SAMENVATTING ECONOMIE
H0: INLEIDING
We maken elke dag heel veel keuzes. Ontbijt, outfit, vervoer. Economie wilt zeggen dat we
keuzes moeten maken en behoeftes hebben.We moeten keuzes maken omdat we beperkt
zijn in keuzes
Welke zijn de elementen die je keuze gaan bepalen?
->Behoeften & Middelen
We hebben heel veel behoeften( een gebrek aan iets, behoefte aan erkenning, je
draagt mooie kleren vb. )
We zijn beperkt in onze middelen( geld). Middelen zijn schaars zoals budget.
We zijn ook op andere manieren beperkt vb. lichamelijk, de uren van de dag(tijd) en
ruimte
Het is voor iedereen anders
Keuzeprobleem = met gegeven middelen een maximale behoeftebevrediging bereiken=
economisch principe
Schaarse middelen
•Je hebt echter maar beperkte middelen om die behoefte te bevredigen
= economische of schaarse goederen → waarde verschijnsel
•Met ons inkomen kunnen we niet al onze behoeften bevredigen.
•Iedereen wordt met schaarste geconfronteerd, zowel rijk als arm.
•Lucht en water zijn voorbeelden van ‘de nieuwe schaarste’.
(bv lucht in China is onzuiver)
• Schaars is niet hetzelfde als zeldzaam. schaars is, je wordt geconfronteerd met een tekort.
Zeldzaam is dat bijna niet voorkomt.
We zijn beperkt in: budget, tijd, ruimte vb: in china lucht schaars want vervuild
Nuttigheid en keuzeprobleem
•Een goed, is pas nuttig als het onze behoefte bevredigt (subjectief).
• economisch principe = waardeschaal opstellen afhankelijk van zijn subjectief nut voor
maximale behoeftebevrediging
•Keuzeprobleem is voor iedereen: gezinnen, bedrijven, overheid. Iedereen moet altijd
kiezen hoe men zijn geld uitgeeft.
economie is studie van het menselijk streven naar maximale bevrediging van behoeften met
behulp van schaarse middelen.
,Welvaart en welzijn
Welzijn: zit in het hoofd, ook niet schaarse behoeften zoals geluk, liefde, vriendschap
Welvaart in ruime zin: schaarse middelen zoals goed milieu, gezondheid, vrije tijd
Welvaart in enge zin : schaarse middelen zoals geld, koopkracht, reële inkomen
soorten goederen
Verschil tussen goederen en diensten
→ Een goed is tastbaar en een dienst niet. Goed is bv: eten, koelkast, telefoon,...
→ Dienst is naar tandarts, schoonheidsspecialist, kinesist,…
economische goederen:
- individuele goederen ( uitsluitbaar, meestal rivaliserend)
bv: schoenen, telefoon, enzovoort…
- semi-collectieve goederen ( uitsluitbaar, meestal niet zo rivaliserend)
bv: onderwijs, snelwegen
- collectieve goederen ( niet uitsluitbaar, meestal niet rivaliserend)
bv: dijk, straatverlichting, politie, brandweer, …
Collectieve goederen moeten gemaakt worden voor iedereen, dient voor iedereen.
vrije goederen: ( hiervoor moeten we niet betalen) bv: de zon
consumptie en productie
Consumptie = aanwending van economische goederen voor niet-productieve doeleinden
→besteding van inkomen
->Consumptiegoederen: geeft geld uit, voor eigen gebruik
Productie = scheppen van toegevoegde waarde
→verwerven van inkomen
→ door samenwerking van 3 productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal
kapitaal is u geld, alle materialen zoals machines, …
-> Productiegoederen: bv: een groot machine, tractor
de methoden binnen de economische wetenschap
inductieve methode = vertrekken vanuit verschillende feitelijke gegevens, bij voldoende
ervaring kan men dan een algemene wetmatigheid formuleren
deductieve methode = vanuit een algemeen beginsel, nieuwe besluiten afleiden
bv: het regent dus alles wat buiten ligt of is wordt nat
Best: combinatie van beide methoden gebruiken
,De ceteris-paribus clausule
-Er is slechts 1 variabele
-al het overige blijft gelijk oftewel: men veronderstelt dat alle andere factoren constant zijn
bv. P smartphones↑ => V ↓
-De prijs is variabel maar we houden constant:
mode/trends, inkomen, voorkeuren, prijs belminuten
Micro, meso, macro economie
•Micro: individuele consumenten en bedrijven ( kleinschalig budgetten)
•Meso: bedrijfstakken, regio’s ( bv heel Vlaanderen, of stuk van een bedrijf bestuderen)
•Macro: economie in zijn geheel, (inter)nationaal ( Heel Europa, grootschalig, verschillende
sectoren in een keer bestuderen)
, H1: CONSUMENTEN
1.1.Keuze optimale goederencombinatie
Zie sv aliha op papier
1.2.De prijsvraagcurve
= relatie tussen de prijs van 1 goed en de gevraagde hoeveelheid = de vraagcurve (ceteris
paribus!!)
->ceteris-paribus= het overig gelijk blijvend. Wanneer men de invloed van veranderingen in
één grootheid (de verklarende variabele) op één andere grootheid (de te verklaren
variabele) onderzoekt.
bv examenvraag: wat is de relatie tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid?
-als de prijs van een goed ↑, gaat men hier minder van vragen dwz de gevraagde
hoeveelheid ↓
= Dit is een negatief verband tussen prijs en de gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve heeft
dus een dalend verloop
-Vraagcurve heeft 2 lijnen: de P(prijs) en Q(vraag). Bij een lage prijs gaan er meer
consumenten zijn die het kopen. Vraagcurve is een negatief verloop. Werkt op verschillende
fases. Alle anderen dingen blijven vast bij een vraagcurve
-Afkortingen uitleg:
Q is de vraag, P de prijs
Qv is de gevraagde hoeveelheid
Vraagcurve is een negatief verloop
Hoe lager de prijs hoe meer consumenten iets gaan kopen.
-De vraagcurve:
- Dalend, altijd NEGATIEF VERLOOP
- als P hoog is → dan is V laag ( hoge prijs = minder kopen)
- als P laag is → dan is V hoog ( lage prijs = meer kopen)
H0: INLEIDING
We maken elke dag heel veel keuzes. Ontbijt, outfit, vervoer. Economie wilt zeggen dat we
keuzes moeten maken en behoeftes hebben.We moeten keuzes maken omdat we beperkt
zijn in keuzes
Welke zijn de elementen die je keuze gaan bepalen?
->Behoeften & Middelen
We hebben heel veel behoeften( een gebrek aan iets, behoefte aan erkenning, je
draagt mooie kleren vb. )
We zijn beperkt in onze middelen( geld). Middelen zijn schaars zoals budget.
We zijn ook op andere manieren beperkt vb. lichamelijk, de uren van de dag(tijd) en
ruimte
Het is voor iedereen anders
Keuzeprobleem = met gegeven middelen een maximale behoeftebevrediging bereiken=
economisch principe
Schaarse middelen
•Je hebt echter maar beperkte middelen om die behoefte te bevredigen
= economische of schaarse goederen → waarde verschijnsel
•Met ons inkomen kunnen we niet al onze behoeften bevredigen.
•Iedereen wordt met schaarste geconfronteerd, zowel rijk als arm.
•Lucht en water zijn voorbeelden van ‘de nieuwe schaarste’.
(bv lucht in China is onzuiver)
• Schaars is niet hetzelfde als zeldzaam. schaars is, je wordt geconfronteerd met een tekort.
Zeldzaam is dat bijna niet voorkomt.
We zijn beperkt in: budget, tijd, ruimte vb: in china lucht schaars want vervuild
Nuttigheid en keuzeprobleem
•Een goed, is pas nuttig als het onze behoefte bevredigt (subjectief).
• economisch principe = waardeschaal opstellen afhankelijk van zijn subjectief nut voor
maximale behoeftebevrediging
•Keuzeprobleem is voor iedereen: gezinnen, bedrijven, overheid. Iedereen moet altijd
kiezen hoe men zijn geld uitgeeft.
economie is studie van het menselijk streven naar maximale bevrediging van behoeften met
behulp van schaarse middelen.
,Welvaart en welzijn
Welzijn: zit in het hoofd, ook niet schaarse behoeften zoals geluk, liefde, vriendschap
Welvaart in ruime zin: schaarse middelen zoals goed milieu, gezondheid, vrije tijd
Welvaart in enge zin : schaarse middelen zoals geld, koopkracht, reële inkomen
soorten goederen
Verschil tussen goederen en diensten
→ Een goed is tastbaar en een dienst niet. Goed is bv: eten, koelkast, telefoon,...
→ Dienst is naar tandarts, schoonheidsspecialist, kinesist,…
economische goederen:
- individuele goederen ( uitsluitbaar, meestal rivaliserend)
bv: schoenen, telefoon, enzovoort…
- semi-collectieve goederen ( uitsluitbaar, meestal niet zo rivaliserend)
bv: onderwijs, snelwegen
- collectieve goederen ( niet uitsluitbaar, meestal niet rivaliserend)
bv: dijk, straatverlichting, politie, brandweer, …
Collectieve goederen moeten gemaakt worden voor iedereen, dient voor iedereen.
vrije goederen: ( hiervoor moeten we niet betalen) bv: de zon
consumptie en productie
Consumptie = aanwending van economische goederen voor niet-productieve doeleinden
→besteding van inkomen
->Consumptiegoederen: geeft geld uit, voor eigen gebruik
Productie = scheppen van toegevoegde waarde
→verwerven van inkomen
→ door samenwerking van 3 productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal
kapitaal is u geld, alle materialen zoals machines, …
-> Productiegoederen: bv: een groot machine, tractor
de methoden binnen de economische wetenschap
inductieve methode = vertrekken vanuit verschillende feitelijke gegevens, bij voldoende
ervaring kan men dan een algemene wetmatigheid formuleren
deductieve methode = vanuit een algemeen beginsel, nieuwe besluiten afleiden
bv: het regent dus alles wat buiten ligt of is wordt nat
Best: combinatie van beide methoden gebruiken
,De ceteris-paribus clausule
-Er is slechts 1 variabele
-al het overige blijft gelijk oftewel: men veronderstelt dat alle andere factoren constant zijn
bv. P smartphones↑ => V ↓
-De prijs is variabel maar we houden constant:
mode/trends, inkomen, voorkeuren, prijs belminuten
Micro, meso, macro economie
•Micro: individuele consumenten en bedrijven ( kleinschalig budgetten)
•Meso: bedrijfstakken, regio’s ( bv heel Vlaanderen, of stuk van een bedrijf bestuderen)
•Macro: economie in zijn geheel, (inter)nationaal ( Heel Europa, grootschalig, verschillende
sectoren in een keer bestuderen)
, H1: CONSUMENTEN
1.1.Keuze optimale goederencombinatie
Zie sv aliha op papier
1.2.De prijsvraagcurve
= relatie tussen de prijs van 1 goed en de gevraagde hoeveelheid = de vraagcurve (ceteris
paribus!!)
->ceteris-paribus= het overig gelijk blijvend. Wanneer men de invloed van veranderingen in
één grootheid (de verklarende variabele) op één andere grootheid (de te verklaren
variabele) onderzoekt.
bv examenvraag: wat is de relatie tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid?
-als de prijs van een goed ↑, gaat men hier minder van vragen dwz de gevraagde
hoeveelheid ↓
= Dit is een negatief verband tussen prijs en de gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve heeft
dus een dalend verloop
-Vraagcurve heeft 2 lijnen: de P(prijs) en Q(vraag). Bij een lage prijs gaan er meer
consumenten zijn die het kopen. Vraagcurve is een negatief verloop. Werkt op verschillende
fases. Alle anderen dingen blijven vast bij een vraagcurve
-Afkortingen uitleg:
Q is de vraag, P de prijs
Qv is de gevraagde hoeveelheid
Vraagcurve is een negatief verloop
Hoe lager de prijs hoe meer consumenten iets gaan kopen.
-De vraagcurve:
- Dalend, altijd NEGATIEF VERLOOP
- als P hoog is → dan is V laag ( hoge prijs = minder kopen)
- als P laag is → dan is V hoog ( lage prijs = meer kopen)