7 Ontwikkelingspsychologie als wetenschap
Ontwikkelingspsychologie
= het domein binnen de theoretische psychologie dat zich bezighoudt met de studie van de levensloop van de
mens en de veranderingen van alle psychische verschijnselen tussen de bevruchting en de dood.
psychopathologie:
- studie van ziekteverschijnselen in de psyche
pedagogiek:
- opvoedkunde
- pedagogische visie en visie op ontwikkeling beïnvloeden elkaar
orthopsychologie:
- kind heeft motorische/ mentale beperking
ontwikkelingsprincipes:
fase = in ontwikkeling zijn veel perioden (+ rustperioden)
- geheel van kwalitatieve veranderingen
- vaste volgorde
- specifieke mogelijkheden en kansen
- meer en duidelijke mogelijkheden
- eigen specifieke risico’s en moeilijkheden
- =/ tijd, verschilt voor iedereen
levenslang
belang van invalshoek
- niet iedereen gelooft in fasen
kritieke perioden: eigenschap kan ontwikkeld worden
gevoelige perioden: eigenschappen ontwikkeld door fasen waarin kind gevoelig is aan oefenkansen &
invloeden, kind kan later achterstand inhalen
nature-nurture: erfelijkheid & biologische rijpingsprocessen & invloed omgeving en leerprocessen
- maturatie = proces van rijping
- socialisatie = proces waarbij groep n&w doorgeeft aan nieuwe leden zodat deze aanvaardbaar kunnen
functioneren binnen de groep
- personalisatie = proces waarbij persoon ontwikkeld tot uniek individu
ontwikkelingsproblemen
retardatie: vertraagde ontwikkeling
fixatie: ontwikkeling kwam tot stilstand (O= niet krijgen van affectie, sterke frustraties, angst, onzekerheid,
ernstige ziekte)
regressie: terugval naar vroegere fase
visie
biologisch georiënteerde theorieën
- belang en invloed van erfelijkheid & constitutie op ontwikkeling
- ontvouwing van reeds in de kiem aanwezige, biologisch bepaalde, onveranderlijke predisposities
(ergens aanleg voor hebben)
- kritiek: tweelingonderzoek & stimuleringsprogramma’s -> lich ontplooiing = aanleg, rest mee beïnvloed
door milieu
milieu theorieën
- leertheorieën = stimulatie van buitenaf, begrijpen vanuit leerprocessen, training en conditionering, bep
denken en handelen
- sociaal-culturele theorieën = verklaren vanuit cultuur
interactionisme
= samenspel van aanleg, opvoeding en milieu en persoonlijk reageren op individuele vrijheid
Het belang van cijfers
Normaal verdeling
grote middengroep dezelfde score voor bep kenmerk, 2 ong even grote groepen halen een lagere en hogere
score, mediaan = gemiddelde
Spreiding/ verdeling
= hoe het kenmerk gespreid is over de bevolking
,Gemiddelde, modus, mediaan
percentiel/ cumulatief percentage
= % elke score + % lagere scores
percentiel = tov bevolkingsgroep
1 Emotionele ontwikkeling
Beschrijving van de structuur
hangt samen met sociale ontwikkeling -> socio-emotionele ontwikkeling
emo ontw (sociale omgeving & biologische bepalingen)
evolutie eigen emoties
zelfbewustzijn
- baby = opwinding door senso-motorische ervaringen door (on)lust
- 2 maand = stemmingen: opgeruimdheid & neerslagtigheid
- 3 maand = zintuigen ontwikkeld -> ontdekking buitenwereld , affectief leven lustvol gekleurd, 3 drijfveren
- genotsdrang: lust herhaald, onlust vermeden
- sensatiedrang: kijken en voelen
- activiteitsdrang: speldrang, nabootsingdrang
- 6 maand = willen meer bij anderen zijn -> gedifferentieerde gevoelens, kijken naar gelaatsuitdrukkingen
-> hersengolven zoals volwassenen
- 1 jaar = gevoelens uitdrukken via lichamelijkheid
- peuter = deelnemen aan sociale leven: meespelen met anderen -> differentiatie in gevoelens
-> zelfbewustzijn: affectie tonen & koppig, brutaal zijn
gevoelens = uitingen van wat zich in zijn omgeving voordoet
- kleuter
- ontwikkeling ik-beleven
onderscheid ‘ik’ en ‘niet-ik’
eigen bezit & eigen machtsgevoel
egocentrisme = ziet zichzelf als middelpunt
- uitbreiding sociale contacten & gevoelens
school = gedwongen om te leren omgaan met kinderen
kleuterleidster = gezaghebbend, hecht persoon
behoefte contact met leeftijdsgenoten
beginnend empatisch vermogen
- prestatiedrang en initiatiefname
3 a 4 jaar: prestatiegericht gedrag
meisje: goedkeuring & lof
jongen: prestaties
verwerven opgaven bewustzijn
- lagere schoolkind
eigen prestaties beoordelen
zelfwaardegevoel
vergelijking met anderen -> gevoelens over de ander
weinig diepgang
kan onderscheid maken tussen probleem- en emotiegerichte coping
- emotionele zelfregulatie: strategieën die we gebruiken om onze emoties aan te passen tot een
comfortabele intensiteit zodat we onze doelen kunnen bereiken
- hersenontw: prefrontale hersenschors
strategie vd kleuter = iets anders doen = andere gevoelens
, lagere school kind: probleem aanpakken of emoties mogen ervaren
12j = synaptische groei (= groei in hersenen) (synaptogenese): prefrontale zone
17j = synaptogenese: temporale zone
inzicht emoties van anderen
- temperament
hoe hevig de prikkels van binnen & buitenuit zijn & hoe hevig we daarmee omgaan, hoe hevig we
emoties voelen en erop reageren
- social referencing = doelbewust zoeken naar info over de gevoelens van de ander om onduidelijke
omstandigheden en gebeurtenissen te kunnen plaatsen
dezelfde emotie ervaren of enkel nodige info haalt?
- empathie = emotionele respons die correspondeert met de gevoelens van een andere persoon
empathic distress = getuigen van situatie ervaart zelf gevoel van onbehagen
baby’s -> iemand in buurt negatieve gevoelens = zelf ook ervaren, rea is op eigen gevoel =/ emotionele
respons tav ander
2j = eerste sporen empathie
temperament is bepalende factor
- spiegelneuronen
= lichten op bij het zien van actie alsof ze zelf de actie verrichten
emoties anderen in onze geest weerspiegelen
- theory of mind and role-taking
theory of mind = besef dat anderen anders kunnen denken dan jij -> stelt je in staat om te anticiperen op
het gedrag en gevoelens van de ander, je weet dat anderen andere kijk hebben.
role-taking theory = kennen van interne factoren die het gedrag bepalen, fases in ontwikkeling richting
theory of mind.
1. egocentrische/ ongedifferentieerd perspectief: bewust andere perspectief (egoïstisch)
2. informationeel perspectief: denken dat andere perspectieven komen door andere info
3. zelf-reflectief perspectief: bewust van andere perspectieven met dezelfde info
4. mutueel perspectief: perspectief van 3 partijen zien & weten hoe ieder op de ander zijn
perspectief zal reageren
5. sociaal perspectief: + standpunt vergelijken met dat van een sociaal systeem waarin men
functioneert
- emotion understanding
nodig om te ontw tot evenwichtig emotioneel iemand
problematisch internetgebruik & excessief smartphonegebruik = verminderde herkenning van
gezichtsuitdrukkingen en veranderingen in hersennetwerken betrokken bij sociale cognitie
wijze waarop verzorger sensitief omgaat met baby is heel stimulerend om emo te begrijpen
doelgericht gedrag -> emoties hangen samen met doelen (frustraties)
emoties situatiegebonden
3 fasen
1. nadruk op emoties zoals ze in publiek getoond worden en omstandigheden waarin ze
plaatsvinden
2. mentale structuur van emoties: belang van wat met wenst en wat men geloof over die wensen,
onderscheid tussen de echte emoties en diegene die men uitdrukt (binnen en buitenkant)
3. vanuit andere positie kijken = anders denken & voelen
Freud: lust en onlust
het onbewuste geleerd door driften
= biochemische processen die een spanning opwekken in bepaalde lichaamsdelen
- seksuele driften: 3 zones: oraal, anaal, genitaal
drijvende krachten in onbewuste ‘es’
- doodsdrift
- verlangen naar stabiele anorganische toestand van absolute rust
- destructie, agressie, ontbinding
- levensdrift = libido
- behoud van bestaande vitale eenheden en opbouw van steeds grotere gehelen
- liefde, tederheid, verbinding
dynamiek van de persoonlijkheidsstructuur
primaire driften = driften van baby’s, lust en onlust
realiteitsprincipe = baby raakt gefrustreerd door: verzorger niet steeds beschikbaar/ onthoudt van bevrediging