Van 2016-2017 t.e.m. 2024-2025, gesorteerd per hoofdstuk.
Inhoud
inleiding ............................................................................................................................. 0
Oogonderzoek ................................................................................................................... 3
Refractieafwijkingen ........................................................................................................... 5
Rode oog ........................................................................................................................... 8
Trage visusdaling..............................................................................................................10
Plotse visusdaling .............................................................................................................13
Systeemziekten ................................................................................................................14
Oogleden, orbita en traanegen .........................................................................................15
Oogtraumata .....................................................................................................................15
Oogheelkundige afwijkingen van het kind .........................................................................16
inleiding
Waar zitten zenuwuiteinden in het cornea? B
a. Endotheel
b. Epitheel
c. Stroma
Letsel in chiasma D
a. re homonieme hemianopsie
b. li homonieme hemianopsie
c. kwadrantopsie
d. Bitemporale hemianopsie
Waaraan grenst orbitabodem C
a. Sinus ethmoidalis
b. Sinus sfenoidalis
c. Sinus maxillaris
d. Neusbijholten
Wat is juist? A
a. Oog weegt 7,5g
b. Volume oog 15ml
c. Diameter oog 30mm
Helderheid cornea wordt verzorgd door A
a. Endotheel
b. Epitheel
Wat is waar? A
a. Fovea heeft de grootste projecte in de visuele cortex
b. Temporale delen van de retina worden in contralaterale occipitale cortex verwerkt
Glasvochtinhoud aantal ml A
a. 4,5 ml
,Unilaterale gezichtsveld uitval A
a. Prechiasmaal of n. opticus
Wat behoort niet tot de uvea D
a. choroidea
b. corpus ciliare
c. iris
d. Bowman
Welke lagen worden uit elkaar gehaald bij retinaloslating? C
a. Binnenste pigmentlaag en buitenste neuronale laag
b. choroidea en retina
c. Fotoreceptorlaag en pigmentlaag
Wat is juist A
a. In adductie mm obliqii meeste verticale kracht
Ooglengte B
a. ongeveer 22mm
b. ongeveer 24mm
c. ongeveer 26mm
Rechteroog kijkt naar links, omhoog kijken is door… C
a. m rectus superior
b. m obliquus superior
c. m obliquus inferior
d. m rectus inferior
Man ziet niets meer in rechter gezichtsveld beide ogen. we noemen dit: C
a. Bitemporale hemianopsie
b. Linker homonieme hemianopsie
c. Rechter homonieme hemianopsie
Vraag over anatomie van de zenuwbanen B
a. De mediale kruisen niet
b. de temporale retinahelften kruisen niet
c. Alles kruist in het chiasma
Bevloeiing van retina B
a. a centralis retinae alle lagen
b. buitenste ⅓ choriocapillaris
c. Binnenste ⅓ choriocp
d. Binnenste 2/3 choriocap
Het al dan niet aanliggen van de macula bij retinaloslating is van belang voor de visus-prognose, waarom? C
a. Bij een losliggende macula ontstaat een maculagat
b. eens macula loskomt gaat hij nooit meer aanhechten
c. De macula is geheel afhankelijk van verzorging door de lamina choriocapillaris
d. Er treedt intoxicatie op door het vloeibare glasvocht, dat achter de macula raakt
Wat is juist C
a. m tarsalis superior ligt in orbita
b. m levator palpebrae is gladde spier
c. m levator palpebrae ligt in orbita
Stroom van voorkamervocht geproduceerd door corpus ciliare A
a. Achterste oogkamer - pupil - voorste oogkamer - trabeculum
wat ligt er mediaal van de orbita D
a. sinus sfenoidalis
b. neusholte
c. sinus maxillaris
d. sinus ethmoidalis
wat is fout A
a. nervus IV (trochlearis) bezenuwt m obliquus inferior
1
, Linkeroog kijkt naar links, welke spier doet dit oog naar beneden kijken? C
a. m obliquus inferior
b. m obliquus superior
c. m rectus inferior
d. m rectus superior
Welk gezichtsveld bij letsel in het chiasma? A
a. bitemporale gezichtsvelddefect
b. homonieme gezichtsvelddefecten
Tot wat behoort het choroidea? D
a. Membraan van Bowman
b. nog iets van cornea
c. corpus ciliare
d. Uvea
wat is FOUT? A?
a. n4 bezenuwt de m obliquus inferior B?
b. n6 verlamming zorgt dat oog naar buiten staat
c. n3 bezenuwt 5 oogspieren
d. n6 m rectus lateralis
Wat is waar over oogspieren A?
a. bij adductie hebben m. obliquii maximale verticale werking C?
b. Obliquus superior zorgt voor elevatie
c. m rectus lateralis bezenuwd door VI
bevloeiing oog A
a. choriocapillaris wordt gevoed vanuit ciliair systeem
b. de iris en retina worden vanuit dezelfde afsplitsing van de a. ophtalmica gevoed
Welke spier wordt bezenuwd door de n.trochlearis? A
a. m. Obliquus superior
b. M. Rectus superior
c. Alle obliquus spieren
d. M. Abducens
Wat is juist over mydriasis/miosis B
a. Miosis is een flight/fight reactie
b. Parasympatisch geeft miosis, orthosympatisch geeft mydriasis
c. Bij mydriasis ziet men scherper
Kenmerken van retrochiasmaal letsel? B
a. bitemporale hemianopsie
b. Homonieme hemianopsie
c. ernstige visusdaling
Wat is waar D
a. er zijn evenveel staafjes als kegeltjes
b. Er zijn meer kegeltjes dan staafjes
c. Kegeltjes zijn enkel voor kleurzicht
d. In de fovea zijn er meer kegeltjes
Wat gebeurt er bij sympathische uitval A
a. ptose
b. Mydriase
c. strabisme
Wat is NIET waar over intraorbitaal A
a. Traanzak ligt intraorbitaal
b. Traanklier intraorbitaal
c. traanklier bestaat uit 2 delen
Wat is juist? B
a. m. orbicularis oculi ligt in orbita
b. m. levator palpebrae superior ligt in orbita
c. m. tarsus ligt in orbita
d. M levator palpebrae is gladde spier
2