H11: Nietzsche, filosoof met de hamer
: Het postmodernisme
1. Situering
Friedrich Nietzsche (1844-1900), een visionair denker die het
doembeeld van de utilitaristische en positivistische mens schets in een
door het christendom en consumentisme verziekte cultuur. Met zijn hamer
haalt hij heel wat heilige huisjes van de filosofie naar beneden.
2. Friedrich Nietzsche
Geboren op 1844 in het landelijke Röcken als zoon van een
predikant. Zijn vader dominee sterft als Friedrich nog kind was
en blijft achter bij zijn moeder en zussen.
Op heel jonge leeftijd wordt hij al professor in Bazel. Hij was
onder de indruk van Schopenhauer en Wagner, maar drijft
daar ook van af en ontwikkeld zijn eigen talen en eigen
filosofie.
Wegens vele hoofdpijn moet hij op vervroegd pensioen en
verbleef vaan in Italië en Zwitserland.
Nietzsche heeft niet veel filosofische systemen opgebouwd
maar eerder afgebroken.
Zijn filosofie kan je zien als een verzameling van heel veel
reflecties over zijn tijd en ook over de geschiedenis van de
filosofie.
Zijn twee meest bekende werken zijn:
- 1883-88: “Aldus sprak Zarathoestra”
- 1886: “Voorbij goed en Kwaad”
In 1889 wordt hij geestesziek en sterft in 1900
3. Apollo en Dionysos
In Griekse tragedie herkent hij twee verschillende
perspectieven op de werkelijkheid, die hij apollinisch en
dionisisch noemt, verwezen naar Apollo en Dionysos.
Apollo de god van de zon is op zoek naar een rustig,
doordacht, beheerst, redelijke en georganiseerd
bestaan.
Dionysos de god van de wijn, het verlangen en de roes. Hij is
eerde extatisch, ondoordacht, onbeheerst en wild.
, Nietzsche wist deze twee polen, passie en beheersing met
elkaar te verbinden. Ze waren in evenwicht met elkaar.
4. Taal en interpretatie
Binnen Nietzsche zal de invloed van de taal op het denken een
belangrijk thema worden.
Hij stelt dat we de woorden gebruiken daar waar onze
onwetendheid begint. De taal beperkt ons, ze bepaalt onze
manier van denken: wij hebben op elk moment slechts die
gedachten waarvoor wij de woorden ter beschikking
hebben die de gedachten ongeveer kunnen uitdrukken.
Taal
Woorden schieten steeds te kort en verstenen ook de
werkelijkheid. We kunnen met taal nooit alles beschrijven. Je
ervaring is altijd veel ruimer dan wat je in taal uitdrukt.
Taal bepaalt, beperkt en versteent ons denken
‘DE’ betekenis van een woord bestaat niet
De taal is een leugen
Vandaar feiten bestaan niet, enkel interpretaties
Taal is slechts een interpretatie en dus een leugen
Nietzsche beveelt creatief ‘liegen’ aan zelf de waarheid
scheppen.
Taal liegt en misleid ons. Feiten bestaan niet, enkel
interpretaties. En geen enkele interpretatie is waar.
5. De wil tot macht
Net als bij Schopenhauer (de wil tot leven) staat ook bij Nietzsche
de Wil centraal.
Maar daar waar de wil bij Schopenhauer een wil was om te leven,
is die bij Nietzsche gericht op uitbreiden van de invloed: niet
louter overleven, maar overheersen.
De wereld manifesteert zich als een voortdurende strijd van alles
met alles. Deze bron noemt Nietzsche de ‘Wil tot macht’.
De wil tot macht = de macht in de betekenis van de drang om
jezelf te bestendigen, om jezelf in stand te houden en om sterker
te worden.
Nietzsche: “(de wil tot macht), dat wil zeggen een onverzadigbaar
verlangen naar het betonen van macht of gebruik, uitoefenen van
macht, als scheppende drift”.
: Het postmodernisme
1. Situering
Friedrich Nietzsche (1844-1900), een visionair denker die het
doembeeld van de utilitaristische en positivistische mens schets in een
door het christendom en consumentisme verziekte cultuur. Met zijn hamer
haalt hij heel wat heilige huisjes van de filosofie naar beneden.
2. Friedrich Nietzsche
Geboren op 1844 in het landelijke Röcken als zoon van een
predikant. Zijn vader dominee sterft als Friedrich nog kind was
en blijft achter bij zijn moeder en zussen.
Op heel jonge leeftijd wordt hij al professor in Bazel. Hij was
onder de indruk van Schopenhauer en Wagner, maar drijft
daar ook van af en ontwikkeld zijn eigen talen en eigen
filosofie.
Wegens vele hoofdpijn moet hij op vervroegd pensioen en
verbleef vaan in Italië en Zwitserland.
Nietzsche heeft niet veel filosofische systemen opgebouwd
maar eerder afgebroken.
Zijn filosofie kan je zien als een verzameling van heel veel
reflecties over zijn tijd en ook over de geschiedenis van de
filosofie.
Zijn twee meest bekende werken zijn:
- 1883-88: “Aldus sprak Zarathoestra”
- 1886: “Voorbij goed en Kwaad”
In 1889 wordt hij geestesziek en sterft in 1900
3. Apollo en Dionysos
In Griekse tragedie herkent hij twee verschillende
perspectieven op de werkelijkheid, die hij apollinisch en
dionisisch noemt, verwezen naar Apollo en Dionysos.
Apollo de god van de zon is op zoek naar een rustig,
doordacht, beheerst, redelijke en georganiseerd
bestaan.
Dionysos de god van de wijn, het verlangen en de roes. Hij is
eerde extatisch, ondoordacht, onbeheerst en wild.
, Nietzsche wist deze twee polen, passie en beheersing met
elkaar te verbinden. Ze waren in evenwicht met elkaar.
4. Taal en interpretatie
Binnen Nietzsche zal de invloed van de taal op het denken een
belangrijk thema worden.
Hij stelt dat we de woorden gebruiken daar waar onze
onwetendheid begint. De taal beperkt ons, ze bepaalt onze
manier van denken: wij hebben op elk moment slechts die
gedachten waarvoor wij de woorden ter beschikking
hebben die de gedachten ongeveer kunnen uitdrukken.
Taal
Woorden schieten steeds te kort en verstenen ook de
werkelijkheid. We kunnen met taal nooit alles beschrijven. Je
ervaring is altijd veel ruimer dan wat je in taal uitdrukt.
Taal bepaalt, beperkt en versteent ons denken
‘DE’ betekenis van een woord bestaat niet
De taal is een leugen
Vandaar feiten bestaan niet, enkel interpretaties
Taal is slechts een interpretatie en dus een leugen
Nietzsche beveelt creatief ‘liegen’ aan zelf de waarheid
scheppen.
Taal liegt en misleid ons. Feiten bestaan niet, enkel
interpretaties. En geen enkele interpretatie is waar.
5. De wil tot macht
Net als bij Schopenhauer (de wil tot leven) staat ook bij Nietzsche
de Wil centraal.
Maar daar waar de wil bij Schopenhauer een wil was om te leven,
is die bij Nietzsche gericht op uitbreiden van de invloed: niet
louter overleven, maar overheersen.
De wereld manifesteert zich als een voortdurende strijd van alles
met alles. Deze bron noemt Nietzsche de ‘Wil tot macht’.
De wil tot macht = de macht in de betekenis van de drang om
jezelf te bestendigen, om jezelf in stand te houden en om sterker
te worden.
Nietzsche: “(de wil tot macht), dat wil zeggen een onverzadigbaar
verlangen naar het betonen van macht of gebruik, uitoefenen van
macht, als scheppende drift”.