hebben/zijn + participium
werkwoord = verandering van toestand van het
p
stla
onderwerp (geen lijdend voorwerp)
Bor
vb: Het ijs is gesmolten.
en
werkwoorden: blijken, blijven, gebeuren, geschieden,
Joli
(ge)lukken, mislukken, slagen, voorvallen, zijn, beginnen,
gaan, komen, ontstaan, opstaan, vallen, vertrekken,
worden, vergeten (to not remember)
vb: Het is gebeurd. De poging is mislukt.
werkwoorden: rijden, fietsen, lopen, wandelen, reizen,
N
Z IJ
stappen, zwemmen,… die een beweging uitdrukken + in
dezelfde zin wordt ook de richting gegeven
vb: Hij is naar huis gefietst.
HEBBEN/ZIJN Bijna alle overgankelijke werkwoorden (zinnen met een
lijdend voorwerp)
vb: Ze hebben een beslissing genomen.
HE
!! uitz.: beginnen, kwijtraken, naderen, tegenkomen
BB
vb: Ze is een gesprek begonnen met iemand anders.
EN
Verplicht wederkerende werkwoorden (komt later)
vb: Ze heeft zich goed gedragen.
werkwoord = geen verandering van toestand van het
onderwerp (geen lijdend voorwerp)
vb: Hij heeft lang geaarzeld.
Onpersoonlijke werkwoorden
vb: Het heeft gesneeuwd!
PARTICIPIUM
===============================================
participium = ge + stam + t
M= vb: werken - werk - gewerkt
STA up?
f t k etch !! zetten - zet - gezet t
so
REGELMATIG ander -----------------------------------------------
e gev participium = ge + stam + d
allen
(+ z-s
, v-f) vb: bellen - bel - gebeld, reizen - reis - gereisd
!! antwoorden - antwoord - geantwoord d
------------------------------------------------------------------------------------------
participium = ge
SPECIAAL inf. = be-, ge-, ...
schei
vb: bedoelen - bedoeld
dbare
ww
-------------------------------------
participium = deel 1 + ge + deel 1
vb: uitleggen - uitgelegd
------------------------------------------------------------------------------------------
ON- participium = vanbuiten leren (--> * in woordenlijst)
REGELMATIG vb: hebben - gehad