Levenslooppsychologie:
Examenvragen:
Geef de globale referentiekaders om naar de ontwikkeling te kijken.
1. Sociaal perspectief
2. Biologisch perspectief
3. Cognitief perspectief
Aan welke ontwikkelingstheorieën vallen volgende drie leermeesters te
linken?
1. Sigmund Freud psychoanalytische theorie
2. Erik Erikson leren door interactie met anderen.
3. Piaget cognitieve ontwikkelingstheorie
Wanneer je op je 18de geroepen voelt om mee te doen aan deze
diepzinnige televisieprogramma’s dan zit je in de … (ex on the beach)
1. Genitale fase
Vraag 4:
1. Het meisje denkt formeel operationeel, de jongen denkt concreet
operationeel.
Welk kernconflict in deze fase?
1. “We gaan wijnen” generativiteit vs stagnatie
“Mama ik ga vandaag niet naar school want men haar ligt niet goed,
want iedereen gaat mij uitlachen.”
1. Metafysisch egocentrisme en imaginair publiek
Vraag 7:
1. Hypothetisch deductief, combinatorisch en abstract denken samen.
Tieners voelen zich vaak door hun ouders misbegrepen. Dit wijten we
aan volgend fenomeen.
1. Identiteit vs. Identiteitsverwarring
Vraag 9:
1. Uber- ich
Waarom we statistiek leuk vinden? (Vraag 10)
1. Omdat we formeel kunnen denken.
Hoofdstuk 1: ideeën uit de levenslooppsychologie:
Wat is levenslooppsychologie?
, Omvat de wetenschappelijke studie van de evolutie van het
normale functioneren en gedrag van het individu in de loop van het
leven.
- Evolutie = verandering (kan in een terugkeerbeweging plaats
vinden)
- Normaal <-> pathologisch (niet normaal gedrag)
- Gedrag = 3 g’s (gevoelens, gedragingen, gedachten)
- Individu = alleen, niet van de maatschappij
- Doorheen het leven = verschillende fases
Gedrag gevoelens, gedrag, gedachten
Zaken gaan beschrijven wat we kunnen verwachten, wat we denken dat er
zal gebeuren.
- Lichamelijke ontw
- Motorische ontw
- Neurologische ontw
- Cognitieve ontw
- Morele ontw
- Affectieve ontw
- Sociale ontw
Belangrijk om te weten welk gedrag we mogen verwachten bij een
bepaalde leeftijd.
Biopsychosociaal model!
Alle 3 staan ze continue in verbinding met elkaar.
Kernconcepten uit de levenslooppsychologie:
, 1. Beschrijven vs. Verklaren
Descriptieve/ conatieve wetenschap = beschrijven wat men ziet
op welk moment (wat je ziet, wanneer, hoe,…)
Verklarende wetenschap = hoe komt het dat we dit gedrag zien
op dit moment, we zoeken een verklaring hiervoor. (Opzoek gaan
naar oorzaken, verbanden, …)
Predictie = voorspellen
2. Nomothetisch vs. Idiografisch
Nomothetisch = observatie van grote groep mensen. (Vb. rond 10
maanden kan een baby kruipen.)
Idiografisch = beschrijven van individu (Bij iedereen anders) (Vb.
Tom kan kruipen vanaf 8 maanden, Tom pas op 11 maanden.)
3. Differentiatie, integratie, organisatie
Differentiatie = verfijning van capaciteiten (Vb. leren schrijven in
eerste leerjaar dan pas je fijne motoriek voldoende ontwikkeld)
Functies worden preciezer
Vb. ongecontroleerde handbeweging grijpen pincetgreep
Vb. baby wenen flesje flesje? Ik wil flesje
Integratie = samenwerking van verschillende domeinen van
functioneren
Vb. oog-hand coördinatie
Organisatie = complexe gedragsvormen
Vb. tennis = lopen + zien + grijpen
4. Nature vs. Nurture
Belangrijk binnen levenslooppsychologie
, - Nature persoonlijkheid/ vaardigheden die je hebt via genen.
(Ouders/ grootouders)
Charles Darwin de sterkste komt er.
Pedagogisch pessimisme
- Nurture verworven uit ervaring, leerprocessen, opvoeding, sociale
factoren
Mens wordt geboren als blanco blad (=tabula rasa) en groeit via
omgeving.
Pedagogisch optimisme door aanmoediging kan het
veranderen.
Beide vormen ons tot wie we zijn.
5. Ontwikkelingsdeterminanten en kritische periodes:
Bepalende factoren in de ontwikkelingen
Nature endogeen = binnenuit gestuurd rijpingsproces
Nurture exogeen = omgevingsfactoren bepalen de
ontwikkeling.
Ontwikkeling = resultante van interactie tussen aanleg en milieu.
Gevoelige periodes we zijn dan gevoelig voor bepaalde
vaardigheden uit te voeren, te verwerken.
Kritische periode hersenen zijn op bepaalde fase heel prikkelbaar.
Als je het dan niet leert, is het vrij moeilijk dit nog in te halen.
6. Normatieve ontwikkelingsdeterminanten:
Factoren die voor iedereen gelden = niet persoonsgebonden
Leeftijdsgebonden invloeden
Socioculturele invloeden
Historische invloeden
7. Niet-normatieve ontwikkelingsdeterminanten:
Specifieke, persoonsgebonden factoren
Secundaire veroudering
Verschilt dus van persoon tot persoon
Zelfbepaling dingen beslissen die je wel of niet wilt doen
8. Plasticiteit van de hersenen:
Vermogen van de hersenen om zich aan te passen
Herstel van zenuwen en zenuwverbindingen op anatomisch niveau.
Uitval van bepaald gebied kan gecompenseerd worden door een
ander sterkere ontwikkeling op een ander gebied
9. Continu vs. Discontinu:
Continu = ontwikkeling verloopt geleidelijk in een continu
opbouwende lijn.
Nieuwe vaardigheid bouwt verder op het vorige
Examenvragen:
Geef de globale referentiekaders om naar de ontwikkeling te kijken.
1. Sociaal perspectief
2. Biologisch perspectief
3. Cognitief perspectief
Aan welke ontwikkelingstheorieën vallen volgende drie leermeesters te
linken?
1. Sigmund Freud psychoanalytische theorie
2. Erik Erikson leren door interactie met anderen.
3. Piaget cognitieve ontwikkelingstheorie
Wanneer je op je 18de geroepen voelt om mee te doen aan deze
diepzinnige televisieprogramma’s dan zit je in de … (ex on the beach)
1. Genitale fase
Vraag 4:
1. Het meisje denkt formeel operationeel, de jongen denkt concreet
operationeel.
Welk kernconflict in deze fase?
1. “We gaan wijnen” generativiteit vs stagnatie
“Mama ik ga vandaag niet naar school want men haar ligt niet goed,
want iedereen gaat mij uitlachen.”
1. Metafysisch egocentrisme en imaginair publiek
Vraag 7:
1. Hypothetisch deductief, combinatorisch en abstract denken samen.
Tieners voelen zich vaak door hun ouders misbegrepen. Dit wijten we
aan volgend fenomeen.
1. Identiteit vs. Identiteitsverwarring
Vraag 9:
1. Uber- ich
Waarom we statistiek leuk vinden? (Vraag 10)
1. Omdat we formeel kunnen denken.
Hoofdstuk 1: ideeën uit de levenslooppsychologie:
Wat is levenslooppsychologie?
, Omvat de wetenschappelijke studie van de evolutie van het
normale functioneren en gedrag van het individu in de loop van het
leven.
- Evolutie = verandering (kan in een terugkeerbeweging plaats
vinden)
- Normaal <-> pathologisch (niet normaal gedrag)
- Gedrag = 3 g’s (gevoelens, gedragingen, gedachten)
- Individu = alleen, niet van de maatschappij
- Doorheen het leven = verschillende fases
Gedrag gevoelens, gedrag, gedachten
Zaken gaan beschrijven wat we kunnen verwachten, wat we denken dat er
zal gebeuren.
- Lichamelijke ontw
- Motorische ontw
- Neurologische ontw
- Cognitieve ontw
- Morele ontw
- Affectieve ontw
- Sociale ontw
Belangrijk om te weten welk gedrag we mogen verwachten bij een
bepaalde leeftijd.
Biopsychosociaal model!
Alle 3 staan ze continue in verbinding met elkaar.
Kernconcepten uit de levenslooppsychologie:
, 1. Beschrijven vs. Verklaren
Descriptieve/ conatieve wetenschap = beschrijven wat men ziet
op welk moment (wat je ziet, wanneer, hoe,…)
Verklarende wetenschap = hoe komt het dat we dit gedrag zien
op dit moment, we zoeken een verklaring hiervoor. (Opzoek gaan
naar oorzaken, verbanden, …)
Predictie = voorspellen
2. Nomothetisch vs. Idiografisch
Nomothetisch = observatie van grote groep mensen. (Vb. rond 10
maanden kan een baby kruipen.)
Idiografisch = beschrijven van individu (Bij iedereen anders) (Vb.
Tom kan kruipen vanaf 8 maanden, Tom pas op 11 maanden.)
3. Differentiatie, integratie, organisatie
Differentiatie = verfijning van capaciteiten (Vb. leren schrijven in
eerste leerjaar dan pas je fijne motoriek voldoende ontwikkeld)
Functies worden preciezer
Vb. ongecontroleerde handbeweging grijpen pincetgreep
Vb. baby wenen flesje flesje? Ik wil flesje
Integratie = samenwerking van verschillende domeinen van
functioneren
Vb. oog-hand coördinatie
Organisatie = complexe gedragsvormen
Vb. tennis = lopen + zien + grijpen
4. Nature vs. Nurture
Belangrijk binnen levenslooppsychologie
, - Nature persoonlijkheid/ vaardigheden die je hebt via genen.
(Ouders/ grootouders)
Charles Darwin de sterkste komt er.
Pedagogisch pessimisme
- Nurture verworven uit ervaring, leerprocessen, opvoeding, sociale
factoren
Mens wordt geboren als blanco blad (=tabula rasa) en groeit via
omgeving.
Pedagogisch optimisme door aanmoediging kan het
veranderen.
Beide vormen ons tot wie we zijn.
5. Ontwikkelingsdeterminanten en kritische periodes:
Bepalende factoren in de ontwikkelingen
Nature endogeen = binnenuit gestuurd rijpingsproces
Nurture exogeen = omgevingsfactoren bepalen de
ontwikkeling.
Ontwikkeling = resultante van interactie tussen aanleg en milieu.
Gevoelige periodes we zijn dan gevoelig voor bepaalde
vaardigheden uit te voeren, te verwerken.
Kritische periode hersenen zijn op bepaalde fase heel prikkelbaar.
Als je het dan niet leert, is het vrij moeilijk dit nog in te halen.
6. Normatieve ontwikkelingsdeterminanten:
Factoren die voor iedereen gelden = niet persoonsgebonden
Leeftijdsgebonden invloeden
Socioculturele invloeden
Historische invloeden
7. Niet-normatieve ontwikkelingsdeterminanten:
Specifieke, persoonsgebonden factoren
Secundaire veroudering
Verschilt dus van persoon tot persoon
Zelfbepaling dingen beslissen die je wel of niet wilt doen
8. Plasticiteit van de hersenen:
Vermogen van de hersenen om zich aan te passen
Herstel van zenuwen en zenuwverbindingen op anatomisch niveau.
Uitval van bepaald gebied kan gecompenseerd worden door een
ander sterkere ontwikkeling op een ander gebied
9. Continu vs. Discontinu:
Continu = ontwikkeling verloopt geleidelijk in een continu
opbouwende lijn.
Nieuwe vaardigheid bouwt verder op het vorige