HOOFDSTUK 1: WAT IS SOCIOLOGIE
INLEIDING :
Typisch sociologisch: wijze waarop mensen samen iets doen (alledaagse interactie tussen mensen
binnen menselijke omgevingen zoals gezinnen, markten, staten…), oefent invloed uit op het leven
van die mensen.
Bv. mensen met een hoger diploma hebben een langere en gezondere levensverwachting:
gezonder woning door hoger loon, andere vaardigheden ontwikkeld… = hogere opleiding
leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming
Conclusie: ondanks de vrije wil, het eigen lichaam…, heeft de sociale omgeving een grote invloed
op wat mensen in hun leven meemaken.
(natuurlijke blijven biologische en psychologische factoren ook belangrijk)
Hoe weet je of de sociale omgeving een belangrijke impact heeft?:
Bekijkt tijd en ruimte - Is er verschil observeerbaar tussen periodes, plaatsen en groepen?
HEBBEN MENSEN EEN VRIJE WIL ?
Jef Vermassen: “Het was geen misdrijf, want de persoon was niet ‘echt’ bij zijn bewustzijn”
DE HERSENWETENSCHAPPEN :
Herenwetenschappers: Hersenen beslissen wat we doen
Verschillende delen van onze hersenen sturen verschillende gedragingen aan
Bv. om een beslissing maken waarbij centrum genot vs pijn tegenover elkaar staan
Het sterkste (wekt het meeste elektrische energie op) centrum zal de overhand nemen
Dus dit impliceert : we nemen beslissingen vooraleer we er bewust van zijn/we zijn er niet rationeel
mee bezig.
Hebben we nog wel persoonlijke verantwoordelijkheid als er geen sprake is van ‘vrije wil’?
Bv. onze maatschappij/rechtssysteem is gebaseerd op persoonlijke verantwoordelijkheid
VOORBEELDEN VAN DINGEN DIE INVLOED HEBBEN OP ONZE LEVENS’KEUZES’
Voorbeeld: persoon geboren in middenklasse, Vlaanderen
80% kans op opleiding als vader ook hoog opgeleid is (opleidingsniveau wordt doorgegeven
naar kinderen)
Kans op hoog opleidingsniveau, werk…
Voorbeeld: werkloosheid
Het land bepaalt uw kans op het hebben van een job
Positie in het land: migratie of niet… heeft grote impact
Voorbeeld: wat is je kijk op de wereld (overspel, zelfdoding… -> hoe aanvaardbaar?)
Land/cultuur bepaalt veel (bv. be <> nl)
Voorbeeld: man- vrouw relaties
Sociale klasse heeft invloed (wat doet de vrouw en man in het huishouden?)
MORAALFILOSOOF JAN VERPLAETSE
1
,Vrije wil = “het vermogen om zelf, oorzaakloos, te beslissen wat en hoe je het doet”
Maar:
We handelen niet oorzaakloos!
Brein = er gebeurt van alles in ons brein, maar en zijn politieke en sociale oorzaken die uitkomsten
genereren
We handelen zelf, maar op basis van een context (bv. de samenleving die ons bepaalde
richtingen uit stuurt)
SOCIOLOGIE EN DE SOCIOLOGISCHE VERBEELDING:
“We hebben vrije wil, hersenen hebben invloed, maar we hebben buren, vrienden, familie, de
omgeving… en die hebben invloed op de gevolgen in ons leven.”
DE SOCIOLOGISCHE VERBEELDING :
= hoe de socioloog/menswetenschapper naar de werkelijkheid/naar mensen en hun leven kijkt –
hoe heeft onze omgeving invloed op ons:
Ruimere geheel bekijken
Bekijken van sociale relaties die onze biografieën bepalen (de sociale relaties zijn resultaat
van een historisch proces)
Stap 1: kijken naar de biografie/levensloop kijken
Bv. lid van de jeugdbeweging
We gaan naar de chiro, omdat onze ouders hiervoor kozen (dus niet uit eigen wil)
Stap 2: hoe is onze levensloop gelinkt aan de sociale omgeving
Ouders willen van ons af, ze zijn moe van werk… dus ze willen je zondag het huis uit
Dus: chiro, scouts…
Stap 3: sociale omgeving = resultaat van historische ontwikkeling
In de IR moest iedereen hard werken
Nu komt er vrije tijd… die moet opgevuld worden
Wij zijn dus het product van onze omgeving en onze tijd.
Nog een VB:
Stap 1 (biografie): studiekeuze
Stap 2 (sociale omgeving): bedrijven vragen hooggeschoolden
Stap 3 (kennissamenleving): waarde aan kennis
VAN GEDRAG TOT SAMENLEVING – BELANGRIJKE BEGRIPPEN = BOUWSTENEN
VAN DE BIOGRAFIE
1.GEDRAG
= elke actie of reactie van een individu
Gedrag bevat altijd een objectief waarneembare en een subjectief waarneembare dimensie
1. Objectief waarneembare – externe componenten:
= aspecten die door ten minste 2 individuen (ego 1 en alter2) kunnen worden waargenomen.
1
zelfperceptie
2
Een andere persoon
2
, Bv. woorden, gebaren, lichamelijke bewegingen
2. Subjectieve/interne componenten:
= gedrag is maar door één waarnemer (ego) waarneembaar.
Bij de subjectieve dimensie hoort ook:
1.1 de motivationele compenent
= de ultieme drijfveren van het handelen die gedrag motiveren/aanzetten
Winstmaximalisatie, zucht naar sociale erkenning (self-esteem), zucht naar controle
(mastery), seksuele lust…
1.2 de emotionele component
= innerlijke gevoelens (angst, onrust, schaamte…)
1.3 de cognitieve component
= de overtuigingen, kennis en gedachten die iemand heeft
Beelden die de werkelijkheid vormen
1.4 de reflexieve component
= zelfbewustzijn en de zelfreflectie binnen iemands innerlijke beleving
Beelden die onszelf/onze ID vormen
Opmerking: in werkelijkheid kruisen de dimensies elkaar en zijn ze niet te scheiden.
Voorbeeld van de verwevenheid van interne en externe dimensies: gelaatsuitdrukkingen
gaan meestal samen met emoties.
2.SOCIAAL HANDELEN
Handelen heeft altijd als finaliteit de realisatie van een doel.
Handelen is gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtheid
Bv. Kijken naar de uitgang van een lokaal => voorbereiding om lokaal te verlaten
Wanner dit zonder hindering gebeurt, doen we dit vooral onbewust. Indien er obstakels zijn, zullen
we bewuster mentaal voorbereiden.
Door doelgerichtheid krijgt het handelen een betekenis
Deze betekenis komt overeen met de mentale voorbereiding/projectie – de betekenis van
een handeling valt samen met de mentale projectie die aan de handeling voorafgaat.
Bv. als iemand vraagt wat je doet, zal je antwoorden dat je het lokaal verlaat. De stappen
die je zet (de voorbereiding) hebben als betekenis het verlaten van het lokaal
MAX WEBER :
“Wanneer we het handelen richten op het vroegere, huidige of toekomstige handelen van anderen,
spreken we van sociaal handelen.”
Handelen is sociaal wanneer de actor rekening houdt met wat anderen deden, doen of
kunnen doen, wanneer ze het gedrag plannen.
SOCIALE HANDELINGSTYPOLOGIE VAN MAX WEBER :
1. Instrumenteel rationeel handelen - Zweckrational
= actoren willen een bepaald doel bereiken binnen een bepaalde handelingssituatie
3
, De handelingssituatie bestaat uit mensen/objecten die de voorwaarden van doelrealisatie
bepalen
De voorwaarden = condities van het handelen (kunnen niet gemanipuleerd/gewijzigd
worden)
De middelen van de handelende actor om tot doelrealisatie te komen = te wijzigen
elementen
= streven naar optimalisatie van efficiëntie
2. Waarderationeel handelen – Wertrational
= de handeling op zich is waardevol – bewust geloof in de waardevolheid van de handeling
staat centraal
= geen specifiek doel
De waarde kan ethisch, esthetisch, religieus… zijn
= eisen die de actor als bindend ervaart volgen
Opmerking: in de werkelijkheid zal er bij waarderationeel handelen ook sprake zijn van middelen en
condities. We moeten dus nagaan of efficiëntie of de waardevolheid de overhand neemt in een
situatie.
3. Affectief handelen
= handelen gedreven door het navolgen van gevoelens
= vaak ongecontroleerde reactie op een bepaalde stimulus
(betekenis niet altijd duidelijk, maar door rationalisatie kan de betekenis wel achterhaald
worden)
4. Traditioneel handelen
= gewoontehandelen bonnen de sociale dimensie (niet individuele dimensie)
Traditie leidt tot herhaling van eenzelfde actie met een verplicht karakter
Verleden is bepalend (voor het vormgeven van de toekomst)
Gebrek aan reflexiviteit3
Opmerking: als mensen bewust zijn van de traditie en die op zich gaan waarderen, kan dit ook als
waarderationeel handelen worden beschouwd.
3.INTERACTIE
Sociaal handelen = onderbouw van interactie
Interactie = handelingen van een persoon en de reactie daarop door een ander persoon
Handelen kent een bepaalde herkenbaarheid en voorspelbaarheid
Achter handelen zitten motieven
Sociale interactie is mogelijk doordat we kunnen reageren op het handelen van anderen en
op gevolgen van eigen handelen kunnen anticiperen
Twee soorten motieven:
1. Opdat-motieven
= handelen opdat iets zou worden gerealiseerd
Pragmatisch, axiologisch (volgens waarden), affectief of traditioneel handelen
We proberen een extern doel, een waarde… te realiseren
2. Omdat-motieven
= reactief
= een handeling van iemand vanuit een ‘opdat’ motief, wordt voor de andere een ‘omdat
motief
3
Stoppen, denken en kiezen – niet geduwd worden door het verleden – kritisch stilstaan
en kiezen welke richting je uit wilt.
4