Histamine is een lokaal werkende hormoon-achtige stof.
Detectie van vreemde indringers (parasiet, schimmel) in de huid, luchtwegen, …
1. Antigenen binden aan immunoglobuline E (IgE)
2. Binden aan receptoren op mast cellen.
3. Massale vrijstelling van inhoud secretiegranulen
4. Vrijkomen van pro-inflammatoire lokaal
werkende hormonen (zoals; histamine en
leukotriënen)
5. Binden op specifieke G-proteïne gekoppelde
receptoren (Histamine H1 receptor)
6. Ontstekingsreactie; vasodilatatie, aantrekken
van witte bloedcellen met zwelling, roodheid,
jeuk of pijn.
Proces gebeurt in samenwerking met eosinofiele granulocyten.
Allergie = overdreven reactie tegen onschuldige “indringers”: pollen, huisstof, latex.
o Behandeling met anti-histaminica (H1-receptor antagonisten)
Histamine H2 receptoren op maag pariëtale cellen bevorderen de zuursecretie.
1. Functie van pariëtale cel:
Secretie van HCl (maagzuur, pH 1)
2. Ionentransport (polarisatie is belangrijk)
Apicale pool (naar lumen maag):
o H+/K+-ATPase (protonenpomp) H+ naar lumen.
o Cl—kanaal Cl- naar lumen
Basale pool (naar bloed):
o Cl-/HCO3—uitwisselaar
HCO3- naar bloed
Cl- de cel in
3. Bron van H+
In de cel via koolzuuranhydrase (CA):
o CO2 + H2O H2CO3 H+ + HCO3-
4. Regulatie
Stimulator Receptor Second messenger Effect
Histamine H2 (GPCR) ↑ cAMP → PKA ↑ HCl
Gastrine / ↑ IP₃ / ↑ Ca²⁺ ↑ HCl
Acetylcholine (n. vagus) / ↑ IP₃ / ↑ Ca²⁺ ↑ HCl
Somatostatine (D-cellen) / ↓ cAMP ↓ HCl
, Vier verschillende histamine-receptoren selectieve receptor-antagonisten.
Histamine kan binden op vier verschillende histamine-receptoren (gecodeerd door HR1
t.e.m. HR4-genen)
Farmacologische toepassingen:
o H1-antihistaminca = gebruik voor lokale of systemische behandeling van
allergische symptomen (de oorzaak wordt hierdoor niet weggenomen)
o H2-antihistaminca = gebruikt bij maagulcus
Eicosanoïden: prostaglandinen en leukotriënen.
1. Oorsprong:
Afgeleid van arachidonzuur
Arachidonzuur zit veresterd in membraanfosfolipiden
Vrijgesteld door fosfolipase A2
o Geactiveerd via G-proteïne-gekoppelde receptoren
2. Twee metabole routes:
1) Cyclo-oxygenase (COX) route
o Enzym: Cyclo-oxygenase
o Vorming van: prostaglandinen
2) Lipoxygenase (LOX) route
o Enzym: 5-lipoxygenase
o Vorming van: Leukotriënen.
3. Kenmerken van eicosanoïden:
Werken lokaal
Leven kort (seconden)
Werken via specifiek GPCR’s