Hoofdstuk 1: Fundamentele elementen van het economisch recht
1. De bronnen
Wetgeving
a. Nationale wetgeving
Federale wetten: WER, vennootschapswetgeving en burgerlijke wetboek
Regionale wetgeving
b. Het internationale recht
- Deze rechtstak wordt bepaald door het rechtskader van de Europese unie
- Regels van supranationale politieke instellingen => Het recht van de Europese Unie
(EU)
Richtlijnen:
Regelgeving die nationale overheid verplicht moet opnemen in wetgeving
Overheid krijgt hiervoor een bepaalde termijn
Vb: Richtlijn 2011/7/EU van het EP en de Raad betreffende de bestrijding van
betalingsachterstand bij handelstransacties.
Verordeningen:
Algemene en volledige reglementering
Rechtstreeks van toepassing in ALLE lidstaten
Vb: Verordening(EU) 2015/848 van het EP en de Raad betreffende insolventieprocedures
Besluiten
Regels toepasselijk op een welbepaalde bestemmeling (staten, ondernemingen, personen)
Vb: beschikking waarbij een dwangsom wordt opgelegd aan een welbepaalde lidstaat
wegens het overtreden van de kartelverboden.
c. Traditioneel internationaal recht: bi- of multilaterale verdragen
Rechtspraak
= Geheel van rechterlijke uitspraken (een beslissing van hoven en rechtbanken)
Toepassing van de wet op een concreet geval
In principe alleen bindend tussen partijen
In praktijk kan het inroepen van een vroegere rechterlijke beslissing wel invloed hebben op
de besluitvorming van de rechter
Voor dit vak zijn van belang de uitspraken van de ondernemingsrechtbank, de hoven van beroep en Hof
van Cassatie.
Rechtsleer
= Geheel van wetenschappelijke publicaties over juridische aangelegenheden(zaken)
Boeken en artikels in juridische tijdschriften (vb: het RW)
Niet bindend
Kan evenwel bijdragen tot het vinden van een juridische oplossing in een concreet geval
Gewoonte
Welbepaalde en herhaalde handelswijzen die als algemeen verbindend worden aanvaard.
Minder belangrijk als bron in ons rechtsstelsel
Voorbeeld: Vermoeden van passieve hoofdelijkheid tussen meerdere ondernemers die contractueel
verbonden zijn t.a.v. hun SE
,Hoofdstuk 2: ondernemingsbank (ART 573 Ger W)
Bestaan ondernemingsbank: 1 van de zichtbaarste uitingen van de specificiteit van het ondernemingsrecht
1) Samenstelling
= Er zijn 9 ondernemingsbanken met meerdere afdelingen vb. Antwerpen, Gent…
Elke kamer bestaat uit een
Een voorzitter
Twee lekenrechters = rechters in ondernemingszaken
Griffier
Soms in bepaalde gevallen: magistraat van het openbaar Ministerie
- Procureur des konings
- Substituten
2) Bevoegdheden
Ze zijn bevoegd voor alle geschillen tussen ondernemingen ART I. 1, 1° WER
Een niet-onderneming die een vordering tegen een onderneming instelt, kan die eveneens voor de
ondernemingsrechtbank brengen. Andersom kan dit NIET;
Wil een onderneming een procedure starten tegen een niet-onderneming, dan moet de zaak voor de
vrederechter of de rechtbank (burgerlijke rechtbank) van eerste aanleg gebracht worden
De ondernemingsrechtbank is ook bevoegd voor geschillen, zelfs als de partijen geen
ondernemingen zijn
Voorbeeld: geschillen tussen vennoten van een vennootschap, geschillen die ontstaan uit faillissement
Oefening 1: Dorien heeft een kapsalon “Hairpoint”, hetwelk zij als eenmanszaak uitbaat. De leverancier
van haar kappersproducten heeft Dorien al meermaals in gebreke gesteld voor de openstaande rekening
van 899,00€ die zij niet betaalt.
A. Welke rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van dit geschil en waarom?
De ondernemingsrechtbank is bevoegd: het gaat om een geschil tussen ondernemingen: De
ondernemingsrechtbank is een gespecialiseerde rechtbank. Zij neemt kennis van geschillen tussen
ondernemingen (art. 573 Ger. W.).
In deze oefening gaat het om een eenmanszaak die gedagvaard wordt door haar leverancier ( 2
ondernemingen)=> art. I.1.1° WER. + art. 573 Ger. W.
B. Kan Dorien in beroep gaan tegen deze beslissing? Zo ja, waar?
Beroep is niet mogelijk aangezien het bedrag van de vordering te laag is: vonnissen van de rechtbank van
eerste aanleg en de ondernemingsrechtbank die handelen over vorderingen die het bedrag van 2.500,00€
niet overschrijden worden in laatste aanleg gewezen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep (artikel 617
Ger. W.).
,Oefening 2: Mijn salon was aan vervanging toe dus ik kocht een lederen zetel bij Meubelplus te Beveren en
dit voor een prijs van 2.399,00€. Bij de aankoop betaalde ik reeds een voorschot van 700,00€. Bij de
levering gisteren ontvang ik de factuur voor het resterende bedrag. In de winkel leek de zetel perfect in
mijn interieur te passen maar eenmaal de zetel in huis valt de kleur mij toch tegen. Ik weiger dan ook om
het resterend saldo te betalen.
A. Voor welke rechtbank zal Meubelplus mij dagvaarden indien ik blijf weigeren om te betalen?
Het Vredegerecht is bevoegd: alle geschillen waarvan het bedrag niet hoger ligt dan 5.000,00€. Het gaat
hier om een onderneming die een niet- onderneming wil dagvaarden (art. 590 Ger. W.)
(een niet- onderneming kan door een onderneming niet voor de ondernemingsrechtbank worden
gedaagd)
B. Kan ik tegen deze beslissing in beroep gaan? Zo ja, waar?
Nee, hoger beroep is niet mogelijk: beslissingen van de vrederechter over vorderingen die het bedrag van
2.000,00€ niet overschrijden, worden in laatste aanleg gewezen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep. De
vordering is lager dan 2.000,00€ (m.n.: 2.399,00€ - 700,00€ EUR voorschot = 1.699,00€). (artikel 617 Ger.
W. p. 1989)
3) Procedure
De gewone procedure kent 3 kernmomenten
a. Dagvaarding = de eiser brengt de verweerder voor de bevoegde rechtbank
b. Openbare terechtzitting = de zaak pleiten
c. Vonnis = de rechter zijn oordeel velt over het geschil
OF eventueel verkorte en buitengewone procedures
Hoofdstuk 3: het bewijs in ondernemingsbanken
1) Algemene regels
Net als in de burgerlijke recht geldt het uitgangspunt
Degene die iets beweert, moet bewijs kunnen leveren
Verbintenissen uit overeenkomst met een waarde groter dan 375 euro enkel via schriftelijke
bewijzen
Materiële feiten mogen bewezen met getuigen en vermoedens
Ondernemingsrecht: bewijs veel soepeler en vrijer (art 8.11 nieuw BW):
Bewijs tussen of tegen ondernemingen: kan ook bewezen worden met getuigenissen en
vermoedens tenzij de wet anders bepaalt.
In sommige gevallen wel schriftelijk bewijs vereist, vb. m.b.t. het bestaan van een vennootschap
met rechtspersoonlijkheid
2) Bijzondere bewijsmiddelen
A) BOEKHOUDING
Art. III.82 WER:
“Elke onderneming moet een boekhouding voeren die past bij de aarde en de omvang van het bedrijf.”
Art. III.83 WER:
, “De boekhouding omvat al hun verrichtingen, bezittingen en rechten van welke aard ook, en hun
vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook.”
Boekhouding?
Voor het bedrijf: beleidsinstrument met tal van bedrijfsgeheimen
Juridisch: bijzonder bewijsmiddel
Bewijskracht van de boekhouding
Rechter oordeelt soeverein of hij boekhouding aanvaardt als bewijs
Onderscheid:
Voorbeeld links:
Als onderneming 1 aan onderneming 2 iets verkocht heeft, dan zouden in hun boekhoudingen dezelfde
gegevens moeten terug te vinden zijn
Voorbeeld rechts:
Zo kan de onderneming bv het bestaan van een schuld van de klant niet bewijzen doordat ze in haar
boekhouding een dergelijke vordering heeft opgenomen.
Procedureel gebruik van de boekhouding
Openlegging:
kennis geven van geheel of gedeelte van de boekhouding
tonen van relevante passages
kan op verzoek of ambtshalve worden bevolen
Splitsing: Boekhouding met niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst (artikel 8.11§3 nieuw
BW).
Voorbeeld: Als de rechtbank in een procedure een gerechtsdeskundige aanstelt zou ze meteen kunnen
bepalen dat de partij die haar boekhouding dient voor te leggen, die enkel aan de gerechtskundige moet
overmaken en niet aan de tegenpartij in de procedure.
B) FACTUUR
= geschreven stuk dat de bevestiging inhoudt van een schuldvordering in geld wegens de levering van
goederen of diensten
opgesteld door leverancier
bezorgd aan klant
vormvereisten en gebruik: nauwelijks geregeld door ondernemingsrecht, maar wel in de BTW-
wetgeving (cfr. Vermeldingen)