Prof. Geybels Hans & Prof. François Wim
• 9 of 10 lessen door Hans Geybels, gevolgd door 3 lessen over religieus erfgoed
door Wim François
• Mondeling examen
o De student beantwoordt 3 vragen (2 bij prof. Geybels, 1 bij prof. François).
o Voor de derde vraag zou u een kunstwerk moeten herkennen uit het artikel
'Sweet Jesus'. Niet heel erg als u de precieze kunstenaar of de precieze
titel niet kent, maar u moet het wel herkennen en erover vertellen.
o Een evenwichtige kennis van alle onderdelen van de cursus is vereist om
te kunnen slagen.
College 1A Johannes Van Damascus First Apology
1. Historische en theologische context
Johannes van Damascus schrijft zijn First Apology in de context van het Byzantijnse
iconoclasme (8e eeuw), “Mogen christenen religieuze beelden maken en vereren, of is
dat afgoderij?”. In deze periode worden religieuze beelden vernietigd en verboden, vaak
met steun van de keizerlijke macht.
Belangrijk is dat dit conflict:
• niet louter esthetisch is,
o of beelden mooi zijn
o welke stijl beter is
o schilderkunst versus beeldhouwkunst
• maar diep theologisch (Is God zichtbaar geworden of niet?),
• kerkpolitiek (Wie mag beslissen over geloofszaken?)
• en christologisch (Is Jezus Christus werkelijk mens geworden met een echt
lichaam?)
Voor Johannes draait het om:
1. De waarheid van de incarnatie.
2. Wie beelden verbiedt, ontkent volgens hem impliciet dat God werkelijk mens is
geworden.
1
,2. Doel en positie van de auteur
1. Johannes presenteert zich niet als innovator maar als getuige van de traditie
van de Kerk.
2. Hij schrijft niet uit polemische ijdelheid maar omdat zwijgen in tijden van
dwaling een zonde zou zijn.
3. Hij positioneert zich tegen keizerlijke inmenging in geloofszaken ten gunste van
Kerkvaders, Bisschoppen en Concilies als bevoegde autoriteiten over geloof en liturgie.
3. Fundament van Johannes’ betoog
De orthodoxe geloofsbelijdenis (geloofsinhoud):
• Eén God
• Drie personen (Vader, Zoon, Heilige Geest)
• Christus: één persoon in twee naturen, tegelijk volledig God en volledig mens is
Johannes vertrekt van de orthodoxe geloofsbelijdenis omdat de mogelijkheid om
Christus af te beelden rechtstreeks voortvloeit uit de incarnatie: als de Zoon
werkelijk mens werd en een zichtbaar lichaam aannam, dan kan Hij ook zichtbaar
worden voorgesteld; wie beelden verwerpt, raakt daarom aan de kern van de
christologie.
4. Het beeldverbod: juiste interpretatie
Iconoclasten beroepen zich op het gebod: “Gij zult geen gesneden beeld maken.”
Johannes erkent dit gebod, maar stelt dat het verkeerd wordt begrepen.
Het beeldverbod is ingesteld om afgoderij te voorkomen niet om elke vorm van
beeldgebruik te verbieden.
Bewijs: Hetzelfde Oude Testament waarin het verbod staat, bevat ook:
o cherubijnen op de ark,
o beeldhouwwerk in de tabernakel,
o decoraties in de tempel van Salomo in Jeruzalem
Conclusie:
God kan zichzelf niet tegenspreken.
Het probleem is verering van beelden als goden, niet het bestaan van beelden.
• Latreia: aanbidding & uitsluitend voor God
2
, • Proskynesis: eerbetoon / verering & mogelijk voor beelden, heiligen, relieken
5. Sleutelargument van Johannes’ betoog
Incarnatie is het centrale argument van Johannes.
1. Situatie vóór Christus
• God is onzichtbaar
• Ongeschapen, iets dat altijd bestaan heeft en geen begin heeft.
• Zonder lichaam
Geen afbeeldingen van God mogelijk of toegestaan.
2. Situatie na Christus
• God wordt mens
• Wordt zichtbaar, tastbaar, lichamelijk
• Wordt gezien door mensen
Wat zichtbaar is geworden, mag worden afgebeeld. Men beeldt niet de
goddelijke natuur op zich af, maar God zoals Hij zich in Christus heeft
geopenbaard.
Beelden zijn dus een belijdenis van de incarnatie.
6. Beeldtheorie
Beeld
• = een gelijkenis die verwijst naar een prototype.
• Beeld ≠ origineel
• Het beeld participeert in wat het afbeeldt, maar is het niet
Voorbeelden:
• De Zoon is beeld van de Vader
• Een koningsportret verwijst naar de koning
Wanneer men een beeld eert gaat de eer niet naar hout, verf of steen, maar naar het
prototype (Christus, Maria, heilige) ≠ Geen afgoderij.
3
, 7. Verdediging van materie
Johannes keert zich expliciet tegen materieverachting, die hij associeert met
manicheïsme, een dualistische leer die materie als slecht beschouwt, terwijl het
christendom juist leert dat:
1. God heeft materie geschapen
2. God verklaarde de schepping goed
3. God werd zelf materie (vlees), zelf materie is geworden in de incarnatie.
4. God werkt door materie heen, het lichaam van Christus, water, brood, wijn en
heilige objecten om zijn genade te schenken
Daarom kan materie:
• geheiligd worden,
• drager van genade zijn.
Voorbeelden van geheiligde materie:
• kruis
• evangelieboek
• altaar
• eucharistisch brood en wijn
Ik aanbid niet de materie, maar de Schepper van de materie.
8. Functies van beelden
1. Didactisch
• “boeken voor ongeletterden”
• maken heilsgeschiedenis zichtbaar
2. Memoriaal, houden daden van Christus en heiligen levend
3. Devotioneel
• zet aan tot gebed
• stimuleren navolging
Beelden doen iets met de gelovige.
4