Orthopedagogie
Leen Bollaert
Hoofdstuk 1: Werken met mensen: grondhouding
1.1 Wat voor alle orthopedagogische begeleiders geldt
Basis voor het werken met mensen = begeleidingsRELATIE
Relatie = fundament van hulpverlening
Twee belangrijkste pioniers in de orthopedagogiek (in het Nederlands
taalgebied):
1) Wim Ter Horst
2) Jacob Kok
Begeleiders maken verschil door hun grondhouding:
Acceptatie
Liefhebben
Echtheid
Intentoinaliteit
Gelijkwaardigheid
Openheid
Warmte
Waarheid = WaWaWa
Waarden
1.2 Opvoeden-begeleiden: een tweevoudig dialogaal gebeuren
Wim Ter Horst = proffesor orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit (in
leiden, NL)
= ‘opvoeden/begeleiden is een tweevoudig dialogaal
gebeuren”
(dialogaal = elke vorm van uitwisseling)
Tweevoudig dialogaal = gericht op het bevorderen van de dialoog
tussen:
o de cliënt en zijn ‘dichte wereld’
(de omgeving waar de client nu mee in relatie
staat)
o de clïent en ‘de volle werkelijkheid’
(de omgeving waar hij in de toekomst mee in
relatie zal staan)
, Volgens Ter Horst bestaat begeleiden uit twee dialogen: één tussen de begeleider en de
cliënt, en één tussen de cliënt en zijn wereld. De begeleider probeert te begrijpen wat de cliënt
nodig heeft en hoe hij het beste kan ondersteunen. Tegelijk staat de cliënt voortdurend in
wisselwerking met zijn omgeving, zoals familie, school en vrienden. Goede begeleiding houdt
rekening met beide dialogen. Zo ontstaat opvoeding of hulpverlening die echt afgestemd is op de
leefwereld van de cliënt.
Tweevoudig:
Agogische relatie tussen cliënt en begeleider (1) als middel met als doel
het bevorderen van de relatie tussen cliënt en wereld (2)
Cliënt & ‘dichte omwereld’: omgevig waarmee hij nu in relatie staat
Cliënt & ‘volle werkelijkheid’: omgeving waar hij in de toekomst mee
in relatie staat
Dialoog:
= Term uit het Grieks
= Samenstelling uit:
‘dia’ = uiteen/dwarsdoorheen’
‘logos’= woord
= Samenspraak (=beste vertaling)
= Elke vorm van uitwisseling tussen mensen
= Meer dan praten
= Wederzijds
Hierbij toont de cliënt wat die wel/niet nodig heeft
Hierbij is de unieke persoonlijkheid van de begeleiders belangrijk
,‘Het herstel van het gewone leven’
= handreiking aan dagelijkse opvoeders-ouders,
onderwijsgevenden, groepsleiders, gezinsverzorgend
en hun begeleiders bij problematische
opvoedingssituaties
= boek stelt basis vraag: ‘wat kan je in het dagelijks
leven doen om het vastgelopen opvoedingsproces
weer vlot te trekken?’
= basisgedachte bij dit boek: bij verstoorde of
vastgelopen opvoedings- of begeleidingssituaties
steeds in eerste instantie moet worden nagegaan of
het meest voor de hand liggende, ‘het alledaagse’ wel in orde is (voor er
gedacht kan worden aan speciale interventies)
= het gewone is voorwaarde voor het bijzondere -> wanneer kleine
veranderingen/voor de handliggende niet voldoende zijn om de
opvoedingssituatie te ontwarren zullen specialisaties ook niet helpen
= geeft een praktisch antwoord aan opvoeders en begeleiders (*)
= boekje waaruit alles geplukt is
Basisgedachte bij verstoorde of vastgelopen opvoeding of
begeleidingssituaties:
Ga eerst na of het ‘gewone leven’ wel in orde is (*)
Heeft het kind echte opvoeders? Voelt het kind zich veilig? Is het
kind fit?..
1.3 Grondhouding van de opvoeder-begeleider (ter Horst)
In deze dialoog is de unieke persoonlijkheid van de orthopedagogisch
begeleider belangrijk
De basishouding van de orthopedagogisch begeleider kenmerkt
ter Horst door de volgende 5 Kenmerken:
1. Liefhebben
Gratis en onvoorwaardelijk
“Zijn we bereid om die mensen graag te zien?’
‘Liefde is gratis, je moet cliënten graag kunnen zien of ze nu flink zijn
ofniet’
Helderziend
Door de buitenkant naar de binnenkant kunnen kijken (wie lief heeft
kijkt dwars door de buitenkant heen)
Voorbij het lastig gedrag kunnen kijken
Kringsgewijs
Omringd door liefdevol betrokken mensen
Je moet u speciaal kunnen voelen
2. Overschot
, Overschot aan vitaliteit/levenskracht
Wie niet heeft kan niet geven
Enkele zelfrefelectievragen die elke begeleider zich moet stellen
volgens ter Horst:
Ben ik wel door de puberteit heen?
Ben ik wel voldoende uitgeslapen?
Heb ik het niet te druk met andere zaken of problemen?
Ben ik emotioneel beschikbaar?
-> zo niet = begeleider kan zich onvoldoende openstellen naar de
cliënt
3. Bijtanken
Onvoldoende overschot aan vitaliteit, daardoor niet emotioneel
beschikbaar = bijtanken
Hoe? -> collega’s, eigen netwerk, rolwissel, vakantie, bijscholing,
ritueel,..
4. Openheid
Emotioneel beschikbaar zijn (je stelt je open voor wensen, noden, en
de mogelijkheden van de cliënt, je hebt aandacht voor de cliënt)
Sensitief voorontvangen van signalen cliënt (= gepast reageren)
Voorwaarden:
1. Overschot aan vitaliteit
2. Reflectieve leerhouding:
-> zich openstellen om te leren
-> zicht hebben op eigen pedagogische vooroordelen
5. Intentionaliteit
Responsief bij het zenden van signalen aan cliënt (= gepast
antwoord bieden op noden van cliënten)
Eigen signalen en handelen gericht afstemmen op cliënt
Aanvoelen wanneer jij in de relatie met de cliënt best initiatief neemt
Je ziet de hulpvraag van de cliënt
*hulpvraag = geeft jou inzicht in wat er moet gedaan worden om verder te komen of om
weer perspectief te krijgen
Hoe? -> goed gerichte, duidelijke, ondubbelzinnige signalen
uitzenden
-> initiatief: balans leiden-volgen
-> sensitief responsief
Leen Bollaert
Hoofdstuk 1: Werken met mensen: grondhouding
1.1 Wat voor alle orthopedagogische begeleiders geldt
Basis voor het werken met mensen = begeleidingsRELATIE
Relatie = fundament van hulpverlening
Twee belangrijkste pioniers in de orthopedagogiek (in het Nederlands
taalgebied):
1) Wim Ter Horst
2) Jacob Kok
Begeleiders maken verschil door hun grondhouding:
Acceptatie
Liefhebben
Echtheid
Intentoinaliteit
Gelijkwaardigheid
Openheid
Warmte
Waarheid = WaWaWa
Waarden
1.2 Opvoeden-begeleiden: een tweevoudig dialogaal gebeuren
Wim Ter Horst = proffesor orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit (in
leiden, NL)
= ‘opvoeden/begeleiden is een tweevoudig dialogaal
gebeuren”
(dialogaal = elke vorm van uitwisseling)
Tweevoudig dialogaal = gericht op het bevorderen van de dialoog
tussen:
o de cliënt en zijn ‘dichte wereld’
(de omgeving waar de client nu mee in relatie
staat)
o de clïent en ‘de volle werkelijkheid’
(de omgeving waar hij in de toekomst mee in
relatie zal staan)
, Volgens Ter Horst bestaat begeleiden uit twee dialogen: één tussen de begeleider en de
cliënt, en één tussen de cliënt en zijn wereld. De begeleider probeert te begrijpen wat de cliënt
nodig heeft en hoe hij het beste kan ondersteunen. Tegelijk staat de cliënt voortdurend in
wisselwerking met zijn omgeving, zoals familie, school en vrienden. Goede begeleiding houdt
rekening met beide dialogen. Zo ontstaat opvoeding of hulpverlening die echt afgestemd is op de
leefwereld van de cliënt.
Tweevoudig:
Agogische relatie tussen cliënt en begeleider (1) als middel met als doel
het bevorderen van de relatie tussen cliënt en wereld (2)
Cliënt & ‘dichte omwereld’: omgevig waarmee hij nu in relatie staat
Cliënt & ‘volle werkelijkheid’: omgeving waar hij in de toekomst mee
in relatie staat
Dialoog:
= Term uit het Grieks
= Samenstelling uit:
‘dia’ = uiteen/dwarsdoorheen’
‘logos’= woord
= Samenspraak (=beste vertaling)
= Elke vorm van uitwisseling tussen mensen
= Meer dan praten
= Wederzijds
Hierbij toont de cliënt wat die wel/niet nodig heeft
Hierbij is de unieke persoonlijkheid van de begeleiders belangrijk
,‘Het herstel van het gewone leven’
= handreiking aan dagelijkse opvoeders-ouders,
onderwijsgevenden, groepsleiders, gezinsverzorgend
en hun begeleiders bij problematische
opvoedingssituaties
= boek stelt basis vraag: ‘wat kan je in het dagelijks
leven doen om het vastgelopen opvoedingsproces
weer vlot te trekken?’
= basisgedachte bij dit boek: bij verstoorde of
vastgelopen opvoedings- of begeleidingssituaties
steeds in eerste instantie moet worden nagegaan of
het meest voor de hand liggende, ‘het alledaagse’ wel in orde is (voor er
gedacht kan worden aan speciale interventies)
= het gewone is voorwaarde voor het bijzondere -> wanneer kleine
veranderingen/voor de handliggende niet voldoende zijn om de
opvoedingssituatie te ontwarren zullen specialisaties ook niet helpen
= geeft een praktisch antwoord aan opvoeders en begeleiders (*)
= boekje waaruit alles geplukt is
Basisgedachte bij verstoorde of vastgelopen opvoeding of
begeleidingssituaties:
Ga eerst na of het ‘gewone leven’ wel in orde is (*)
Heeft het kind echte opvoeders? Voelt het kind zich veilig? Is het
kind fit?..
1.3 Grondhouding van de opvoeder-begeleider (ter Horst)
In deze dialoog is de unieke persoonlijkheid van de orthopedagogisch
begeleider belangrijk
De basishouding van de orthopedagogisch begeleider kenmerkt
ter Horst door de volgende 5 Kenmerken:
1. Liefhebben
Gratis en onvoorwaardelijk
“Zijn we bereid om die mensen graag te zien?’
‘Liefde is gratis, je moet cliënten graag kunnen zien of ze nu flink zijn
ofniet’
Helderziend
Door de buitenkant naar de binnenkant kunnen kijken (wie lief heeft
kijkt dwars door de buitenkant heen)
Voorbij het lastig gedrag kunnen kijken
Kringsgewijs
Omringd door liefdevol betrokken mensen
Je moet u speciaal kunnen voelen
2. Overschot
, Overschot aan vitaliteit/levenskracht
Wie niet heeft kan niet geven
Enkele zelfrefelectievragen die elke begeleider zich moet stellen
volgens ter Horst:
Ben ik wel door de puberteit heen?
Ben ik wel voldoende uitgeslapen?
Heb ik het niet te druk met andere zaken of problemen?
Ben ik emotioneel beschikbaar?
-> zo niet = begeleider kan zich onvoldoende openstellen naar de
cliënt
3. Bijtanken
Onvoldoende overschot aan vitaliteit, daardoor niet emotioneel
beschikbaar = bijtanken
Hoe? -> collega’s, eigen netwerk, rolwissel, vakantie, bijscholing,
ritueel,..
4. Openheid
Emotioneel beschikbaar zijn (je stelt je open voor wensen, noden, en
de mogelijkheden van de cliënt, je hebt aandacht voor de cliënt)
Sensitief voorontvangen van signalen cliënt (= gepast reageren)
Voorwaarden:
1. Overschot aan vitaliteit
2. Reflectieve leerhouding:
-> zich openstellen om te leren
-> zicht hebben op eigen pedagogische vooroordelen
5. Intentionaliteit
Responsief bij het zenden van signalen aan cliënt (= gepast
antwoord bieden op noden van cliënten)
Eigen signalen en handelen gericht afstemmen op cliënt
Aanvoelen wanneer jij in de relatie met de cliënt best initiatief neemt
Je ziet de hulpvraag van de cliënt
*hulpvraag = geeft jou inzicht in wat er moet gedaan worden om verder te komen of om
weer perspectief te krijgen
Hoe? -> goed gerichte, duidelijke, ondubbelzinnige signalen
uitzenden
-> initiatief: balans leiden-volgen
-> sensitief responsief