Parasitaire ziekte en zoönosen
H1 Rund
Cryptosporidium parvum
• Kalveren <1 m op stal
• Fecale-orale transmissie
• Hoge prevalentie en snelle verspreiding door
- Uitscheiding van grote aantallen oöcysten door geïnfecteerde kalveren
- Oöcysten onmiddellijk infectieus en zeer resistent in de omgeving
- Slechts klein aantal oöcysten nodig voor infectie
• Symptomen:
- Spuitende waterige bleke diarree, dehydratatie
- Verminderde voeropname, groei
• Diagnose:
- Anamnese, symptomen
- Aantonen van oöcysten in een gekleurd fecesuitstrijkje via microscopisch onderzoek
- Aantonen van antigenen in de feces (ELISA, IFT, dipstick)
- (Aantonen van DNA in de feces met PCR)
• Behandeling:
- Zieke kalveren: halofuginone-lactaat, p.o, 7 dagen, binnen 24 uur, na drinken +
isoleren
- In-contact + pasgeboren kalveren: halofuginone-lactaat
- Echt zieke dieren: paramomycine, p.o, 5 dagen, binnen 24 uur
• Preventie:
- Vaccinatie koe
- Colostrum-management
- Hygiënische maatregelen
• Zoönose: contact met dier + omgeving
Giardia Duodenalis (A&E)
• Kalveren > 1 m op stal
• Fecale-orale transmissie
• Symptomen:
- Meestal asymptomatisch
- Vaag: chronische (intermitterende) diarree
• Diagnose:
- Anamnese, symptomen
- (Aantonen van cysten in de feces-> afgeraden)
- Aantonen van antigenen in de feces ( ELISA, IFT)
• Behandeling
- Fenbendazole, p.o, meerdere opeenvolgende dagen
• Preventie:
- Hygiënische maatregelen: stal reinigen, ontsmetten en drogen. Kalveren verzetten
naar schone stal op einde van de behandeling.
• Zoönose: contact met dier + omgeving
1
,Eimeria zuernii/bovis :
• Kalveren > 1 m op stal
• Symptomen:
- Subklinisch (gewichtsverlies, verminderde eetlust)
- (bloederige) diarree
- Sufheid, anorexie, dehydratatie
- Tenesme, prolaps
• Diagnose:
- Anamnese (stalcondities), klinische symptomen
- Fecesonderzoek: aantonen van pathogene Eimeria soorten (kwalitatief), OPG
(kwantitatief) -> meerdere dieren
• Behandeling:
- Toltrazuril, p.o., eenmalig
- Diclazuril, p.o., eenmalig
- Alle dieren behandelen
- Stalhygiëne
• Preventie:
- Stalhygiëne
- Metafylactische behandeling: 2 weken na samenvoegen van kalveren-> alleen als
hygiëne niet in orde is
Nematoden:
• Worminfecties op de weide
• Ostertagia ostertagi: lebmaag, trage immuniteitsopbouw
• Cooperia oncophora :dunne darm, snelle immuniteitsopbouw
• Trichuris: dikke darm, ook op stal
• Eieren ontwikkelen zich van april tot augustus
• Klinische symptomen in 2e helft weideseizoen
• Immuniteit: daling fertiliteit, remming ontwikkeling en minder aantal wormen
• Symptomen:
- Parasitaire gastro-enteritis: diarree, anorexie, doffe vacht
- Verminderde groei/melkproductie
- Typhilitis met bloederige diarree (Trichuris)
• Diagnose (kwantitatief):
- Anamnese (ontworming/weidebeheer), symptomen : tijdens weideseizoen
- (Mestonderzoek-> niet betrouwbaar)
- Serum-pepsinogeen: tijdens weideseizoen+opstal (7 dieren, <2w na opstal)
➢ < 1.2 tyr (gezond/onvoldoende contact met worm)
➢ 1.2-3.5 tyr (subklinisch/oke)
➢ > 3,5 tyr (klinisch/te veel contact met worm)
- Tankmelk antistoffen volwassen koeien: bij opstal. >0.8 ODR risico productieverlies
• Behandeling
- Benzimidazole- fenbendazole: p.o. Adult, geen persisterende werking
- Levamisol: p.o., pour-on, injectie. Adult, geen persisterende werking
- Macrocyclische lactones- ivermectine, moxidectine (LA), doramectine: adult,
larve en geïnhibeerde larven. Injectie of pour-on. Endectociden. Persisterende
werking (2-5 w) Lange wachttijd (uitz. Eprinomectine pour-on)
2
, • Preventie:
- Preventieve ontworming in 1e helft weideseizoen: adulte doden om ei-uitscheiding te
voorkomen. Alle dieren behandelen
➢ Intra-ruminale bolus: benzimidazoles, lange werking
➢ Ontwormingsschema’s: 2-5 weken persisterende werking + 3 weken PP
- Weidebeheer: maaien, kort weideseizoen, lage bezetting, rotatie
- Ontworming moeten afgestemd worden op het weidebeheer.
Paramphistomatidae (Calicophoron daubneyi)
• Jonge dieren (eerste graasseizoen) op het einde van het weideseizoen
• Tussengastheer = amfibieslak
• Retrograde migratie van juvenielen vanuit dunne darm naar pens
• Vooral de immature stadia in het duodenum veroorzaken symptomen, de volwassen
stadia in de pens zijn van weinig pathogeen belang.
- Diarree (waterig tot hemorragisch) -> op het einde van het weideseizoen
- Enteritis
- Anorexie
- Anemie, eosinofilie, leucocytose
• Diagnose:
- Anamnese: waterige omgeving nodig, goede ontworming tegen ostertagiose
- Mestonderzoek (eieren-> dus adult aantonen) (ZnCl)
- Geen methode om juveniele aan te tonen
• Behandeling
- Oxyclozanide, p.o. -> werkt alleen tegen adulten
- Weidebeheer
Fasciola hepatica:
• Tussengastheer = amfibieslak
• Trage, onvolledige immuniteitsopbouw
• Water nodig voor ei, miracidium, cercaria en slak
• Temperatuur > 10 graden
• Er zijn twee infectieuze cyclussen per jaar:
- Bij de winterinfectie verschijnen de metacercariën op de weiden van mei tot juni
- bij de zomerinfectie van augustus tot oktober (=belangrijkste).
• Pathogenese:
- Hyperplastische cholangitis
- Fibrose
- Anemie, hypoalbuminemie
• Chronische fasciolosis is de meest voorkomende vorm bij runderen
- Wordt veroorzaakt door volwassen wormen in de galgangen
- Vooral gekenmerkt door productievermindering en anemie-> herfst/begin winter
• Diagnose
- Anamnese (risicogebied, water, seizoen)
- Post-mortem
- Bloedonderzoek: leverenzymen
- Feacesonderzoek: typische eieren (ZnCl) (bevestiging, screening, behandeling)
- Copro-antigenen ELISA (late immature stadia) (CRT voor resistentie)
- Antistof ELISA: bloed of tankmelk (screening. >0.5 ODR = behandelen)
3
, • Behandeling:
- Triclabendazole: pour-on, werkt tegen adulten en immature stadia
- Oxyclozanide: p.o. werkt alleen tegen adult. Mag nog wel gebruikt worden bij
melkvee in de droogstand
- Geen persisterende werking
• Preventie:
- Weidebeheer
- Behandelen met anthelminticum
➢ 1 keer bij opstallen + 1 keer 2/3 maanden later alleen indien productieverlies
➢ 1 keer in de winter (2/3 maanden na opstallen)
➢ Oxyclozanide bij melkvee in de droogstand
Dictyocaulus viviparus:
• L3 ver verspreid door Pilobolus
• Snelle opbouw immuniteit, maar werkt kort
• Vochtige, warme zomer
• Verdikking bronchiaal epitheel, verhoogde eosinofielen influx en slijm, emfyseem
• Grashoest: hoesten, neusvloeiing, dyspnee en soms sterfte. Productieverlies
• Diagnose:
- Symptomen, anamnese (weer, voorgeschiedenis)
- Fecesonderzoek (Baermann): L1 aantonen (meerdere dieren + verse feces)
- BAL: L1 en eosinofielen
- Autopsie: adulten in de bronchen
• Behandeling:
- Levamisole: injectie, pour-on, geen persisterende werking
- Benzimidazoles- albendazole, fenbendazole: p.o. geen persisterende werking
- Macrocyclische lactones- ivermectine, doramectine, moxidectine,
eprinomectine: injectie, pour-on. persisterende werking
• Preventie:
- Vaccinatie: levend, bestraalde L3
- Weidebeheer
- Risicofactoren vermijden (aankoop, te intensief ontwormen)
Neospora caninum:
• Hond= eindgastheer (en tussengastheer)
• Koe= tussengastheer
• Infectie horizontaal (opname van gesporuleerde oöcysten uit hondenfeces) of verticaal
(van koe naar kalf)
• Endogene transplacentaire transmissie: runderen moeten al besmet zijn voor de dracht
• Koeien kunnen individueel aborteren of een abortusstorm kan optreden. Positief gezond
kalf kan ook.
• Diagnose:
- Serologie koe: individueel of tankmelk (positief is niet sluitend)
- Serologie foetus: aantonen van antistoffen in pericardiaal of thoracaal vocht
- tachyzoïeten en bradyzoïeten aantonen in hersenen, hart, lever van de foetus met IFT
• Er is geen behandeling.
• Indien mogelijk seropositieve koeien en/of kalveren ruimen. Honden weren.
4
H1 Rund
Cryptosporidium parvum
• Kalveren <1 m op stal
• Fecale-orale transmissie
• Hoge prevalentie en snelle verspreiding door
- Uitscheiding van grote aantallen oöcysten door geïnfecteerde kalveren
- Oöcysten onmiddellijk infectieus en zeer resistent in de omgeving
- Slechts klein aantal oöcysten nodig voor infectie
• Symptomen:
- Spuitende waterige bleke diarree, dehydratatie
- Verminderde voeropname, groei
• Diagnose:
- Anamnese, symptomen
- Aantonen van oöcysten in een gekleurd fecesuitstrijkje via microscopisch onderzoek
- Aantonen van antigenen in de feces (ELISA, IFT, dipstick)
- (Aantonen van DNA in de feces met PCR)
• Behandeling:
- Zieke kalveren: halofuginone-lactaat, p.o, 7 dagen, binnen 24 uur, na drinken +
isoleren
- In-contact + pasgeboren kalveren: halofuginone-lactaat
- Echt zieke dieren: paramomycine, p.o, 5 dagen, binnen 24 uur
• Preventie:
- Vaccinatie koe
- Colostrum-management
- Hygiënische maatregelen
• Zoönose: contact met dier + omgeving
Giardia Duodenalis (A&E)
• Kalveren > 1 m op stal
• Fecale-orale transmissie
• Symptomen:
- Meestal asymptomatisch
- Vaag: chronische (intermitterende) diarree
• Diagnose:
- Anamnese, symptomen
- (Aantonen van cysten in de feces-> afgeraden)
- Aantonen van antigenen in de feces ( ELISA, IFT)
• Behandeling
- Fenbendazole, p.o, meerdere opeenvolgende dagen
• Preventie:
- Hygiënische maatregelen: stal reinigen, ontsmetten en drogen. Kalveren verzetten
naar schone stal op einde van de behandeling.
• Zoönose: contact met dier + omgeving
1
,Eimeria zuernii/bovis :
• Kalveren > 1 m op stal
• Symptomen:
- Subklinisch (gewichtsverlies, verminderde eetlust)
- (bloederige) diarree
- Sufheid, anorexie, dehydratatie
- Tenesme, prolaps
• Diagnose:
- Anamnese (stalcondities), klinische symptomen
- Fecesonderzoek: aantonen van pathogene Eimeria soorten (kwalitatief), OPG
(kwantitatief) -> meerdere dieren
• Behandeling:
- Toltrazuril, p.o., eenmalig
- Diclazuril, p.o., eenmalig
- Alle dieren behandelen
- Stalhygiëne
• Preventie:
- Stalhygiëne
- Metafylactische behandeling: 2 weken na samenvoegen van kalveren-> alleen als
hygiëne niet in orde is
Nematoden:
• Worminfecties op de weide
• Ostertagia ostertagi: lebmaag, trage immuniteitsopbouw
• Cooperia oncophora :dunne darm, snelle immuniteitsopbouw
• Trichuris: dikke darm, ook op stal
• Eieren ontwikkelen zich van april tot augustus
• Klinische symptomen in 2e helft weideseizoen
• Immuniteit: daling fertiliteit, remming ontwikkeling en minder aantal wormen
• Symptomen:
- Parasitaire gastro-enteritis: diarree, anorexie, doffe vacht
- Verminderde groei/melkproductie
- Typhilitis met bloederige diarree (Trichuris)
• Diagnose (kwantitatief):
- Anamnese (ontworming/weidebeheer), symptomen : tijdens weideseizoen
- (Mestonderzoek-> niet betrouwbaar)
- Serum-pepsinogeen: tijdens weideseizoen+opstal (7 dieren, <2w na opstal)
➢ < 1.2 tyr (gezond/onvoldoende contact met worm)
➢ 1.2-3.5 tyr (subklinisch/oke)
➢ > 3,5 tyr (klinisch/te veel contact met worm)
- Tankmelk antistoffen volwassen koeien: bij opstal. >0.8 ODR risico productieverlies
• Behandeling
- Benzimidazole- fenbendazole: p.o. Adult, geen persisterende werking
- Levamisol: p.o., pour-on, injectie. Adult, geen persisterende werking
- Macrocyclische lactones- ivermectine, moxidectine (LA), doramectine: adult,
larve en geïnhibeerde larven. Injectie of pour-on. Endectociden. Persisterende
werking (2-5 w) Lange wachttijd (uitz. Eprinomectine pour-on)
2
, • Preventie:
- Preventieve ontworming in 1e helft weideseizoen: adulte doden om ei-uitscheiding te
voorkomen. Alle dieren behandelen
➢ Intra-ruminale bolus: benzimidazoles, lange werking
➢ Ontwormingsschema’s: 2-5 weken persisterende werking + 3 weken PP
- Weidebeheer: maaien, kort weideseizoen, lage bezetting, rotatie
- Ontworming moeten afgestemd worden op het weidebeheer.
Paramphistomatidae (Calicophoron daubneyi)
• Jonge dieren (eerste graasseizoen) op het einde van het weideseizoen
• Tussengastheer = amfibieslak
• Retrograde migratie van juvenielen vanuit dunne darm naar pens
• Vooral de immature stadia in het duodenum veroorzaken symptomen, de volwassen
stadia in de pens zijn van weinig pathogeen belang.
- Diarree (waterig tot hemorragisch) -> op het einde van het weideseizoen
- Enteritis
- Anorexie
- Anemie, eosinofilie, leucocytose
• Diagnose:
- Anamnese: waterige omgeving nodig, goede ontworming tegen ostertagiose
- Mestonderzoek (eieren-> dus adult aantonen) (ZnCl)
- Geen methode om juveniele aan te tonen
• Behandeling
- Oxyclozanide, p.o. -> werkt alleen tegen adulten
- Weidebeheer
Fasciola hepatica:
• Tussengastheer = amfibieslak
• Trage, onvolledige immuniteitsopbouw
• Water nodig voor ei, miracidium, cercaria en slak
• Temperatuur > 10 graden
• Er zijn twee infectieuze cyclussen per jaar:
- Bij de winterinfectie verschijnen de metacercariën op de weiden van mei tot juni
- bij de zomerinfectie van augustus tot oktober (=belangrijkste).
• Pathogenese:
- Hyperplastische cholangitis
- Fibrose
- Anemie, hypoalbuminemie
• Chronische fasciolosis is de meest voorkomende vorm bij runderen
- Wordt veroorzaakt door volwassen wormen in de galgangen
- Vooral gekenmerkt door productievermindering en anemie-> herfst/begin winter
• Diagnose
- Anamnese (risicogebied, water, seizoen)
- Post-mortem
- Bloedonderzoek: leverenzymen
- Feacesonderzoek: typische eieren (ZnCl) (bevestiging, screening, behandeling)
- Copro-antigenen ELISA (late immature stadia) (CRT voor resistentie)
- Antistof ELISA: bloed of tankmelk (screening. >0.5 ODR = behandelen)
3
, • Behandeling:
- Triclabendazole: pour-on, werkt tegen adulten en immature stadia
- Oxyclozanide: p.o. werkt alleen tegen adult. Mag nog wel gebruikt worden bij
melkvee in de droogstand
- Geen persisterende werking
• Preventie:
- Weidebeheer
- Behandelen met anthelminticum
➢ 1 keer bij opstallen + 1 keer 2/3 maanden later alleen indien productieverlies
➢ 1 keer in de winter (2/3 maanden na opstallen)
➢ Oxyclozanide bij melkvee in de droogstand
Dictyocaulus viviparus:
• L3 ver verspreid door Pilobolus
• Snelle opbouw immuniteit, maar werkt kort
• Vochtige, warme zomer
• Verdikking bronchiaal epitheel, verhoogde eosinofielen influx en slijm, emfyseem
• Grashoest: hoesten, neusvloeiing, dyspnee en soms sterfte. Productieverlies
• Diagnose:
- Symptomen, anamnese (weer, voorgeschiedenis)
- Fecesonderzoek (Baermann): L1 aantonen (meerdere dieren + verse feces)
- BAL: L1 en eosinofielen
- Autopsie: adulten in de bronchen
• Behandeling:
- Levamisole: injectie, pour-on, geen persisterende werking
- Benzimidazoles- albendazole, fenbendazole: p.o. geen persisterende werking
- Macrocyclische lactones- ivermectine, doramectine, moxidectine,
eprinomectine: injectie, pour-on. persisterende werking
• Preventie:
- Vaccinatie: levend, bestraalde L3
- Weidebeheer
- Risicofactoren vermijden (aankoop, te intensief ontwormen)
Neospora caninum:
• Hond= eindgastheer (en tussengastheer)
• Koe= tussengastheer
• Infectie horizontaal (opname van gesporuleerde oöcysten uit hondenfeces) of verticaal
(van koe naar kalf)
• Endogene transplacentaire transmissie: runderen moeten al besmet zijn voor de dracht
• Koeien kunnen individueel aborteren of een abortusstorm kan optreden. Positief gezond
kalf kan ook.
• Diagnose:
- Serologie koe: individueel of tankmelk (positief is niet sluitend)
- Serologie foetus: aantonen van antistoffen in pericardiaal of thoracaal vocht
- tachyzoïeten en bradyzoïeten aantonen in hersenen, hart, lever van de foetus met IFT
• Er is geen behandeling.
• Indien mogelijk seropositieve koeien en/of kalveren ruimen. Honden weren.
4