0. Inleiding
Slides op voorhand gegeven; geen negatief effect mensen naar colleges
komen
Wel negatief effect: hoe goed doen op examen -> hebben van slides:
passiever in college indien geen slides nota’s maken = actief -> al aan
het leren + opslaan
Ofwel typen via laptop ofwel schrijven met de hand
- Laptop: neiging alles te typen wat je hoort; zonder eigenlijk op te
letten
- Schrijven: je kan niet alles schrijven wat je hoort -> verplicht te
luisteren
Schrijven is beter voor conceptuele inhoudelijke vragen dan
laptop
Computers hebben nadeel: - effect op examenresultaten
Je gaat gaan multitasken (mail checken, instagram,…) ook effect
buren (gaan meekijken, zijn afgeleid)
Komen naar les >> lesopnames: studies
Komen = betere resultaten: corrationeel (niet experimenteel), het
compenseert achteraf ook niet met de lesopname te bekijken
In les: structuur, ritme, betrokkenheid, geen uitstelgedrag
Lesopnames -> aanwezigheid daalt -> resultaten dalen
Moeten kritisch kijken: mss waren de studenten gewoon dommer
Dichtbij prof zitten (vanvoor) -> resultaten verbeteren, want let
beter op
Hoofdstuk 1: Psychologie als wetenschap
1.1 Wat is psychologie, en wat niet? Soorten psychologen
Psychologie = achterhalen wat nu werkelijk klopt en wetmatigheden van
menselijk gedrag
Psychologie nog verder definieerd + SOR = wetenschap v mentale
processen + gedrag + factoren (interne/externe) die gedrag beïnvloeden
! Mensen hebben allerlei soorten intuïties over het menselijk gedrag en de
‘waarom vh gedrag’ => SOR
- S -> situaties of stimuli
- O -> organisme dat dat remedieert (mentale processen)
- R -> respons, gedrag
NIET: niet louter speculeren/uitspraken doen over menselijk gedrag/natuur
NIET: een verzameling volkswijsheden over gedrag waarvan iedereen
“weet” dat ze juist zijn (gezagsargumenten/volkswijsheden)
1
, Wetmatigheden moeten getoetst worden
Confrontatie: theorieën, hypothese, data empirische
NIET: grotendeels bezig met psychische problemen + behandelingen ze
zijn er wel mee bezig maar is niet de essentie zoals bij wetenschap
Psychologie ≠ psychiatrie (afwijkingen/problemen)
PSEUDOWETENSCHAP: fenomenen uit natuurlijke wereld verklaren die niet
gebaseerd zijn op empirische observaties of op de wetenschappelijke
methode
- Psychologie betwist ongefundeerde uitspraken van
pseudowetenschappelijke aard (flair, dag allemaal)
Wat doen psychologen?
2 groepen: fundamentele psychologie / toegepaste psychologie
Fundamenteel of onderzoekspsychologen
o Onderzoek voeren over brede domein psychologie
o Bedrijven/overheid
o Les hogeschool/universiteit
Toegepaste psychologie (grootste groep)
o De kennis uit fundamentele psychologie gebruiken om
“problemen” op te lossen. Kunnen aan het werk zijn in:
Arbeid & organisatie (optimaal presteren), school (CLB,
leer- & ontwikkelingsstoornissen), sport (ondersteunen),
gezondheid (gezond gedrag bevorderen), klinisch
(diagnosticeren), forensische (justitie)
Klinisch psycholoog is NIET hetzelfde als psychiater -> verschillen (4)
Bij ADHD: 1ste keuze normaal gezien psychotherapie, maar in de
praktijk krijgen patiënten vaak eerst medicatie want die w
terugbetaald; therapie niet -> ☹
Sommige psychiaters zijn ook psychotherapeuten.
Psychiaters richten zich vooral op ernstige stoornissen, terwijl
2
, klinisch psychologen meestal werken met minder ernstige mentale
problemen.
1.2 Methoden van onderzoek in de psychologie
Hoe wetenschappelijke kennis krijgen over menselijk gedrag en mentale
processen?
Experiment: 2 tafels (vierhoeken zijn identiek aan elkaar)
- Indruk: lijken verschillend
- Zintuigen (perceptie) bedriegen, niet voort op indruk; subjectieve
Pseudowetenschap gebruik maken van wetenschappelijke
methoden om indrukken (kunnen bedrog zijn) die je hebt te
staven en te toetsen
Psychologen gebruiken wetenschappelijke methoden om nieuwe ideeën
empirisch te testen
Hoe verwerven psychologen nieuwe kennis?
- Empirisch onderzoek = een onderzoeksbenadering die steunt op
directe of indirecte waarnemingen (observaties) als
onderzoeksgegevens
o Onderzoeksgegevens = cruciale data
Meten (soms via instrumenten)
Reactietijden van mensen, gedrag via video
registreren uit werkelijkheid
≠ Speculaties
≠ gezagsargumenten
- Door gebruik te maken van wetenschappelijke methoden
o = een 5-stapsproces voor empirisch onderzoek v/e
hypothese (een idee over verklaring – mechanisme) in
omstandigheden, ontwikkeld om vertekening en vooroordelen
uit te sluiten
- Doel: ontwikkelen/evalueren van omvattende verklaringen voor
gedrag en mentale processen = wetenschappelijke theorieën
o Niet uitspraken waarvan we zeker zijn dat onomstotelijk waar
zijn maar uitspraken getoetst en niet weerlegt
5-stapsproces vd wetenschappelijke methode (of theorietoetsing):
1) Hypothese ontwikkelen
o Uit grotere theorie afgeleid (Freud) of toevallige observatie/
adhv casus
o Een uitspraak die bepaalde wetmatigheid over gedrag
beschrijft (bv. Angst leidt tot contact zoeken)
3
, o Hypothese moet toetsbaar zijn, zo formuleren zodat ze
tegengesproken kan worden, zodat je ze kan weerleggen,
falsifieerbaar is, getest kan w
Als dit NIET kan, dan niet wetenschappelijk
2) Specifieke voorspelling
o = ‘wat zou moeten gebeuren in een specifieke situatie’
o Operationalisering = Vertaling van hypothese in specifieke
voorspelling, met bepaling van exacte procedures om
experimentele condities en metingen van resultaten vast te
leggen (wat zou moeten gebeuren)
Hypothese: angst samenhang met mensen contact
zoeken?
Mensen in bepaalde ruimte zetten in groep 1
groep angstig maken andere groep niet camera
kijken of bange groep dichter bij elkaar kruipt
o Onafhankelijke variabele = de variabele die door de
onderzoeker gemanipuleerd wordt (hier: mensen angstig
maken of niet)
o OOK zorgen dat wat je wilt verklaren dat dat door niks anders
w bepaald
=> Controle + randomisatie
Zoveel mogelijk andere factoren constant houden (mss
geslachtsverschil)
Toevallige toewijzing (randomisatie)
Kijken of experiment uitkomt (voorspelling), om experiment uit te
voeren, data verzamelen
3) Objectieve data verzamelen
o Gegevens (data) = informatie verzameld door de onderzoeker
voor het testen van de hypothese
o Afhankelijke variabele = het gemeten resultaat v/e studie; de
responsen van deelnemers in een studie (hier: hoe dicht
deelnemers bij andere gaan zitten)
4) Analyseren van de resultaten
o Gebaseerd op statistische analyse vd resultaten: aanhouden of
verwerpen vd hypothese
Kan puur toeval zijn? Is het effect “significant”?
o Bepalen of effect v onafh. variabele op afh. variabele
significant is? Of betekenisvol is?
o Menselijk gedrag neiging om heel variabel te zijn elke mens
gedraagt zich anders ZOVEEL factoren die menselijk gedrag
mee bepalen
o Psychologen veel statistiek nodig
5) Publiceren, bekritiseren, en repliceren van de resultaten
o Voor een officieel besluit nakijken/”toets” door collega-
onderzoekers (peer review)
Verfijnen, weerleggen
Meer dan 1 voorspelling maken met 1 hypothese
Verschillende voorspellingen te toetsen vooraleer
besluit hypothese opgaat
4