SAMENVATTING; PROBLEMEN
BIJ LEZEN, SPELLEN EN
REKENEN
Morelli Enyo
Katholieke Universiteit Leuven
, Problemen met lezen, leren, spellen en rekenen
1 Hoorcollege 1
1.1 Leerproblemen versus leerstoornis
Leerprobleem (= koepelterm): problemen die personen ondervinden bij het leren van cogniAeve schoolse
vaardigheden. -> lezen, spellen, rekenen
*ADHD, dyspraxie, dysfasie, etc. zijn dus geen leerproblemen/-stoornissen!!
*Leerprobleem ≠ ontw. problemen
Een probleem in één domein wil zeggen dat er een leerprobleem kan ontstaan.
Als de oorsprong van de leerproblemen zich
bevinden in de omgeving of algemene
mogelijkheden en beperkingen (individu)
wordt er gekeken naar een secundair
leerprobleem.
Enge leeromgeving leerkrachten, school,
lokaal zelf, etc.
Brede leeromgeving thuismilieu; de manier
waarop ouders op een informele manier
bijdragen aan het leren. (Kinderen uit
gezinnen met een hoge SES krijgen doorgaans meer informele sAmulans, omdat gezinnen met een lage SES1
door andere zorgen minder Ajd en ruimte hebben om hun kind hierbij te ondersteunen.)
Algemene mogelijkheden en beperkingen gezichtsvermogen en intelligenAe.
Specifieke mogelijkheden en beperkingen fonologische vhd., werkgeheugen, getalbegrip, etc.
Leerstoornis leerproblemen die specifiek oorzaak hebben gelegd binnen het individu.
Primair vs secundair geen indicaAe voor belang of ernst.
1Sociaal Economische Status
*Basisschool Balder eventueel zinvolle aanvulling op deze informa9e.
,1.2 Criteria ter aflijning van een leerstoornis
Er moet aan de volgende drie criteria voldaan zijn om te kunnen vastgesteld worden met een leerstoornis:
1. Achterstandscriterium
® Trager op een bepaald domein dan andere kinderen.
Wanneer is een achterstand extreem? Dit kan niet subjecAef bepaald worden, dus moeten er prestaAes
vergeleken worden met een adequate groep individuen.
® Er zijn duidelijke problemen bij het verwerven van een specifieke schoolse of cogniAeve vaardigheid.
o Adequate vergelijkingsgroep: lee\ijd en scholing
o Probleem van de cut-off: 2
§ Score < pc 3/7/10/15/16
§ Z-score < -2/-1.5/-1
*Vlamingen en Nederlanders gebruiken de beschrijvende (of de schoolse vaardigheid), terwijl er in andere landen meer
gekozen wordt voor verklarend (cogni>eve vaardigheden)
Beschrijvend = ernsAge achterstand bij de automaAsering van specifieke basisvaardigheden: lezen, spellen
en rekenen.
Verklarend (cogniAeve vaardigheid) = problemen met specifieke cogniAeve vaardigheden die als oorzaak
wordt verondersteld.
o Fonologische vaardigheid 3 bij dyslexie
o HoeveeleheidsrepresentaAe 4 bij dyscalculie
2. Hardnekkigheidscriterium
® Niet eenmalig voorkomen, maar hardnekkig of persisterend en resistent voor hulp.
Er loopt ergens in de hersenen iets mis waardoor lezen, spellen en rekenen moeilijker verloopt. Het
automaAsme dat ander hebben bij spellen, lezen en rekenen komen bij deze mensen niet tot stand.
Er moet een extra aanbod gegeven worden, namelijk intensieve en langdurige remediëring en als dit niet
werkt kan de vaststelling gesteld worden.
* RTI-modellen = een manier om het hardnekkigheidscriterium te testen.
o Probleem is hardnekkig als het probleem aanwezig blij\ nadat:
§ De basisinstrucAe goed genoeg was.
§ De extra hulp planmaAg en volgens de regels verlopen is.
§ De vorderingen betrouwbaar gemeten zijn.
Concluderen dat het probleem niet komt door slecht onderwijs of te weinig oefening, maar door een
onderliggende stoornis
*Resisten(e = onvoldoende respons Ajdens intensieve hulp (geen inhaalbeweging).
o Geen verbetering
*Persisten(e = problemen blijven bestaan over Ajd, ook na de intervenAeperiode.
o Wel verbetering maar probleem blij2 bestaan.
2 Er is nogal verschil in de cut-off, sommige pedagogen vinden dat percen9el 3 goed is en sommige percen9el 10 of zelfs 15. Strengere
pedagogen kiezen voor 15, minder strenge voor 3, 10 is het meest voorkomend.
3
Verwijst naar het vermogen om de klanken van een taal te herkennen en te manipuleren.
4
In een oogopslag een klein aantal getallen herkennen in een grotere groep getallen.
, Wanneer is een probleem onvoldoende vooruitgang?
® Als er geen sprake is van een inhaalbeweging
® Momenteel nog geen kwalitaAef criterium...
Legende:
*De donkergroene strook is de normering
*De rode lijnen zijn het verloop van 3 verschillende
studenten
• De onderste (rode lijn) hee\ geen
inhaalbeweging, aangezien hij eerst enorm laag
scoort en aan het einde nog alAjd.
• De middelste (rode lijn) hee\, desondanks een
verbetering, ook geen inhaalbeweging, aangezien hij
onder de normgroep ligt.
3. Exclusiecriterium
® Kan niet te wijten zijn aan een invloed uit de omgeving worden veroorzaakt of andere
algemene mogelijkheden of beperkingen.
Algemene mogelijkheden of beperkingen en de omgeving moeten dus uitgesloten worden.
*Voorheen:
Enge interpretaAe = als er andere problemen aanwezig zijn wordt een leerstoornis uitgesloten.
® Zo goed als alle kinderen hebben bijkomende problemen dus werden zij allemaal uitgesloten...
*Voorkeur:
Ruime interpretaAe = andere problemen mogen de vastgestelde hardnekkige achterstand niet volledig
verklaren. Maar wanneer weet je of het de problemen verklaart of niet?
® Dit is nogal onduidelijk omdat er geen concrete cijfers bestaan die hier een eensluidend antwoord op
geven
® Ruimere inschalng maken om dit te beoordelen, bv anamnese en andere testen bekijken om een
goede inschalng te kunnen maken.
*Iemand met een verstandelijke beperking of andere handicap kan een leerstoornis hebben, al is dit niet eenvoudig om in kaart te
brengen, je hebt test nodig van kinderen met een gelijkaardige IQ-test en deze bestaan niet of beperkt. Ook van ondergeschikt
belang, aangezien het kind al ondersteuning nodig hee?.
BIJ LEZEN, SPELLEN EN
REKENEN
Morelli Enyo
Katholieke Universiteit Leuven
, Problemen met lezen, leren, spellen en rekenen
1 Hoorcollege 1
1.1 Leerproblemen versus leerstoornis
Leerprobleem (= koepelterm): problemen die personen ondervinden bij het leren van cogniAeve schoolse
vaardigheden. -> lezen, spellen, rekenen
*ADHD, dyspraxie, dysfasie, etc. zijn dus geen leerproblemen/-stoornissen!!
*Leerprobleem ≠ ontw. problemen
Een probleem in één domein wil zeggen dat er een leerprobleem kan ontstaan.
Als de oorsprong van de leerproblemen zich
bevinden in de omgeving of algemene
mogelijkheden en beperkingen (individu)
wordt er gekeken naar een secundair
leerprobleem.
Enge leeromgeving leerkrachten, school,
lokaal zelf, etc.
Brede leeromgeving thuismilieu; de manier
waarop ouders op een informele manier
bijdragen aan het leren. (Kinderen uit
gezinnen met een hoge SES krijgen doorgaans meer informele sAmulans, omdat gezinnen met een lage SES1
door andere zorgen minder Ajd en ruimte hebben om hun kind hierbij te ondersteunen.)
Algemene mogelijkheden en beperkingen gezichtsvermogen en intelligenAe.
Specifieke mogelijkheden en beperkingen fonologische vhd., werkgeheugen, getalbegrip, etc.
Leerstoornis leerproblemen die specifiek oorzaak hebben gelegd binnen het individu.
Primair vs secundair geen indicaAe voor belang of ernst.
1Sociaal Economische Status
*Basisschool Balder eventueel zinvolle aanvulling op deze informa9e.
,1.2 Criteria ter aflijning van een leerstoornis
Er moet aan de volgende drie criteria voldaan zijn om te kunnen vastgesteld worden met een leerstoornis:
1. Achterstandscriterium
® Trager op een bepaald domein dan andere kinderen.
Wanneer is een achterstand extreem? Dit kan niet subjecAef bepaald worden, dus moeten er prestaAes
vergeleken worden met een adequate groep individuen.
® Er zijn duidelijke problemen bij het verwerven van een specifieke schoolse of cogniAeve vaardigheid.
o Adequate vergelijkingsgroep: lee\ijd en scholing
o Probleem van de cut-off: 2
§ Score < pc 3/7/10/15/16
§ Z-score < -2/-1.5/-1
*Vlamingen en Nederlanders gebruiken de beschrijvende (of de schoolse vaardigheid), terwijl er in andere landen meer
gekozen wordt voor verklarend (cogni>eve vaardigheden)
Beschrijvend = ernsAge achterstand bij de automaAsering van specifieke basisvaardigheden: lezen, spellen
en rekenen.
Verklarend (cogniAeve vaardigheid) = problemen met specifieke cogniAeve vaardigheden die als oorzaak
wordt verondersteld.
o Fonologische vaardigheid 3 bij dyslexie
o HoeveeleheidsrepresentaAe 4 bij dyscalculie
2. Hardnekkigheidscriterium
® Niet eenmalig voorkomen, maar hardnekkig of persisterend en resistent voor hulp.
Er loopt ergens in de hersenen iets mis waardoor lezen, spellen en rekenen moeilijker verloopt. Het
automaAsme dat ander hebben bij spellen, lezen en rekenen komen bij deze mensen niet tot stand.
Er moet een extra aanbod gegeven worden, namelijk intensieve en langdurige remediëring en als dit niet
werkt kan de vaststelling gesteld worden.
* RTI-modellen = een manier om het hardnekkigheidscriterium te testen.
o Probleem is hardnekkig als het probleem aanwezig blij\ nadat:
§ De basisinstrucAe goed genoeg was.
§ De extra hulp planmaAg en volgens de regels verlopen is.
§ De vorderingen betrouwbaar gemeten zijn.
Concluderen dat het probleem niet komt door slecht onderwijs of te weinig oefening, maar door een
onderliggende stoornis
*Resisten(e = onvoldoende respons Ajdens intensieve hulp (geen inhaalbeweging).
o Geen verbetering
*Persisten(e = problemen blijven bestaan over Ajd, ook na de intervenAeperiode.
o Wel verbetering maar probleem blij2 bestaan.
2 Er is nogal verschil in de cut-off, sommige pedagogen vinden dat percen9el 3 goed is en sommige percen9el 10 of zelfs 15. Strengere
pedagogen kiezen voor 15, minder strenge voor 3, 10 is het meest voorkomend.
3
Verwijst naar het vermogen om de klanken van een taal te herkennen en te manipuleren.
4
In een oogopslag een klein aantal getallen herkennen in een grotere groep getallen.
, Wanneer is een probleem onvoldoende vooruitgang?
® Als er geen sprake is van een inhaalbeweging
® Momenteel nog geen kwalitaAef criterium...
Legende:
*De donkergroene strook is de normering
*De rode lijnen zijn het verloop van 3 verschillende
studenten
• De onderste (rode lijn) hee\ geen
inhaalbeweging, aangezien hij eerst enorm laag
scoort en aan het einde nog alAjd.
• De middelste (rode lijn) hee\, desondanks een
verbetering, ook geen inhaalbeweging, aangezien hij
onder de normgroep ligt.
3. Exclusiecriterium
® Kan niet te wijten zijn aan een invloed uit de omgeving worden veroorzaakt of andere
algemene mogelijkheden of beperkingen.
Algemene mogelijkheden of beperkingen en de omgeving moeten dus uitgesloten worden.
*Voorheen:
Enge interpretaAe = als er andere problemen aanwezig zijn wordt een leerstoornis uitgesloten.
® Zo goed als alle kinderen hebben bijkomende problemen dus werden zij allemaal uitgesloten...
*Voorkeur:
Ruime interpretaAe = andere problemen mogen de vastgestelde hardnekkige achterstand niet volledig
verklaren. Maar wanneer weet je of het de problemen verklaart of niet?
® Dit is nogal onduidelijk omdat er geen concrete cijfers bestaan die hier een eensluidend antwoord op
geven
® Ruimere inschalng maken om dit te beoordelen, bv anamnese en andere testen bekijken om een
goede inschalng te kunnen maken.
*Iemand met een verstandelijke beperking of andere handicap kan een leerstoornis hebben, al is dit niet eenvoudig om in kaart te
brengen, je hebt test nodig van kinderen met een gelijkaardige IQ-test en deze bestaan niet of beperkt. Ook van ondergeschikt
belang, aangezien het kind al ondersteuning nodig hee?.