ZSO 1: PSY: Biopsychologie, neurowetenschappen en de
menselijke aard.
Split-brain (gescheiden hersenen):Chirurgische ingreep(laatste redmiddel) => pt die
vrijwel voortdurend epileptische aanvallen hebben.
Biopsychologie:Specialisme in de psychologie dat de interactie tussen biologie, gedrag
en de omgeving bestudeert.
Biopsychologen:bestuderen de biochemische processen die te maken hebben met het
gedrag van alle levende wezens. Ze willen zo proberen om te verklaren hoe het
zenuwstelsel en het endocriene stelsel samenwerken bij het tot stand komen van onze
handelingen.
Maken deel uit van de interdisciplinaire tak van de neurowetenschap
= een benaderingswijze in de wetenschap waarbij niet vastgehouden
wordt aan de eigen discipline of vakgebied, maar waar een tussenpositie
wordt gecreëerd.
Kernvraag 2.1: wat is het verband tussen genen en gedrag?
Evolutie en natuurlijke selectie.
chromosomen bevatten 1000genen => eigenschappen liggen die we van onze ouders
hebben geërfd. Elk gen bestaat uit een DNA-segment dat voor een eiwit codeert.
Eiwitten => vormen de bouwstenen van de structuur en functie van het organisme, met
inbegrip van het functioneren van de hersenen. Hoewel onlangs een conceptversie van
het menselijk genoom werd voltooid, weten we nog niet precies op welke wijze gedrag en
psychologische processen door specifieke genen wordt beïnvloed.
Het erfelijkheidsonderzoek is zo vergevorderd :
- onze genetische aanleg te veranderen
- bepaalde erfelijke kenmerken voor onze kinderen te selecteren.
De 2 communicatiesystemen van het lichaam zijn:
- Zenuwstelsel
- Hormoonstelsel
Kernconcept:
De evolutie heeft psychologische processen fundamenteel vormgegeven, omdat deze ten
gunste van genetische variaties werkt die adaptief gedrag teweegbrengen.
Verschil genen en gedrag
- Genen: worden doorgegeven via voortplanting en enkel degene met het beste
genetische bagage gaat zich kunnen aanpassen aan nieuwe situaties om te
overleven.
bv. giraf met lange nek die overleven het langste
- Gedrag: door de evolutie worden de fysieke eigenschappen van een soort
beïnvloedt waardoor er een genetisch bepaald gedrag ontstaat.
Evolutie:Het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat die
zich aanpast aan zijn omgeving.
Verschil aangeboren en aangeleerd
Aangeboren: aanwezig bij de geboorte
Aangeleerd: nog niet aanwezig bij de geboorte, iets wat je door je opvoeders
meekrijgt doorheen de jaren
Grondlegger van de evolutietheorie:Charles Darwin
Conclusie: Er moest een biologisch mechanisme bestaan dat de voortplanting en het
overleven van organismen van generatie op generatie beïnvloedde.
Natuurlijke selectie: drijvende kracht achter de evolutie, waardoor de omgeving de
best aangepaste organismen ‘selecteer’.
, mutaties: Genetische variaties die willekeurig optreden, vooral tijdens de recombinatie
van chromosomen in de geslachtscel bij geslachtelijke voortplanting.
Biologische basis : door spontane en willekeurig optredende genetische variaties
ontstaan met gunstige eigenschappen dan is de kans op overleven vergroot.
DNA: molecuul die genetische eigenschappen bevat. DesoxyriboNucleïnezuur
Genen: segmenten van een chromosoom waarin de codes voor de aansturing van de
erfelijke lichamelijke en psychische eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen.
Chromosomen: Draden waarlangs de genen zijn gerangschikt. Ze bestaan voornamelijk
uit DNA.
Geslachtschromosomen: X en Y chromosomen die onze lichamelijke
geslachtskenmerken bepalen.
Syndroom van Down: Een afwijking die wordt gekenmerkt door een slecht
psychomotorische en lichamelijke ontwikkeling en zwakzinnigheid.
Deze afwijking wordt veroorzaakt door een extra 21e chromosoom.
De gedragsgenetica proberen de verschillende gedragskenmerken tot een gezamenlijk
genetisch component te brengen. Ze gaan omgevingsinterventies ontwikkelen om zo het
genetisch bepaalde gedrag bij te sturen.
Human Genome Project: Internationaal wetenschappelijk project dat alle 23
chromosomenparen
via genetische codes duidelijk te maken.
Psychologische eigenschappen nooit uitsluitend aan erfelijkheid toeschrijven.
Ons gedrag en onze psychische processen worden bepaald door erfelijkheid en omgeving
tezamen.
Kernvraag 2.2: Hoe is de interne communicatie van het lichaam geregeld?
Het neuron: bouwsteen van het zenuwstelsel.
Het zenuwstelsel.
Het endocriene stelsel.
Neuronen ontvangen signalen via stimulatie door de dendrieten en het cellichaam.
Neuron voldoende wordt geprikkeld, ontstaat er een actiepotentiaal die langs het axon
wordt voortgeleid.
Via neurotransmitters => signaal overgebracht op receptoren op cellen aan de andere
kant van de synaps.
Het zenuwstelsel:
- Centraal: autonome zenuwstelsel, dat communiceert met organen en klieren.
- perifeer zenuwstelsel: somatische zenuwstelsel(dat weer is onderverdeeld in
sensorische en motorische zenuwbanen)
- sympatische zenuwstelsel van het autonome ZS: actiefst bij stress
- parasymptomatische zenuwstelsel: actief wanneer lichaam in rust is.
De klieren van het trager werkende hormoonstelsel communiceren ook met cellen in het
gehele lichaam door hormonen aan het bloed af te geven. De activiteit van het
hormoonstelsel wordt gereguleerd door de hypofyse, die is vastgehecht aan de basis van
de hersenen waar deze klier door de hypothalamus wordt aangestuurd. Psychoactieve
middelen zijn van invloed op het zenuwstelsel doordat ze van invloed zijn op de effecten
van neurotransmitters door als agonisten of antagonisten te werken. Helaas voor de
mensen die psychoactieve middelen gebruiken, maken veel zenuwbanen in de hersenen
gebruik van dezelfde neurotransmitters, waardoor ongewenste bijwerkingen ontstaan.
Kernconcept:
De 2 interne signaalsystemen van het lichaam, het zenuwstelsel en het endocriene
stelsel, gebruiken beide chemische boodschappers om met doelen in het hele lichaam te
communiceren.
menselijke aard.
Split-brain (gescheiden hersenen):Chirurgische ingreep(laatste redmiddel) => pt die
vrijwel voortdurend epileptische aanvallen hebben.
Biopsychologie:Specialisme in de psychologie dat de interactie tussen biologie, gedrag
en de omgeving bestudeert.
Biopsychologen:bestuderen de biochemische processen die te maken hebben met het
gedrag van alle levende wezens. Ze willen zo proberen om te verklaren hoe het
zenuwstelsel en het endocriene stelsel samenwerken bij het tot stand komen van onze
handelingen.
Maken deel uit van de interdisciplinaire tak van de neurowetenschap
= een benaderingswijze in de wetenschap waarbij niet vastgehouden
wordt aan de eigen discipline of vakgebied, maar waar een tussenpositie
wordt gecreëerd.
Kernvraag 2.1: wat is het verband tussen genen en gedrag?
Evolutie en natuurlijke selectie.
chromosomen bevatten 1000genen => eigenschappen liggen die we van onze ouders
hebben geërfd. Elk gen bestaat uit een DNA-segment dat voor een eiwit codeert.
Eiwitten => vormen de bouwstenen van de structuur en functie van het organisme, met
inbegrip van het functioneren van de hersenen. Hoewel onlangs een conceptversie van
het menselijk genoom werd voltooid, weten we nog niet precies op welke wijze gedrag en
psychologische processen door specifieke genen wordt beïnvloed.
Het erfelijkheidsonderzoek is zo vergevorderd :
- onze genetische aanleg te veranderen
- bepaalde erfelijke kenmerken voor onze kinderen te selecteren.
De 2 communicatiesystemen van het lichaam zijn:
- Zenuwstelsel
- Hormoonstelsel
Kernconcept:
De evolutie heeft psychologische processen fundamenteel vormgegeven, omdat deze ten
gunste van genetische variaties werkt die adaptief gedrag teweegbrengen.
Verschil genen en gedrag
- Genen: worden doorgegeven via voortplanting en enkel degene met het beste
genetische bagage gaat zich kunnen aanpassen aan nieuwe situaties om te
overleven.
bv. giraf met lange nek die overleven het langste
- Gedrag: door de evolutie worden de fysieke eigenschappen van een soort
beïnvloedt waardoor er een genetisch bepaald gedrag ontstaat.
Evolutie:Het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat die
zich aanpast aan zijn omgeving.
Verschil aangeboren en aangeleerd
Aangeboren: aanwezig bij de geboorte
Aangeleerd: nog niet aanwezig bij de geboorte, iets wat je door je opvoeders
meekrijgt doorheen de jaren
Grondlegger van de evolutietheorie:Charles Darwin
Conclusie: Er moest een biologisch mechanisme bestaan dat de voortplanting en het
overleven van organismen van generatie op generatie beïnvloedde.
Natuurlijke selectie: drijvende kracht achter de evolutie, waardoor de omgeving de
best aangepaste organismen ‘selecteer’.
, mutaties: Genetische variaties die willekeurig optreden, vooral tijdens de recombinatie
van chromosomen in de geslachtscel bij geslachtelijke voortplanting.
Biologische basis : door spontane en willekeurig optredende genetische variaties
ontstaan met gunstige eigenschappen dan is de kans op overleven vergroot.
DNA: molecuul die genetische eigenschappen bevat. DesoxyriboNucleïnezuur
Genen: segmenten van een chromosoom waarin de codes voor de aansturing van de
erfelijke lichamelijke en psychische eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen.
Chromosomen: Draden waarlangs de genen zijn gerangschikt. Ze bestaan voornamelijk
uit DNA.
Geslachtschromosomen: X en Y chromosomen die onze lichamelijke
geslachtskenmerken bepalen.
Syndroom van Down: Een afwijking die wordt gekenmerkt door een slecht
psychomotorische en lichamelijke ontwikkeling en zwakzinnigheid.
Deze afwijking wordt veroorzaakt door een extra 21e chromosoom.
De gedragsgenetica proberen de verschillende gedragskenmerken tot een gezamenlijk
genetisch component te brengen. Ze gaan omgevingsinterventies ontwikkelen om zo het
genetisch bepaalde gedrag bij te sturen.
Human Genome Project: Internationaal wetenschappelijk project dat alle 23
chromosomenparen
via genetische codes duidelijk te maken.
Psychologische eigenschappen nooit uitsluitend aan erfelijkheid toeschrijven.
Ons gedrag en onze psychische processen worden bepaald door erfelijkheid en omgeving
tezamen.
Kernvraag 2.2: Hoe is de interne communicatie van het lichaam geregeld?
Het neuron: bouwsteen van het zenuwstelsel.
Het zenuwstelsel.
Het endocriene stelsel.
Neuronen ontvangen signalen via stimulatie door de dendrieten en het cellichaam.
Neuron voldoende wordt geprikkeld, ontstaat er een actiepotentiaal die langs het axon
wordt voortgeleid.
Via neurotransmitters => signaal overgebracht op receptoren op cellen aan de andere
kant van de synaps.
Het zenuwstelsel:
- Centraal: autonome zenuwstelsel, dat communiceert met organen en klieren.
- perifeer zenuwstelsel: somatische zenuwstelsel(dat weer is onderverdeeld in
sensorische en motorische zenuwbanen)
- sympatische zenuwstelsel van het autonome ZS: actiefst bij stress
- parasymptomatische zenuwstelsel: actief wanneer lichaam in rust is.
De klieren van het trager werkende hormoonstelsel communiceren ook met cellen in het
gehele lichaam door hormonen aan het bloed af te geven. De activiteit van het
hormoonstelsel wordt gereguleerd door de hypofyse, die is vastgehecht aan de basis van
de hersenen waar deze klier door de hypothalamus wordt aangestuurd. Psychoactieve
middelen zijn van invloed op het zenuwstelsel doordat ze van invloed zijn op de effecten
van neurotransmitters door als agonisten of antagonisten te werken. Helaas voor de
mensen die psychoactieve middelen gebruiken, maken veel zenuwbanen in de hersenen
gebruik van dezelfde neurotransmitters, waardoor ongewenste bijwerkingen ontstaan.
Kernconcept:
De 2 interne signaalsystemen van het lichaam, het zenuwstelsel en het endocriene
stelsel, gebruiken beide chemische boodschappers om met doelen in het hele lichaam te
communiceren.