Werkgroep 1
Open vragen
1. Het gaat tussen de staten onderling en niet burgers als individueel.
2. A: De staat is het hoogste gezag. Zij mogen ook zelf hun beslissingen nemen. De
staten onderling zijn gelijk aan elkaar.
B: Bij de alfabetische inhoud de H zoeken.
C: 1, 4, 7
D: De staten kunnen niet alles doen wat ze willen. Ze mogen bijv geen geweld
gebruiken. Er wordt ook soevereiniteit afgedragen aan bijv de Europese Unie, als
een staat besluit mee te doen.
3. Internationale rechtsorde heeft horizontale rechtsgemeenschap en heeft ook
geen rechterlijke en uitvoerende macht. Er is ook geen verplichte onderwerping
aan de rechtspraak en geen feitelijke afdwingbaarheid van rechterlijke
beslissingen.
Nationale wetgeving werkt gelijk door in Nederland. Internationale verdragen
werken alleen door als het eenieder verbindende bepaling is.
4. A: Dat internationale regels uit een verdrag ook gelden in de nationale
rechtsorde.
B: Bij monisme is het internationaal recht automatisch een deel van het nationaal
recht. Bij dualisme moet het internationaal recht eerst omgezet worden via een
aparte wet om naar het nationaal recht te kunnen gaan.
C: Staten mogen zelf een keuze maken.
D: Als burger kun je rechtstreeks bij je nationale rechter een beroep doen op een
internationale bepaling (rechtstreekse beroep) als het eenieder verbindend is.
5. A: Het tabje Grondwet openslaan en kijken waar de Grondwet staat.
B: 5
C: Art 90-97, 100
D: Art 94: een internationale bepaling gaat voor de nationale bepaling indien
deze eenieder verbindend is.
Eenieder verbindend:
- concreet
- duidelijkheid
- direct toepasbaar
- geen nadere regelgeving vereist
- relevantie? Vooral mensenrechtenbepalingen
Meerkeuzevragen
1. D (de andere 3 zijn internationaal privaatrecht)
2. D (de andere 3 zijn omschrijvingen van internationaal publiekrecht)
3. C
4. C
, Werkgroep 2
Open vragen
1. A: Een bron waarin regels van internationaal recht te vinden zijn.
B: Art 38 lid 1 Statuut IGH
C: Zodat duidelijk is welke bronnen van internationaal recht het IGH kan gebruiken
om geschillen tussen staten op te lossen
D: internationale verdragen: een overeenkomst tussen twee of meerdere staten
internationale gewoonte: een als recht aanvaarde algemene gewoonte
algemene rechtsbeginselen: toepassen van redelijkheid en billijkheid en goede
trouw
rechterlijke beslissingen: uitspraken van rechters
doctrine: opvattingen van bevoegde schrijvers
E: besluiten van internationale organisaties: verordeningen of richtlijnen van de EU,
vb: besluit van de VN: de veiligheidsraad mag beslissen wanneer geweld gebruikt
kan worden
eenzijdige handelingen: als staten zelf iets zeggen, vb: nucleaire experimenten van
Frankrijk
ius cogens: dwingend recht, niemand mag ervan afwijken
2. A: een internationaal gebruik als blijk van een als recht aanvaarde algemene
gewoonte. Verbod van gebruik van geweld
B: als recht aanvaard (opinio iuris sive necessitatis: psychologisch element) en
algemene praktijk (usus: materieel element)
C: de overtuiging hoort bij opinio iuris, en niet bij het materieel element
D: het gewoonterecht vastleggen in verdragen, vb: art. 2 lid 4 VN Handvest (het
geweldsverbod)
E: Staten die een verdrag waarin gewoonterechtelijke regels worden gecodificeerd
niet hebben geratificeerd zijn toch gebonden aan die gewoonterechtelijke regels
3. A: VN kan besluiten om militair in te grijpen via resoluties, op grond van art. 42 VN-
Handvest, of: richtlijnen van de EU
B: uit deze besluiten kunnen nieuwe internationale rechtsregels voortvloeien
4. A: dwingende internationale normen waar niet van mag worden afgeweken, art. 53
WVV
B: het verbod van agressie, slavernij, genocide en rassendiscriminatie
C: Soevereiniteit betekent dat een staat het hoogste gezag heeft binnen eigen
grenzen, maar het wordt deels doorbroken door ius cogens, want een staat mag hier
nooit van afwijken. Ook niet door een nieuw verdrag te sluiten waarin andere
normen zijn vastgelegd of door te proberen een nieuwe statenpraktijk te
ontwikkelen. Ook binnen de nationale rechtsorde mag een staat niet afwijken van ius
cogens.
Verdragen zijn grotendeels de codificatie van gewoonterecht, dus grotendeels kan je het
gewoonterecht in verdragen terugvinden. Rechters pakken in jurisprudentie vaak de
verdragen erbij.
Meerkeuze
1. A
Open vragen
1. Het gaat tussen de staten onderling en niet burgers als individueel.
2. A: De staat is het hoogste gezag. Zij mogen ook zelf hun beslissingen nemen. De
staten onderling zijn gelijk aan elkaar.
B: Bij de alfabetische inhoud de H zoeken.
C: 1, 4, 7
D: De staten kunnen niet alles doen wat ze willen. Ze mogen bijv geen geweld
gebruiken. Er wordt ook soevereiniteit afgedragen aan bijv de Europese Unie, als
een staat besluit mee te doen.
3. Internationale rechtsorde heeft horizontale rechtsgemeenschap en heeft ook
geen rechterlijke en uitvoerende macht. Er is ook geen verplichte onderwerping
aan de rechtspraak en geen feitelijke afdwingbaarheid van rechterlijke
beslissingen.
Nationale wetgeving werkt gelijk door in Nederland. Internationale verdragen
werken alleen door als het eenieder verbindende bepaling is.
4. A: Dat internationale regels uit een verdrag ook gelden in de nationale
rechtsorde.
B: Bij monisme is het internationaal recht automatisch een deel van het nationaal
recht. Bij dualisme moet het internationaal recht eerst omgezet worden via een
aparte wet om naar het nationaal recht te kunnen gaan.
C: Staten mogen zelf een keuze maken.
D: Als burger kun je rechtstreeks bij je nationale rechter een beroep doen op een
internationale bepaling (rechtstreekse beroep) als het eenieder verbindend is.
5. A: Het tabje Grondwet openslaan en kijken waar de Grondwet staat.
B: 5
C: Art 90-97, 100
D: Art 94: een internationale bepaling gaat voor de nationale bepaling indien
deze eenieder verbindend is.
Eenieder verbindend:
- concreet
- duidelijkheid
- direct toepasbaar
- geen nadere regelgeving vereist
- relevantie? Vooral mensenrechtenbepalingen
Meerkeuzevragen
1. D (de andere 3 zijn internationaal privaatrecht)
2. D (de andere 3 zijn omschrijvingen van internationaal publiekrecht)
3. C
4. C
, Werkgroep 2
Open vragen
1. A: Een bron waarin regels van internationaal recht te vinden zijn.
B: Art 38 lid 1 Statuut IGH
C: Zodat duidelijk is welke bronnen van internationaal recht het IGH kan gebruiken
om geschillen tussen staten op te lossen
D: internationale verdragen: een overeenkomst tussen twee of meerdere staten
internationale gewoonte: een als recht aanvaarde algemene gewoonte
algemene rechtsbeginselen: toepassen van redelijkheid en billijkheid en goede
trouw
rechterlijke beslissingen: uitspraken van rechters
doctrine: opvattingen van bevoegde schrijvers
E: besluiten van internationale organisaties: verordeningen of richtlijnen van de EU,
vb: besluit van de VN: de veiligheidsraad mag beslissen wanneer geweld gebruikt
kan worden
eenzijdige handelingen: als staten zelf iets zeggen, vb: nucleaire experimenten van
Frankrijk
ius cogens: dwingend recht, niemand mag ervan afwijken
2. A: een internationaal gebruik als blijk van een als recht aanvaarde algemene
gewoonte. Verbod van gebruik van geweld
B: als recht aanvaard (opinio iuris sive necessitatis: psychologisch element) en
algemene praktijk (usus: materieel element)
C: de overtuiging hoort bij opinio iuris, en niet bij het materieel element
D: het gewoonterecht vastleggen in verdragen, vb: art. 2 lid 4 VN Handvest (het
geweldsverbod)
E: Staten die een verdrag waarin gewoonterechtelijke regels worden gecodificeerd
niet hebben geratificeerd zijn toch gebonden aan die gewoonterechtelijke regels
3. A: VN kan besluiten om militair in te grijpen via resoluties, op grond van art. 42 VN-
Handvest, of: richtlijnen van de EU
B: uit deze besluiten kunnen nieuwe internationale rechtsregels voortvloeien
4. A: dwingende internationale normen waar niet van mag worden afgeweken, art. 53
WVV
B: het verbod van agressie, slavernij, genocide en rassendiscriminatie
C: Soevereiniteit betekent dat een staat het hoogste gezag heeft binnen eigen
grenzen, maar het wordt deels doorbroken door ius cogens, want een staat mag hier
nooit van afwijken. Ook niet door een nieuw verdrag te sluiten waarin andere
normen zijn vastgelegd of door te proberen een nieuwe statenpraktijk te
ontwikkelen. Ook binnen de nationale rechtsorde mag een staat niet afwijken van ius
cogens.
Verdragen zijn grotendeels de codificatie van gewoonterecht, dus grotendeels kan je het
gewoonterecht in verdragen terugvinden. Rechters pakken in jurisprudentie vaak de
verdragen erbij.
Meerkeuze
1. A