vervolgens als mRNA kan dienen.
Negatief-sense RNA brengt polymerase al mee in partikeltje voor omzetting naar positief-
sense RNA eenmaal het in doelwitcel terechtkomt.
Daarna vindt maturatie van het virus plaats en wordt het vrijgezet via knopvorming (vb. HIV,
influenza, mazelen) of via cytolyse (vb. rhinovirus)
J/F: (+)ssRNA virussen coderen niet voor een polymerase
à FOUT, +ssRNA coderen WEL voor polymerasen, -ssRNA dient via polymerase omgezet te
worden naar +ssRNA voor translatie naar eiwitten, brengen polymerase mee in partikeltje.
+ssRNA moeten gecodeerd worden nr -ssRNA om meerdere +ssRNA strengen te produceren
3
, DNA VIRUSSEN
papilloma: naakt
pokkenvirus: groot genoom ó
hepaDNa: klein
RNA VIRUSSEN
Verschil tussen DNA en RNA:
DNA is nooit helicaal, enkele RNA
virussen zijn dit wel
Vijf basistypes van virale symmetrie
o Naakt icosahedraal: bv poliovirus, adenovirus, hepatitis A virus
o Naakt helicaal: bv tobacco mosaic virus
o Icosahedraal met enveloppe: bv herpesvirus, HIV, gele koorts
o Helicaal met enveloppe: bv rabiës virus, influenza-virus, bof virus, mazelen
o Complex type: bv pokkenvirus
J/F: Alle virussen met een RNA genoom zijn helicaal opgebouwd
à FOUT: sommige RNA genomen zijn helicaal opgebouwd, andere zijn icosohedraal!
4