Inleiding
1. Geef de definitie van belastingen (geef de vijf bestanddelen van het “begrip” belasting.)
• Verplichte bijdrage
• Opgelegd volgens bepaalde rechtsregels (legaliteitsbeginsel)
• Bijdrage is opgelegd door en betaald aan de overheid
• Bijdrage is opgelegd aan personen/feiten die een band hebben met het territorium
• De bijdrage is bestemd om diensten van algemeen nut te financieren
2. Waarom zijn sociale zekerheidsbijdragen en retributies geen belastingen?
Het is een sociale bescherming door de overheid en steunt op het verzekeringsbeginsel en de
algemene beginselen van belastingrecht zijn niet van toepassing.
Bij retributies krijg je een geïndividualiseerde dienst. Het is een vergoeding voor een rechtstreekse
tegenprestatie van de overheid in het onmiddellijk belang van de begunstigde (bv. Tolgeld,
parkeerretributie)
3. Waarom worden belastingen opgelegd of geef drie functies van de belastingen en leg uit in
maximum 5 lijnen per functie.
• Financiële functie: Belastingen moeten de overheidsuitgaven helpen financieren (In België ligt
deze belastingdruk vrij hoog)
• Herverdeling (sociaal): De inkomens worden via de belastingen herverdeeld en de
hoeveelheid is gebaseerd op verschillende familiale samenstellingen. Hierbij kunnen we ook
zien dat de grootste verdieners het meeste bijdragen (=draagkrachtbeginsel). Daarnaast is er
een verlichting van BTW op levensnoodzakelijke goederen zodat deze door iedereen
geconsumeerd kunnen worden.
• Regulering (economisch): Belastingen hebben invloed op verschillende economische
aspecten, bv. Op prijsvorming, spaarwezen, consumptie, investeringen en tewerkstelling
4. Wat is de bedoeling van de financiële functie van belastingen (Zie vraag 3)
5. Bespreek de economische functie van belastingen. Geef drie voorbeelden van deze functie weer.
(Zie vraag 3)
6. Bespreek de sociale functie van belastingen en geef twee voorbeelden van belastingwetgeving
waaruit deze functie duidelijk blijkt. (Zie vraag 3)
7. Wie mag belastingen heffen?
Art. 170 GW: De staat, gemeenschappen en gewesten, provincies en gemeenten, bepaalde
publiekrechtelijke instellingen en internationale instellingen
8. Bespreek de draagwijdte van het legaliteitsbeginsel (wettelijkheidsbeginsel).
Belastingen van de staat kunnen enkel bij wet worden ingevoerd, als gevolg moeten essentiële
elementen (tarief, toepassingsgebied, grondslag) van belastingen door de wet worden vastgelegd. Al
wat niet is vastgelegde door de wet is niet belastbaar.
9. Geef de vijf elementen die de klassieke structuur vormen van een belasting
• Persoonlijk toepassingsgebied (wie betaald?)
• Materieel toepassingsgebied (wat wordt belast?)
• Belastbare grondslag (waarop wordt belast?)
, • Tarief (hoe hoog is de belasting?)
• Formele regels (hoe verloopt de procedure?)
10. Som de drie grondwettelijke basisbeginselen op van de belastingheffing
• Legaliteitsbeginsel
• Eenjarigheidsbeginsel
• Gelijkheidsbeginsel
11. Bespreek het gelijkheidsbeginsel inzake belastingheffing.
Er zijn geen voorrechten inzake het betalen van belastingen, iedereen is er aan onderworpen. Wel
kan er een belastingvrijstelling of vermindering zijn, deze zijn door de wet bepaald.
Dit beginsel is van relatief karakter, zo zijn er verschillende fiscale behandelingen, hierbij kunnen we
denken aan de progressieve personenbelasting.
12. Welke rechterlijke instantie(s) houden toezicht op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel
door de wetgevende macht?
• Grondwettelijk hof
• Raad van State
• Hoven en rechtbanken
13. Is het belastingrecht autonoom. Verklaar je antwoord en geef een voorbeeld om je stelling te
staven.
Nee, het fiscaal recht hanteert eigen begrippen, maar er zijn afwijkingen mogelijk, dus er is geen
absolute autonomie. bv. Boekhoudrecht, burgerlijk recht, administratief recht waarbij uitdrukkelijk
naar een andere rechtstak wordt verwezen.
Voorbeeld: Burgerlijk recht: levering = eigendomsoverdracht.
BTW-recht: levering = overdracht van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.
14. Leg uit: de belastingwetten zijn van openbare orde (welke gevolgen heeft dit)?
• Wet bepaald wie schuldenaar is
• Er zijn geen afwijkingen mogelijk -> dwingend
• Belastingontduiking is niet toegestaan, ontwijking kan wel
15. Verklaar de begrippen “schuldenaar” en “drager” van een belasting.
De schuldenaar van de belasting aan de overheid is niet altijd de persoon die de belasting zal betalen,
dit zie je bijvoorbeeld bij de BTW op verkopen. Het is de “winkel” die schuldenaar is, maar de
belasting kost wordt gedragen door de consument.
16. Wat is belastingontduiking en belastingontwijking? Geef enkele voorbeelden.
Belastingontduiking is het expres niet aangeven van belastingen, door bv bepaalde inkomsten te
verbergen zoals huur van een 2e verblijf. Of foutieve cijfers te geven
Belastingontwijking is het ontwijken van bepaalde belastingen op een legale manier. Bv, wanneer je
geen auto aankoopt om zo geen verzekeringen, verkeersbelasting of taxen op benzine te betalen.
17. Bespreek het recht van de belastingplichtige om de minst belaste weg te volgen. Geef de
evolutie weer. Kan men vandaag nog spreken van het recht de minst belaste weg te volgen?
Vroeger was er de Brepolsdoctrine, hierbij had je effectief het recht om de minst belastbare weg te
volgen zolang dat alle gevolgen van de keuzes aanvaard werden. Hierop werd de anti-misbruik