Ontwikkelingspsychologie: deel 1: ontwikkeling van het kind
Hoofdstuk III: onderzoeksmethoden
a) Correlationeel /observationeel vs. experimenteel
a.1) correlationeel
- Onderzoeker grijpt niet in
- Geen poging om aard/ verloop van ontwikkeling te veranderen
- Centraal:
1. Vaststellen wat er gebeurt in het leven van de individuen
2. Hoe ze zich ontwikkelen/veranderen in de tijd
- Enkel uitspraken over samenhang
- Correlatiecoëfficiënt
• Tussen -1 en +1
• Grootte als indicator van
sterkte
• Teken als indicator van
richting
- Temporele associatie≠ causaal verband
Vb. verband tussen hoeveel baby weent en mama dat stress ervaart => positieve samenhang
- Baby kan stress ervaren/huilen door stress van de mama
- Mama kan stress ervaren door gehuil van baby
- Derde factor X: kan ervoor zorgen dat zowel mama als baby stress ervaren vb. ziekte
a.2) experimenteel
- Onderzoeker voert manipulatie uit
- Deelnemers worden random aan condities toegewezen
- Bij ene groep ingegrepen, bij andere niet (vb. placebo)
Beide groepen worden vergeleken
Je mag causale uitspraken doen ( oorzaak-gevolg)
Gebruikt voor positieve manipulaties ( ethisch)
, b) Meten van ontwikkeling
Intermezzo: cohort: groep mensen die rond dezelfde tijd, op dezelfde plek geboren zijn
b.1) cross-sectioneel/dwarsdoorsnede design
= individuen van verschillende leeftijden met elkaar vergelijken
Bepaalde trend ontdekken( vb. emotioneel welbevinden)
+ Tijds- en kostenefficiënt
+ Geen herhaalde testing => geen kans drop-out
− Leeftijdsverschillen niet te onderscheiden van
cohortverschillen (vb. technologische
vooruitgang= andere tijd opgegroeid)
− Geen intra-individuele vergelijkingen mogelijk
(hoe persoon evolueert doorheen de tijd)
b.2) longitudinaal/prospectief design
=individuen uit één cohort opvolgen over de tijd
+ Algemene patronen doorheen de
tijd en intra-individuele verandering
+ Bruikbaar studie voor temporele
associaties
− Duurt lang/kost veel
− Risico drop-out
− Participanten kunnen test-wise
worden (uit vorige testen
− Theorieën/methoden kunnen
verouderd geraken
➔ Dunedin(plaats in nieuw-zeeland) study:
- Langstlopende longitudinale studie
- Start vanaf de geboorte => 1 jaar lang gevraagd voor elk kind dat geboren werd, te
mogen opnemen in studie ( nu nog 90% dat deelneemt (overvliegen,
bezoeken,..))
- Sinds geboorte wordt elk aspect in kaart gebracht
- Terrie Moffitt= 1 vd. hoofdonderzoekers => eredoctoraat van Leuven (2017)
,b.3) cross-sequentieel/ cohortsequentieel/ versneld longitudinaal design
= individuen uit meerdere cohorten opvolgen over de tijd
+ Zowel cross-sectionele
als longitudinale
vergelijkingen nodig
+ Besparing in
tijd/middelen
+ Cohortverschillen
onderscheiden van
leeftijdsverschillen
, Hoofdstuk IV: gen-omgevingssamenspel
a) Genetische constitutie
- Kind is bij geboorte geen onbeschreven blad => unieke genetische code(uitz. Eeneiige
tweelingen) => bepaalt startpositie en ontwikkelingsmogelijkheden
In 2001: menselijk genoom in kaart gebracht:
• 20 000 genen
• Spec. genenvolgorde op elk chromosoom
➔ Vanaf dan mogelijk om variatie in gedrag (fenotype) te koppelen aan genetische variatie
(genotype)
- Genen opgebouwd uit DNA en verdeeld over
chromosomen
- 23 chromosomenparen (diploïd)
- Geslachtscellen/gameten hebben 23
chromosomen(haploïd)
-
Diploïde lichaamscellen=> via mitose/
vermenigvuldigingsdeling:
Ontstaan 2 nieuwe gevormde cellen, identiek aan
moedercel
Haploïde geslachtscellen=> via meiose/ reductiedeling
Ontstaan 4 nieuwe gevormde cellen met elk een unieke
combinatie van DNA
!meiose=> belangrijk voor de enorme genetische diversiteit!
2^23 mogelijke combinaties
bij bevruchting
- Eicel en zaadcel smelten samen tot zygote:
o Heeft 23 chromosomenparen
➢ In elk chromosomenpaar: 1
chromosoom van moeder
en 1 van vader
Zygote heeft unieke genetische code
Chromosomenpaar nr.23 bepaalt geslacht ( meer bepaald door de vader ( als hij X of Y
afgeeft)
Hoofdstuk III: onderzoeksmethoden
a) Correlationeel /observationeel vs. experimenteel
a.1) correlationeel
- Onderzoeker grijpt niet in
- Geen poging om aard/ verloop van ontwikkeling te veranderen
- Centraal:
1. Vaststellen wat er gebeurt in het leven van de individuen
2. Hoe ze zich ontwikkelen/veranderen in de tijd
- Enkel uitspraken over samenhang
- Correlatiecoëfficiënt
• Tussen -1 en +1
• Grootte als indicator van
sterkte
• Teken als indicator van
richting
- Temporele associatie≠ causaal verband
Vb. verband tussen hoeveel baby weent en mama dat stress ervaart => positieve samenhang
- Baby kan stress ervaren/huilen door stress van de mama
- Mama kan stress ervaren door gehuil van baby
- Derde factor X: kan ervoor zorgen dat zowel mama als baby stress ervaren vb. ziekte
a.2) experimenteel
- Onderzoeker voert manipulatie uit
- Deelnemers worden random aan condities toegewezen
- Bij ene groep ingegrepen, bij andere niet (vb. placebo)
Beide groepen worden vergeleken
Je mag causale uitspraken doen ( oorzaak-gevolg)
Gebruikt voor positieve manipulaties ( ethisch)
, b) Meten van ontwikkeling
Intermezzo: cohort: groep mensen die rond dezelfde tijd, op dezelfde plek geboren zijn
b.1) cross-sectioneel/dwarsdoorsnede design
= individuen van verschillende leeftijden met elkaar vergelijken
Bepaalde trend ontdekken( vb. emotioneel welbevinden)
+ Tijds- en kostenefficiënt
+ Geen herhaalde testing => geen kans drop-out
− Leeftijdsverschillen niet te onderscheiden van
cohortverschillen (vb. technologische
vooruitgang= andere tijd opgegroeid)
− Geen intra-individuele vergelijkingen mogelijk
(hoe persoon evolueert doorheen de tijd)
b.2) longitudinaal/prospectief design
=individuen uit één cohort opvolgen over de tijd
+ Algemene patronen doorheen de
tijd en intra-individuele verandering
+ Bruikbaar studie voor temporele
associaties
− Duurt lang/kost veel
− Risico drop-out
− Participanten kunnen test-wise
worden (uit vorige testen
− Theorieën/methoden kunnen
verouderd geraken
➔ Dunedin(plaats in nieuw-zeeland) study:
- Langstlopende longitudinale studie
- Start vanaf de geboorte => 1 jaar lang gevraagd voor elk kind dat geboren werd, te
mogen opnemen in studie ( nu nog 90% dat deelneemt (overvliegen,
bezoeken,..))
- Sinds geboorte wordt elk aspect in kaart gebracht
- Terrie Moffitt= 1 vd. hoofdonderzoekers => eredoctoraat van Leuven (2017)
,b.3) cross-sequentieel/ cohortsequentieel/ versneld longitudinaal design
= individuen uit meerdere cohorten opvolgen over de tijd
+ Zowel cross-sectionele
als longitudinale
vergelijkingen nodig
+ Besparing in
tijd/middelen
+ Cohortverschillen
onderscheiden van
leeftijdsverschillen
, Hoofdstuk IV: gen-omgevingssamenspel
a) Genetische constitutie
- Kind is bij geboorte geen onbeschreven blad => unieke genetische code(uitz. Eeneiige
tweelingen) => bepaalt startpositie en ontwikkelingsmogelijkheden
In 2001: menselijk genoom in kaart gebracht:
• 20 000 genen
• Spec. genenvolgorde op elk chromosoom
➔ Vanaf dan mogelijk om variatie in gedrag (fenotype) te koppelen aan genetische variatie
(genotype)
- Genen opgebouwd uit DNA en verdeeld over
chromosomen
- 23 chromosomenparen (diploïd)
- Geslachtscellen/gameten hebben 23
chromosomen(haploïd)
-
Diploïde lichaamscellen=> via mitose/
vermenigvuldigingsdeling:
Ontstaan 2 nieuwe gevormde cellen, identiek aan
moedercel
Haploïde geslachtscellen=> via meiose/ reductiedeling
Ontstaan 4 nieuwe gevormde cellen met elk een unieke
combinatie van DNA
!meiose=> belangrijk voor de enorme genetische diversiteit!
2^23 mogelijke combinaties
bij bevruchting
- Eicel en zaadcel smelten samen tot zygote:
o Heeft 23 chromosomenparen
➢ In elk chromosomenpaar: 1
chromosoom van moeder
en 1 van vader
Zygote heeft unieke genetische code
Chromosomenpaar nr.23 bepaalt geslacht ( meer bepaald door de vader ( als hij X of Y
afgeeft)