OBESITAS
DEFINITIE
Gebaseerd op BMI (geeft inzicht over de populatie) of verhoogde buikomtrek
BMI = GEWICHT (KG) / LENGTE (M)²
Probleem: houdt geen rekening met lichaamssamenstelling (meer over het
probleem)
- Persoon met veel spiermassa kan zelfde BMI hebben als iemand met veel
vetmassa
Cut-off waarden
- BMI 25-30: overgewicht
- BMI 30-40: obees
- BMI > 40: morbide obees
Bij kinderen
- < 5 jaar: gewicht tov lengte (geen BMI)
Interpretatie: afwijking tov mediaan
- 5-19 jaar: BMI tov leeftijd
Interpretatie: afwijking tov mediaan = 0
> 1 z-score hoger = overgewicht
> 2 z-scores hoger = obesitas
VISCERAAL VET (BUIKOMTREK)
Geeft een idee van distributie van abdominaal (visceraal) vet en is een betere
voorspeller van cardiovasculaire en metabole ziekten
Cut-off waarden
- Normaal: mannen (<94) en vrouwen (<80)
- Verhoogd risico: mannen (94-102) en vrouwen (80-88)
PREVALENTIE (OBESITAS EPIDEMIE)
Obesitas (BMI > 30) in België 20%
Overgewicht (BMI > 25) in België 57%
Wereldwijd
- 43% van volwassenen met overgewicht
- 16% van volwassenen met obesitas (800 miljoen mensen)
België scoort slechter
Sinds 1990
- Verdubbeling van obesitas bij volwassenen
- Verviervoudiging van obesitas bij adolescenten
Te snelle stijging
1
, METABOLE AANDOENINGEN
OORZAAK (HOE KRIJG JE OBESITAS?)
Onbalans tussen inname (te veel) en verbruik van energie (te weinig)
Te veel vetten opslaan
Obesogene omgeving
- Een omgeving die zodanig ingericht is dat deze inactiviteit bevordert en
meer (en ongezond) eten stimuleert
- Takeaway als voorbeeld, stimuleert ons om niet meer buiten te komen
De etiologie van obesitas is complex en multifactorieel, er zijn verschillende
factoren (biologische factoren en gedragingen) die beide kanten van de
energiebalans kunnen beïnvloeden
Genetische vatbaarheid
- De mate van erfelijkheid van BMI is hoog, variërend van 40 – 70%
- Personen die genetisch meer vatbaar zijn zullen meer gewicht toenemen
in een obesogene omgeving
- Obesitas is het resultaat van een genetische predisposities in combinatie
met een obesogene omgeving.
- Genetische vatbaarheid kan afgevlakt worden door een fysieke actieve
levensstijl
GEVOLGEN
Verhoogd risico op niet overdraagbare aandoeningen
- Cardiovasculaire aandoeningen (hypertensie, dyslipidemie)
- Diabetes type 2
METABOOL GEZONDE OBESITAS
= Personen die obees zijn maar zonder dyslipidemie, hyperglycemie / diabetes mellitus of
hypersenie = ‘fat but fit’
Risico op het ontwikkelen van cardiometabole aandoeningen is lager dan metabool
ongezonde obese personen maar nog steeds hoger dan personen met een gezond BMI
BEHANDELING
Gedragsinterventies, dieet en fysieke activiteit
Multicomponent gedragsinterventies (6 maanden) met het doel om de levensstijl
te veranderen. Deze interventies gebruiken zelfmonitoring van gewicht, dieet en
fysieke activiteits counselling. Algemeen zorgen deze voor een daling van 5-10% in
gewicht, maar in 25% van de patiënten is er opnieuw gewichtstoename na 2 jaar
follow up.
Medicatie
Metabole / Bariatrische procesdures
EFFECT VAN OZEMPIC (SEMAGLUTIDE)
2
, METABOLE AANDOENINGEN
Semaglutide zorgt voor mindere drang naar voeding, vandaar een groot effect op het
gewicht (8-21%)
DIABETES
GLUCOSE METABOLISME (FYSIOLOGIE)
Stimulus: glucose wordt geabsorbeerd na een maaltijd
Homeostase: normaal een glycemie van 70-125 mg/dl
Hoge glycemie
- Afgifte van insuline in het bloed door bèta cellen in pancreas
Insuline zet glucose om in glycogeen, vetten en proteïnen in de lever
Spieren en andere cellen gebruiken glucose als energiebron of zetten
het om in glycogeen
Bloedglucose levels dalen: productie insuline daalt
Cellen gebruiken of slaan glucose op tussen maaltijden
Lage glycemie
- Afgifte van glucagon in het bloed door alfa cellen in pancreas
Spieren zetten glycogeen om in pyrodruivenzuur
Lever zet glycogeen om in glucose
Bloedglucose levels stijgen: productie glucagon daalt
GLUCOSE
Normaalwaarden
- Plasma glucose tussen 70 mg/dl en 125 mg/dl voor een maaltijd
- Nuchter (8u geen maaltijd) < 100 mg/dl
- Na een maaltijd (1-2u erna) < 160 mg/dl
Hyperglycemie
- Nuchter > 125 mg/dl
- Na maaltijd > 180 mg/dl
Hypoglycemie = < 70 mg/dl
Een verhoging van 10 mg/dl zorgt voor:
- Stimulering van insuline afgifte
- Onderdrukking van secretie van glucagon
Een daling van 20 mg/dl zorgt voor:
- Verlaagde van insuline afgifte
- Verlaagde opname van glucose in de hersenen
- Stimuleert de afgifte van glucagon en andere tegenregulerende hormonen
INSULINE
Zorgt voor transport van glucose via GLUT 4 naar de cellen (absorptie van
glucose), omzetten van koolhydraten in energie voor de cellen.
Activeert ‘signaling pathway’ door te binden met receptoren in lever, spier,
nier en adipeus weefsel
- Glucose gebruikt als energiebron
- Glygogenese (glucose wordt omgezet in glycogeen)
Zorgt voor
- Suppressie van afgifte glucagon
- Translocatie van glucose transport in spier en adipeus weefsel
3
, METABOLE AANDOENINGEN
GLUCAGON
Secretie door alfa cellen in de pancreas, wanneer de glucose concentratie
daalt binnen de fysiologische range vermindert glucagon de insuline
productie
Hypoglycemie (<70 mg/dl): tegenregulerende hormonen
- Glucagon stijgt en bindt met de receptoren in de lever
Glycogenolyse (omzetten van glycogeen naar glucose in de lever) +
gluconeogenese (synthese van glucose uit niet-koolhydraten bronnen)
(onmiddelijke actie)
- Adrenaline stijgt
Afgifte door veranderingen in OS (stresshormoon), stimuleert de lever
tot glycogenolyse en gluconeogense, inhibite van insulinesecretie
(onmiddelijke actie)
- Cortisol stijgt
Maakt cellen (spier, vet) minder gevoelig voor insuline, verhoogt
productie van glucose door de lever (stresshormoon) (activatie duurt
enkele uren)
- Groeihormoon stijgt
Maakt cellen (spier, vet) minder gevoelig voor insuline (activatie duurt
enkele uren)
DEFINITIE EN CLASSIFICATIE VAN DIABETES
WAT IS DIABETES MELLITUS?
Chronische metabole aandoening
Verschillende oorzaken
Gekarakteriseerd door chronische hyperglycemie (verhoogde levels van
glucose in het bloed) omdat er geen of te weinig insuline wordt geproduceerd
en/of niet effectief gebruikt wordt
Geassocieerd met de ontwikkeling van specifieke macrovasculaire en
microvasculaire complicaties (bv retinopathie, nefropathie, neuropathie)
PREVALENTIE
België
- 500 000 personen ~ 6,1%
Werelwijd
- 425 miljoen ~ 8,8%
- Estimatie ~ 9,9% in 2045
4