1. Biopsychosociaal model (Engel)
-> 3 factoren die elkaar beïnvloeden
- biologische determinanten: genetische en neurologische factoren die de basis
vormen voor onze emotionele en gedragsmatige reacties
- genetica
- neurologische processen
- fysiologische reacties
- psychologische determinanten: deze betreffen de interne mentale processen en
kenmerken die bijdragen aan gedrag en emoties
- persoonlijkheidskenmerken
- cognities en attitudes (gedachten, overtuigingen en verwachtingen)
- gedragsmatige aspecten
- motivatie en behoeften
- sociale determinanten: gedrag en emoties worden sterk beïnvloed door de sociale
context waarin mensen zich bevinden
- omgeving en opvoeding
- culturele invloeden
- sociale interacties en steun
- invloed van de media en technologie
=> dit model in de huidige maatschappij:
- relevanter aangezien het een holistische benadering biedt
- benadrukt belang van multidimensionale benadering om gedrag en emotie te
begrijpen waarbij de interactie tussen biologische, psychologische en sociale
factoren centraal staat
,-> Belangrijke perspectieven:
- biologisch perspectief: scheiding geest en biologisch lichaam door R. Descartes.
Gedrag is volledig biologisch te verklaren
- cognitieve perspectief: menselijke geest kan gemanipuleerd en gesimplificeerd
worden volgens Wundt (eerste echte labo experimenten)
- behavioristisch perspectief: we hebben enkel zekerheid over hetgeen wat we
effectief kunnen waarnemen volgens Watson. Ieder mens wordt geboren met een
wit blad (tabula rasa), dit blad wordt doorheen de jaren ingevuld door de omgeving
- psychodynamisch perspectief: Freud baseert zich op de onbewuste processen en
focust op de ziekte dat iemand zou (kunnen) hebben. De humanistische psychologie
bouwt hierop verder met vooral focus op menselijke groei.
- ontwikkelingsperspectief: nature-nurture debat en de interactie ertussen
- socioculturele perspectief: hoe kunnen psychische processen verschillen tussen
mensen afhankelijk van verschillende culturen
-> overzichtelijk schema:
-> Neurobiologie en gedrag:
-> casus van Phineas Gage dat zorgde voor het besef dat er een verband was tussen
lichaam en geest (uitleg casus: was een mannelijke, goed werkende spoorwerkarbeider. Hij
geraakte gewond tijdens het werk waardoor hij een ijzeren staaf door zijn gezicht heeft gekregen die
zijn schedel heeft doorboort. Na het ongeval was zijn persoonlijkheid veranderd)
-> De evolutie van de neurobiologie heeft geleid tot het inzicht dat gedrag voortkomt
uit een combinatie van genetische factoren, hersenfuncties en ervaringen, waarbij
de hersenen dynamisch reageren op de omgeving.
2
,2. Modellen van gedragsverandering
-> leren als basis voor gedragsverandering:
- aanleren van gedrag
- leren aanpassen van gedrag
-> er bestaan een hoop basistheorieën en modellen die een lens bieden om naar de praktijk
te kijken en zo dus tot gedragsverandering bij de cliënt te komen
Klassieke conditionering (Pavlov)
-> discriminatie: het vermogen om onderscheid te maken tussen A stimulus en soortgelijke
stimuli. In beide gevallen betekent het alleen reageren op bepaalde stimuli en niet reageren
op stimuli die vergelijkbaar zijn.
-> generalisatie: niet alleen op de specifieke geconditioneerde prikkel (CS) reageren, maar
ook op prikkels die erop lijken. Bv. ls een hond geleerd heeft om te kwijlen (geconditioneerde respons,
CR) bij het geluid van een bel (de geconditioneerde stimulus, CS) omdat die bel werd geassocieerd met eten,
kan de hond ook gaan kwijlen bij andere geluiden die op de bel lijken, zoals een fluitje of een andere
toonhoogte. De hond generaliseert de reactie naar vergelijkbare prikkels, ook al zijn die niet exact hetzelfde als
de oorspronkelijke geconditioneerde prikkel.
-> extinctie/uitdoving: de afname van een geconditioneerde associatie als gevolg van de
afwezigheid van een ongeconditioneerde stimulus/ bekrachtiger
-> spontaan herstel: terugreken van een uitgedoofde geconditioneerde respons na een
rustperiode
3
, Operante conditionering
-> de wet van het effect (Thorndike):
gedragingen dat beloond worden zullen
vaker vertoond worden
-> de wet van frequentie: herhaling van
gedrag stelt de kans groter dat dat
gedrag vaker voorkomt en blijvender is.
Hoe vaker een gewenst gedrag beloond
wordt, hoe consistenter er stabieler die
gedraging wordt.
-> shaping: het aanleren van gedrag via
stapsgewijze beloningen (wordt gebruikt om complexer gedrag aan te leren)
Sociaal leren
-> bobo-doll experiment
-> 5 kernelementen die hierin belangrijk zijn:
- leren is een cognitief proces in een sociale setting
- leren kan ook door gewoon gedrag te observeren
- ook kunnen we leren zonder observeerbaar gedrag te stellen
- bekrachtigingen zijn niet helemaal verantwoordelijk voor het leren
- verwachtingen spelen een grote rol in het sociaal leren (accepteren/verwerpen van
rolmodellen)
Zelfdeterminatietheorie (Ryan en Deci)
-> theorie over motivatie
-> 3 basissen om intrinsiek gemotiveerd te zijn:
- autonomie: vrijwillig denken, voelen en handelen.
Gevoel van keuze en psychologische vrijheid (ik kan
mezelf zijn
- verbondenheid: warme, authentieke band ervaren
met anderen (ik + jij = wij)
- competentie: gewenste doelen bereiken, succes ervaren en ik kan mijn
vaardigheden ontplooien
-> soorten motivatie:
4