GROEI EN ONTWIKKELING
Hs 1: Methodologie van het groeionderzoek
Groei bestuderen
• Groei van mens duurt het langste
• Belangrijk bevolkingsgroep → afh van levensverwachtingen
• Ieder heeft individueel groeiproces
= resultaat van genetisch potentieel, omgeving, interacties…
Terminologie: groei-maturatie-ontwikkeling
• GROEI
Komt door 3 elementen • cel vermenigvuldiging (mitosis)
• cel volumetoename (hypertrofie)
• toename van interstitieel weefsel/vocht volume
• MATURATIE
o Prenataal
Van bevruchting → cel differentiatie naar alle weefsel, organen met functies
prenatale maturatie= differentiatie
o Postnataal
Postnatale maturatie= kwantificeren hoever de jongeren hun weg al hebben afgelegd naar
volwassenheid adhv
° timing= tijdstip van mijlpaal
° tempo= tijd tussen mijlpaal
Infancy= geboorte tot 1jaar
early childhood= 1 tot 5jaar
middle childhood= 5 tot 10jaar
adolescentie= 10 tot 22jaar
Samenhang GROEI en MATURATIE
we gaan de groei gebruiken om de maturatie in te schatten
→ Bepalen of te bepalen als je vroeg/ laat / normaal manuur bent adhv
groeitabellen
• ONTWIKKELING
=meer omvattend begrip
→ groeiproces, maturiteitsproces + LEERPROCES en ERVARINGEN
Motorische ontwikkelingen= LEER EFFECT =hoe persoon is leert uit ervaring
belangrijk hoe je je eigen maturatie ervaart = bepalend voor je gedrag,
zelfbeeld…
,variatie
iedereen is uniek → groeiproces is NOOIT hetzelfde
1. Omgevingsfactoren
°micro (dicht) – macro (ver) niveau
° prenataal= parameter die rol ontwikkeling van kind kan beïnvloeden vb. mama roken alcohol, med…
° postnataal= gezin, school omgeving
2. Genen
3. GEN-OMGEVINGSINTERACTIE/COV:
Interactie van 1 op 2= sensitiviteit op omgevingsinvloeden afhankelijk van het genotype
Soort onderzoeken
Ff snel soorten effecten die er kunnen zijn
• Groei-effect= wat we willen meten verandert
• Cohort-effect= groepseffect → verschillende groepen hebben andere dingen meegemaakt
• Meettijdstip= tijdstip van meten kan ander resultaat geven vb. in ochtend <-> avond
• Test-effect= test op dag 1 en op dag 2 gaat die het beter doen want die weet al hoe het gaat
(kan het al leren)
• Meetfout= kan door een slecht gekalibreerd toestel
• Cohort= groep mensen die een gemeenschappelijk KM delen vaak leeftijd
1. Transversaal/ cross sectioneel
Gaat groep 1 keer meten
DOEL=variatie in populatie beschrijven (percentielen bereken vb. P50)
Representatief→moet Steekproef groot genoeg zijn
voordeel= in korte periode veel data verzamelen
nadeel = °vermenging groei en cohort effecten +test en fouten
° geeft onderschatting van vb. groeispurtsnelheid
gemiddelde= stippellijn= te breed en te laag
2. Longitudinaal
Kiest 1 cohort en gaat die meermaals meten op
regelmatige tijdstippen
→krijgen info over individuele groeiprocessen
gemiddelde = hoog en smal
→ moet je de gemiddelde piekleeftijden bij elkaar zetten
,hoe vaak meten? Methode=
→ afh van snelheid verandering Interleeftijdcorrelatie:
→ afh van meetfout voordeel= uitgebreide info indicator van tracking =
behoud van relatieve
nadeel= °groei-effect, meettijdstip, test-effect, meetfouten positie in de groep
°drop out= uitvallen van een proefpersoon gedurende de tijd
kanalisatie= kijken of individu in eenzelfde ‘kanaal’ blijft groeien (P10 op 5j - P10 op 10j - P10 op 20j)
Tracking = metingen op 10 jaar en 16en kijken of die sterk gecorreleerd zijn
ja→ grote baby= grote volwassenen (=enkel bepalen bij longitudinaal onderzoek)
Hoge voorspellingswaarde → als tracking en kanalisatie hoog is
3. Gemengd-Longitudinaal
Schaie/Van ‘t Hof: verschillende geboortecohorten op meerdere
tijdstippen onderzoeken (met overlap)
BELANGRIJK= dat er overlapping in van de leeftijden tussen de cohorten
=controle dat de leeftijd van ene cohort op beetje overeen komt met ander
voordeel= tijdwinst + efficiënter
nadeel= °groeieffect = alleen voor longitudinaal gemeten leeftijdsstukken (6-10j, 10-14j, 14-18j)
°cohorteffecten achterhalen kan alleen overlappende leeftijden
4. Time-LAG /tijdstrendanalyse
Steekproef uit verschillende leeftijd cohort
proefpersonen =18j → meten op andere tijdstippen
DOEL= in kaart brengen van evolutie van de populatie over de tijd
→dezelfde leeftijd in de tijd opvolgen in verschillende cohortes
Analytische technieken
• Transversaal onderzoek= hoe referentiewaarden bepalen?
Levert normaal verdeling op van een hele groep
Xbar =gemiddelden per leeftijd→ gecorrigeerd Xbar c
SD= geobserveerde verspeideing rond Xbar c
percentielen berekenen= P90= de lengte waar 90% van de personen onder zitten
,ongens
● 200
+2.5 Kunnen ook mogelijke groeistoornissen ontdekken
SD
+2
195 → is in de grijze zonde = < -2.5 SDS of > +2.5 SDS
P97
buiten de SDS (=standaard deviatie score) moet kind worden opgevolgd
P90 190
P75 185 =SDSC
→conditioneel op verwachte groei
P50
180 gebaseerd op logitudinaal opgevolgde
kinderen
P25
175
Stel we meten kind op 4m dat verwachten
P10 we op 7mdta het kind in deze range zit
170
−2
P3 → zo niet moet het miss opgevolgd worden
SD
165
−2.5
160
MPH,
TR
cm
TR, Target Range (cm) = MPH . 10 cm
P97
kg
• Longitudinaal
95 onderzoek= hoe individuele groeicurves en tracking bepalen?
Van ieder individu een individuele curve maken
90
P90
85
80
P75
75
TRACKING: behoud van relatieve positie doorheen de tijd→longitudinale gegevens noodzakelijk
P50
70
Om de interleeftijdcorrelatie = op 10j zwaar= op 20j ook zwaar
P25 65
Groeicurve jongens (2 − 20 jaar), Vlaanderen 2004
TRANSVERSAAL LOGITUDINAAL
P10 60
P3
55
50
45
Veel breder en vlakker hogere pieken en smaller
wicht → nemen gemiddeldes * →nemen individuele groeisnelheid curves gebruiken*
40
o g r a m
*als we gemiddeldes gebruiken gaan we de resultaten afvlakken en als je individuele data
gebruikt35heb je voor iedereen afzonderlijk de ware grote van de piek
1−20050604−N
30
25
Hs 1: Methodologie van het groeionderzoek
Groei bestuderen
• Groei van mens duurt het langste
• Belangrijk bevolkingsgroep → afh van levensverwachtingen
• Ieder heeft individueel groeiproces
= resultaat van genetisch potentieel, omgeving, interacties…
Terminologie: groei-maturatie-ontwikkeling
• GROEI
Komt door 3 elementen • cel vermenigvuldiging (mitosis)
• cel volumetoename (hypertrofie)
• toename van interstitieel weefsel/vocht volume
• MATURATIE
o Prenataal
Van bevruchting → cel differentiatie naar alle weefsel, organen met functies
prenatale maturatie= differentiatie
o Postnataal
Postnatale maturatie= kwantificeren hoever de jongeren hun weg al hebben afgelegd naar
volwassenheid adhv
° timing= tijdstip van mijlpaal
° tempo= tijd tussen mijlpaal
Infancy= geboorte tot 1jaar
early childhood= 1 tot 5jaar
middle childhood= 5 tot 10jaar
adolescentie= 10 tot 22jaar
Samenhang GROEI en MATURATIE
we gaan de groei gebruiken om de maturatie in te schatten
→ Bepalen of te bepalen als je vroeg/ laat / normaal manuur bent adhv
groeitabellen
• ONTWIKKELING
=meer omvattend begrip
→ groeiproces, maturiteitsproces + LEERPROCES en ERVARINGEN
Motorische ontwikkelingen= LEER EFFECT =hoe persoon is leert uit ervaring
belangrijk hoe je je eigen maturatie ervaart = bepalend voor je gedrag,
zelfbeeld…
,variatie
iedereen is uniek → groeiproces is NOOIT hetzelfde
1. Omgevingsfactoren
°micro (dicht) – macro (ver) niveau
° prenataal= parameter die rol ontwikkeling van kind kan beïnvloeden vb. mama roken alcohol, med…
° postnataal= gezin, school omgeving
2. Genen
3. GEN-OMGEVINGSINTERACTIE/COV:
Interactie van 1 op 2= sensitiviteit op omgevingsinvloeden afhankelijk van het genotype
Soort onderzoeken
Ff snel soorten effecten die er kunnen zijn
• Groei-effect= wat we willen meten verandert
• Cohort-effect= groepseffect → verschillende groepen hebben andere dingen meegemaakt
• Meettijdstip= tijdstip van meten kan ander resultaat geven vb. in ochtend <-> avond
• Test-effect= test op dag 1 en op dag 2 gaat die het beter doen want die weet al hoe het gaat
(kan het al leren)
• Meetfout= kan door een slecht gekalibreerd toestel
• Cohort= groep mensen die een gemeenschappelijk KM delen vaak leeftijd
1. Transversaal/ cross sectioneel
Gaat groep 1 keer meten
DOEL=variatie in populatie beschrijven (percentielen bereken vb. P50)
Representatief→moet Steekproef groot genoeg zijn
voordeel= in korte periode veel data verzamelen
nadeel = °vermenging groei en cohort effecten +test en fouten
° geeft onderschatting van vb. groeispurtsnelheid
gemiddelde= stippellijn= te breed en te laag
2. Longitudinaal
Kiest 1 cohort en gaat die meermaals meten op
regelmatige tijdstippen
→krijgen info over individuele groeiprocessen
gemiddelde = hoog en smal
→ moet je de gemiddelde piekleeftijden bij elkaar zetten
,hoe vaak meten? Methode=
→ afh van snelheid verandering Interleeftijdcorrelatie:
→ afh van meetfout voordeel= uitgebreide info indicator van tracking =
behoud van relatieve
nadeel= °groei-effect, meettijdstip, test-effect, meetfouten positie in de groep
°drop out= uitvallen van een proefpersoon gedurende de tijd
kanalisatie= kijken of individu in eenzelfde ‘kanaal’ blijft groeien (P10 op 5j - P10 op 10j - P10 op 20j)
Tracking = metingen op 10 jaar en 16en kijken of die sterk gecorreleerd zijn
ja→ grote baby= grote volwassenen (=enkel bepalen bij longitudinaal onderzoek)
Hoge voorspellingswaarde → als tracking en kanalisatie hoog is
3. Gemengd-Longitudinaal
Schaie/Van ‘t Hof: verschillende geboortecohorten op meerdere
tijdstippen onderzoeken (met overlap)
BELANGRIJK= dat er overlapping in van de leeftijden tussen de cohorten
=controle dat de leeftijd van ene cohort op beetje overeen komt met ander
voordeel= tijdwinst + efficiënter
nadeel= °groeieffect = alleen voor longitudinaal gemeten leeftijdsstukken (6-10j, 10-14j, 14-18j)
°cohorteffecten achterhalen kan alleen overlappende leeftijden
4. Time-LAG /tijdstrendanalyse
Steekproef uit verschillende leeftijd cohort
proefpersonen =18j → meten op andere tijdstippen
DOEL= in kaart brengen van evolutie van de populatie over de tijd
→dezelfde leeftijd in de tijd opvolgen in verschillende cohortes
Analytische technieken
• Transversaal onderzoek= hoe referentiewaarden bepalen?
Levert normaal verdeling op van een hele groep
Xbar =gemiddelden per leeftijd→ gecorrigeerd Xbar c
SD= geobserveerde verspeideing rond Xbar c
percentielen berekenen= P90= de lengte waar 90% van de personen onder zitten
,ongens
● 200
+2.5 Kunnen ook mogelijke groeistoornissen ontdekken
SD
+2
195 → is in de grijze zonde = < -2.5 SDS of > +2.5 SDS
P97
buiten de SDS (=standaard deviatie score) moet kind worden opgevolgd
P90 190
P75 185 =SDSC
→conditioneel op verwachte groei
P50
180 gebaseerd op logitudinaal opgevolgde
kinderen
P25
175
Stel we meten kind op 4m dat verwachten
P10 we op 7mdta het kind in deze range zit
170
−2
P3 → zo niet moet het miss opgevolgd worden
SD
165
−2.5
160
MPH,
TR
cm
TR, Target Range (cm) = MPH . 10 cm
P97
kg
• Longitudinaal
95 onderzoek= hoe individuele groeicurves en tracking bepalen?
Van ieder individu een individuele curve maken
90
P90
85
80
P75
75
TRACKING: behoud van relatieve positie doorheen de tijd→longitudinale gegevens noodzakelijk
P50
70
Om de interleeftijdcorrelatie = op 10j zwaar= op 20j ook zwaar
P25 65
Groeicurve jongens (2 − 20 jaar), Vlaanderen 2004
TRANSVERSAAL LOGITUDINAAL
P10 60
P3
55
50
45
Veel breder en vlakker hogere pieken en smaller
wicht → nemen gemiddeldes * →nemen individuele groeisnelheid curves gebruiken*
40
o g r a m
*als we gemiddeldes gebruiken gaan we de resultaten afvlakken en als je individuele data
gebruikt35heb je voor iedereen afzonderlijk de ware grote van de piek
1−20050604−N
30
25