Stabiliteit en verandering
-waardeketen:
-een bedrijf is omringd door een set van relaties (supply side, demand side) en door
verschillende omgevingen (demographic, cultural, political, environmental, economic,
technological forces)
-multinationale onderneming: elk bedrijf dat productieve activiteiten in twee of meer landen heeft
→ sinds 1960: toename niet-amerikaanse multinationals + toename mini-multinationals
→ born globals: bedrijven die vanaf hun oprichting gericht zijn op internationale markten
en binnen korte tijd een aanzienlijk deel van hun omzet uit het buitenland halen
→ MNO’s uit opkomende markten: oorsprong in opkomende economieën en internationaal
opereren door middel van export, buitenlandse investeringen of vestigingen in meerdere
landen
-redenen internationaliseren:
-markt-zoekend: globalisering van markten
→ exploreren en ontdekken nieuwe marktopportuniteiten
→ volgen van klanten
-grondstof-zoekend: globalisering van productie
→ beheren factorgedreven locatievoordelen
→ beheren vraaggedreven locatievoordelen
-gebruik maken van het globale netwerk: globalisering van zowel markten als productie
→ wereldwijde ervaring
→ schaalvoordelen in productie, logistiek, marketing, aankoop, technologie
→ mobiliteit van productie
→ verlagen risico
→ differentiëren van producten
⇒ risico internationaliseren: aansprakelijkheid van buitenlands karakter
→ toegang krijgen tot internationale markten
,-internationale markttoegang: een institutionele regeling die de toegang van de producten,
diensten, technologie, menselijke vaardigheden, management of andere middelen van een
bedrijf tot een vreemd land mogelijk maakt
→ beoordeling toetredingsstrategieën:
→ beïnvloeden van toedredingskeuze:
-verschillende factoren: transportkosten, handelsbelemmeringen, politieke risico’s,
economische risico’s, stevige strategie
-invoerbelastingen
-inetrnationaliseringstheorie: Dunning’s eclectisch paradigma (OLI)
Example: Tesla
-globalisering: de verschuiving naar een meer geïntegreerde en onderling afhankelijke
wereldeconomie (van markten en producten)
→ dimensies: internationale economie (internationale markten + productiesystemen), politiek
(einde natiestaat), cultuur (wereld ‘zonder grenzen’)
,-de wereld verandert van onafhankelijke, nationale economieën naar een onderling afhankelijke,
geïntegreerd internationaal economisch systeem
→ creëerde ongekende groei en welvaartstoename + afnemende handels-en
investeringsbelemmeringen
-externe schokken veroorzaken onzekerheid en stoppen handel en investeringen
-effecten schokken beperken:
-pogingen om de omgeving te reguleren, om onzekerheid te vermijden
-internationale omgeving: relaties tussen landen met verschillende belangen (vb. Brexit)
-stabiliteit creëren voor bedrijfsleven → relaties tussen landen reguleren → instellingen en
statuten (vb. EU)
-coördinatiemogelijkheden diverse nationale belangen (relaties tussen 3 of meer staten te
coördineren):
-Multilateralisme: coördineert de relaties tussen staten op basis van algemene
gedragsprincipes, d.w.z. principes die geschikt gedrag voor een klasse van actie
specificeren zonder rekening te houden met de particuliere belangen van de partijen, of de
strategische behoeften die in een specifieke situatie kunnen voorkomen (regels) =
betrouwbaar
-Bilateralisme: onderscheidt relaties per geval op basis van a priori particularistische gronden
of situationele behoeften
-Unilateralisme: coördineert de relaties tussen staten door de soevereiniteit van de
betreffende staten te ontkennen
-verschillen tussen landen:
-cultuur: collectieve programmering van geest die de leden van een groep of categorie
mensen van een andere onderscheidt + patronen van gedacht, gevoelens,
gedragingen, symbolen,... die terugkomen in een groep, betekenis geven aan
acties, gedragingen en interpretaties geven van situaties voor mensen + openbaar
gedeeld en geaccepteerd door een bepaalde groep op een bepaald moment,
waarbij leden samen worden gehouden + ‘vanzelfsprekende’ overtuigingen en
praktijken
-culturele dimensies:
→ individualisme vs. collectivisme: iedereen voor zichzelf/groepsbelang primeert
→ machtsafstand: relatie met autoriteit: acceptatie dat macht onveen verdeeld is
→ onzekerheidsvermijding: bedreigd voelen door onzekerheid (regel-oriëntatie)
→ masculiniteit vs. feminiteit: verdiensten, erkenning, vooruitgang, uitdaging vs.
goede werkrelaties, samenwerking
→ tijdsoriëntatie: langetermijndenken vs. korte-termijndenken
-determinanten (factor die uitkomst proces beïnvloed) cultuur:
⇒ systeem normen en waarden:
-onderwijs, taal, religie
-politieke filosofie: fundamentele vragen over macht, rechtvaardigheid, vrijheid,
rechten en de ideale inrichting van de samenleving en overheid
-economische filosofie: fundamentele principes, waarden en aannames achter
economische systemen, beleid en menselijk economisch gedrag
, -sociale structuur: geordende geheel van sociale relaties, instituties en
hiërarchieën die de interacties en rollen binnen een samenleving bepalen
-economische ontwikkeling: bruto nationaal inkomen (BNI): meet totale jaarlijkse inkomen die
inwoners van een natie ontvangen (pp) + bruto binnenlands product (BBP): waarde van alle
goederen en diensten geproduceerd in een land (houdt geen rekening verschillen in kosten
van levensonderhoud, transacties met zwarte economieën, economische groeicijfers)
-politieke economie: hoe de politieke, economische en juridische systemen van een
land van elkaar afhankelijk zijn → beïnvloeden elkaar + beïnvloeden niveau economisch
welzijn
→ evaluatie aantrekkelijkheid landen: -voordelen: grootte economie, mogelijke groei
-kosten: corrupte, gebrek, infrastructuur, legale kost
-risico’s: politiek (sociale onrust, anti-bedrijven
trends), economisch (economische
mismanagement), juridisch (mislukte bescherming
van eigendomsrechten)
-overheidsinterventies in markten:
-tarieven: belastingen op invoer die de kosten van geïmporteerde producten ten opzichte van
binnenlandse producten effectief verhogen
-specifieke tarieven: geheven als vast bedrag voor elke ingevoerd eenheid van een
goed
-ad valorem-tarieven: geheven als een deel van de waarde van het geïmporteerde
goed
→ overheidsinkomsten verhogen, consumenten dwingen meer te betalen voor bepaalde
invoer, pro-producent + anti-consument, algehele efficiëntie van de wereldeconomie
-subsidies: overheidsbetalingen aan binnenlandse producenten
-helpen binnenlands producenten om te concurreren met goedkope buitenlandse import
-helpen binnenlandse producenten om exportmarkten te verkennen
→ consumenten nemen doorgaans de kosten van subsidies op zich
-invoerquota: beperken hoeveelheden van sommige goederen die in een land kunnen
worden geïmporteerd
-tariff rate quotas: hybride van een quotum en een tarief waarbij een lager tarief wordt
toegepast op de invoer binnen het quotum dan op die boven het quotum
-waardeketen:
-een bedrijf is omringd door een set van relaties (supply side, demand side) en door
verschillende omgevingen (demographic, cultural, political, environmental, economic,
technological forces)
-multinationale onderneming: elk bedrijf dat productieve activiteiten in twee of meer landen heeft
→ sinds 1960: toename niet-amerikaanse multinationals + toename mini-multinationals
→ born globals: bedrijven die vanaf hun oprichting gericht zijn op internationale markten
en binnen korte tijd een aanzienlijk deel van hun omzet uit het buitenland halen
→ MNO’s uit opkomende markten: oorsprong in opkomende economieën en internationaal
opereren door middel van export, buitenlandse investeringen of vestigingen in meerdere
landen
-redenen internationaliseren:
-markt-zoekend: globalisering van markten
→ exploreren en ontdekken nieuwe marktopportuniteiten
→ volgen van klanten
-grondstof-zoekend: globalisering van productie
→ beheren factorgedreven locatievoordelen
→ beheren vraaggedreven locatievoordelen
-gebruik maken van het globale netwerk: globalisering van zowel markten als productie
→ wereldwijde ervaring
→ schaalvoordelen in productie, logistiek, marketing, aankoop, technologie
→ mobiliteit van productie
→ verlagen risico
→ differentiëren van producten
⇒ risico internationaliseren: aansprakelijkheid van buitenlands karakter
→ toegang krijgen tot internationale markten
,-internationale markttoegang: een institutionele regeling die de toegang van de producten,
diensten, technologie, menselijke vaardigheden, management of andere middelen van een
bedrijf tot een vreemd land mogelijk maakt
→ beoordeling toetredingsstrategieën:
→ beïnvloeden van toedredingskeuze:
-verschillende factoren: transportkosten, handelsbelemmeringen, politieke risico’s,
economische risico’s, stevige strategie
-invoerbelastingen
-inetrnationaliseringstheorie: Dunning’s eclectisch paradigma (OLI)
Example: Tesla
-globalisering: de verschuiving naar een meer geïntegreerde en onderling afhankelijke
wereldeconomie (van markten en producten)
→ dimensies: internationale economie (internationale markten + productiesystemen), politiek
(einde natiestaat), cultuur (wereld ‘zonder grenzen’)
,-de wereld verandert van onafhankelijke, nationale economieën naar een onderling afhankelijke,
geïntegreerd internationaal economisch systeem
→ creëerde ongekende groei en welvaartstoename + afnemende handels-en
investeringsbelemmeringen
-externe schokken veroorzaken onzekerheid en stoppen handel en investeringen
-effecten schokken beperken:
-pogingen om de omgeving te reguleren, om onzekerheid te vermijden
-internationale omgeving: relaties tussen landen met verschillende belangen (vb. Brexit)
-stabiliteit creëren voor bedrijfsleven → relaties tussen landen reguleren → instellingen en
statuten (vb. EU)
-coördinatiemogelijkheden diverse nationale belangen (relaties tussen 3 of meer staten te
coördineren):
-Multilateralisme: coördineert de relaties tussen staten op basis van algemene
gedragsprincipes, d.w.z. principes die geschikt gedrag voor een klasse van actie
specificeren zonder rekening te houden met de particuliere belangen van de partijen, of de
strategische behoeften die in een specifieke situatie kunnen voorkomen (regels) =
betrouwbaar
-Bilateralisme: onderscheidt relaties per geval op basis van a priori particularistische gronden
of situationele behoeften
-Unilateralisme: coördineert de relaties tussen staten door de soevereiniteit van de
betreffende staten te ontkennen
-verschillen tussen landen:
-cultuur: collectieve programmering van geest die de leden van een groep of categorie
mensen van een andere onderscheidt + patronen van gedacht, gevoelens,
gedragingen, symbolen,... die terugkomen in een groep, betekenis geven aan
acties, gedragingen en interpretaties geven van situaties voor mensen + openbaar
gedeeld en geaccepteerd door een bepaalde groep op een bepaald moment,
waarbij leden samen worden gehouden + ‘vanzelfsprekende’ overtuigingen en
praktijken
-culturele dimensies:
→ individualisme vs. collectivisme: iedereen voor zichzelf/groepsbelang primeert
→ machtsafstand: relatie met autoriteit: acceptatie dat macht onveen verdeeld is
→ onzekerheidsvermijding: bedreigd voelen door onzekerheid (regel-oriëntatie)
→ masculiniteit vs. feminiteit: verdiensten, erkenning, vooruitgang, uitdaging vs.
goede werkrelaties, samenwerking
→ tijdsoriëntatie: langetermijndenken vs. korte-termijndenken
-determinanten (factor die uitkomst proces beïnvloed) cultuur:
⇒ systeem normen en waarden:
-onderwijs, taal, religie
-politieke filosofie: fundamentele vragen over macht, rechtvaardigheid, vrijheid,
rechten en de ideale inrichting van de samenleving en overheid
-economische filosofie: fundamentele principes, waarden en aannames achter
economische systemen, beleid en menselijk economisch gedrag
, -sociale structuur: geordende geheel van sociale relaties, instituties en
hiërarchieën die de interacties en rollen binnen een samenleving bepalen
-economische ontwikkeling: bruto nationaal inkomen (BNI): meet totale jaarlijkse inkomen die
inwoners van een natie ontvangen (pp) + bruto binnenlands product (BBP): waarde van alle
goederen en diensten geproduceerd in een land (houdt geen rekening verschillen in kosten
van levensonderhoud, transacties met zwarte economieën, economische groeicijfers)
-politieke economie: hoe de politieke, economische en juridische systemen van een
land van elkaar afhankelijk zijn → beïnvloeden elkaar + beïnvloeden niveau economisch
welzijn
→ evaluatie aantrekkelijkheid landen: -voordelen: grootte economie, mogelijke groei
-kosten: corrupte, gebrek, infrastructuur, legale kost
-risico’s: politiek (sociale onrust, anti-bedrijven
trends), economisch (economische
mismanagement), juridisch (mislukte bescherming
van eigendomsrechten)
-overheidsinterventies in markten:
-tarieven: belastingen op invoer die de kosten van geïmporteerde producten ten opzichte van
binnenlandse producten effectief verhogen
-specifieke tarieven: geheven als vast bedrag voor elke ingevoerd eenheid van een
goed
-ad valorem-tarieven: geheven als een deel van de waarde van het geïmporteerde
goed
→ overheidsinkomsten verhogen, consumenten dwingen meer te betalen voor bepaalde
invoer, pro-producent + anti-consument, algehele efficiëntie van de wereldeconomie
-subsidies: overheidsbetalingen aan binnenlandse producenten
-helpen binnenlands producenten om te concurreren met goedkope buitenlandse import
-helpen binnenlandse producenten om exportmarkten te verkennen
→ consumenten nemen doorgaans de kosten van subsidies op zich
-invoerquota: beperken hoeveelheden van sommige goederen die in een land kunnen
worden geïmporteerd
-tariff rate quotas: hybride van een quotum en een tarief waarbij een lager tarief wordt
toegepast op de invoer binnen het quotum dan op die boven het quotum