H1: Inleiding 6
1.1 Aandoeningen 6
1.2 Symptomen en klinische tekenen 6
1.3 Concept: symptoom - ziektebeeld - aandoening 6
H2: Algemeen deel inflammatie 7
2.1 Inzicht in de normale werking van het immuunsysteem 7
2.1.1 Lokale ontsteking en algemeen zieke patiënt 7
2.1.2 Wat is het immuunsysteem? 7
2.1.3 Aangeboren vs adaptieve immuniteit 7
2.1.4 Tijdslijn van een normaal immuunantwoord tegen een virus 8
2.1.5 Interacties tussen aangeboren en adaptieve immuniteit 9
2.1.6 Communicatie tussen immuuncellen onderling en andere cellen 9
2.1.7 Cytokines 9
2.1.8 Sensoren in de aangeboren immuniteit: “pattern recognition receptors” 10
2.1.9 Aangeboren immuniteit: inflammatie 11
2.1.10 Kenmerken van het adaptief immuunsysteem 11
2.1.11 Het adaptief immuunsysteem: antigenen? 11
2.2 Voorbeelden van problemen door overactief immuunsysteem 12
2.2.1 ARDS: acute respiratory distress syndrome 12
2.2.2 Allergie: belang mast-cel degranulatie 12
2.2.3 Inflammatoire darmziekten 13
2.2.4 Autoimmuniteit 13
H3: Slokdarm - maag - darm 13
3.1 Anatomie 13
3.2 Zones van het abdomen 14
3.3 Terminologie van ingrepen - procedures 14
3.4 Symptoom - ziektebeeld - aandoening 15
3.4.1 Klinische tekenen en symptomen 15
3.4.1.1 Specifiek 15
1. Dysfagie 15
2. Odynofagie 15
3. Pyrrosis (heartburn - zuurbranden) 15
4. Regurgitaties 15
5. Nausea/ braken 15
6. Verandering in stoelgang 16
7. Abdominale pijn 16
3.4.1.2 Algemene klinische tekenen en symptomen 17
3.4.2 Ziektebeelden 17
3.4.2.1 Passagestoornissen 17
1. Mechanische 17
2. Functioneel 18
1
, 3.4.2.2 Bloedingen 18
1. Symptomen en oorzaken van bloedingen 19
2. Klinische consequenties van bloedverlies op 24h tijd 19
3.4.2.3 Peritonitis (buikvliesontsteking) 20
3.4.2.4 Malabsorptie 21
3.4.3 Aandoeningen 21
H4: Slokdarm 22
4.1 Onderzoekstechnieken slokdarm 22
4.1.1 RX slokdarm 22
4.1.2 Endoscopie en echo-endoscopie 22
4.1.3 24H Ambulante PH-meting 22
4.1.4 Impedantiemeting 23
4.1.5 Manometrie van slokdarm 23
4.1.6 FDG-PET-CT 23
4.2 Aandoeningen van slokdarm 23
4.2.1 Aangeboren: divertikel van Zenker 23
4.2.2 Ontstekingen: Gastro-oesofagaal reflux disease (GERD) 24
4.2.2.1 Graden 24
4.2.2.2 Factoren die reflux oesofagitis bevorderen 24
4.2.2.3 Factoren die beschermen tegen reflux oesofagitis 25
4.2.2.4 Risico op Barrett slokdarm 25
4.2.2.5 Behandeling reflux oesofagitits 25
4.2.3 Ontstekingen: schimmelinfecties van slokdarm 26
4.2.4 Ontstekingen: eosinofiele oesofagitis 26
4.2.5 Tumoren: slokdarmkanker 27
4.2.6 Functioneel 27
4.2.7 Traumatisch: vreemde voorwerpen 28
H5: De maag 28
5.1 Onderzoekstechnieken 28
5.2 Aandoeningen van de maag 29
5.2.1 Ontstekingen: gastritis (maagontsteking) 29
5.2.2 Ontstekingen: maagzweer (ulcus) 29
5.2.3 Tumoren: maagkanker (adenocarcinoom) 30
H6: Dunne darm 30
6.1 Overzicht van organen die belangrijk zijn voor digestie/absorptie 30
6.2 Anatomie en functie van de dunne darm 31
6.2.1 Anatomie van de dunne darm 31
6.2.2 Functies van de dunne darm 31
6.3 Overzicht aandoeningen dunne darm 32
6.3.1 Aangeboren: divertikel van Meckel 32
6.3.2 Ontsteking: ziekte van Crohn (= IBD, inflammatoire darmziekte) 32
6.3.2.1 Verwikkelingen van de ziekte van Crohn = stenosen en fistels 33
2
, 6.3.2.2 Extra-intestinale manifestaties van IBD 34
6.3.2.3 Diagnose stellen 34
6.3.2.4 Behandeling 34
6.3.2.5 Anti-TNF 34
6.3.3 Ontsteking: coeliakie (of gluten-enteropathie) 35
H7: Dikke darm en aars 35
7.1 Anatomie en normale functie van de dikke darm 35
7.1.1 Functies van de dikke darm 35
7.1.2 Anatomie van de dikke darm 36
7.2 Onderzoeken dikke darm 36
7.3 Aandoeningen dikke darm 37
7.3.1 Aangeboren: ziekte van Hirschsprung 37
7.3.2 Ontstekingen: acute appendicitis 37
7.3.3 Ontstekingen: acute diverticulitis 38
7.3.4 Ontstekingen: colitis ulcerosa 38
7.3.5 Tumoren: dikke darm kanker (adenocarcinoom) 39
7.3.6 Functioneel: chronische constipatie 39
7.3.7 Functioneel: prikkelbare darmsyndroom (IBS) 40
7.4 Aandoeningen aars 41
7.4.1 Ontstekingen: anaal abces en fistel 41
7.4.2 Tumoren: anale wratten 41
7.4.3 Vasculair: hemorroïden of aambeien 41
7.4.4 Traumatisch: anale kloof (of fissuur) 42
H8: Lever en galwegen 42
8.1 Anatomie en functie van de lever 42
8.1.1 De verschillende cellen 43
8.1.2 Samenstelling gal(vocht) en uitscheiding 43
8.1.3 Hoe kunnen we de lever en de galwegen onderzoeken? 44
8.1.4 Interpretatie van bloedwaarden 44
8.1.5 Aandacht voor de bovenbuik 45
8.2 Symptomen en klinische tekens 45
8.2.1 Specifieke symptomen en klinische tekens 45
8.2.1.1 Icterus 45
8.2.1.2 Hepatische encefalopathie (HE) 46
8.2.1.3 Ascites 47
8.2.1.4 Verhoogde bloedingsneiging 47
8.2.1.5 Pijn 47
8.2.1.6 Stoelgangsverandering 47
8.2.2 Algemene symptomen en klinische tekenen 47
8.3 Overzicht ziektebeelden 48
8.3.1 Leverfalen of leverinsufficiëntie: definities 48
8.3.1.1 Acuut leverfalen 48
3
, 8.3.1.2 Chronisch leverfalen 50
8.3.2 Bloedingen en aandoeningen van lever en galwegen 52
8.3.3 Passagestoornissen en aandoeningen van lever en galwegen 52
8.3.4 Peritonitis en aandoeningen van lever en galwegen 53
8.3.5 Malabsorptie en aandoeningen van lever en galwegen 53
8.4 Lever aandoeningen 53
8.4.1 Aangeboren: ijzerstapeling 53
8.4.2 Ontstekingen: virale hepatitis 54
8.4.3 Ontstekingen: niet-alcoholische steatohepatitis (NASH) 55
8.4.4 Ontstekingen: toxisch leverlijden 56
8.4.4.1 Toxisch leverlijden, met alcohol als voorbeeld 56
8.4.5 Tumoren: goedaardig (leverkanker) 57
8.4.5 Tumoren: kwaadaardig (leverkanker) 58
8.5 Galblaas en galwegen aandoeningen 59
8.5.1 Aangeboren: atresie (afwezigheid) van de galwegen 59
8.5.2 Ontstekingen 60
8.5.2.1 Calculeuze cholecystitis 60
8.5.2.2 Calculeuze cholangitis 61
8.5.2.3 Primair scleroserende cholangitis (PSC) 61
8.5.2.4 Primaire biliaire cholangitis (PBC) 62
8.5.3 Tumoren: galblaaskanker, galwegkanker (cholangiocarcinoma) 62
H9: Pancreas 62
9.1 Anatomie en fysiologie 62
9.2 Onderzoekstechnieken 63
9.3 Ziektebeelden 63
9.3.1 Passagestoornissen 63
9.3.2 Bloedingen 63
9.3.3 Peritonitis 63
9.3.4 Malabsorptie 64
9.3.5 Diabetes mellitus (endocrien pancreasfalen) 64
9.3.5.1 Oral glucose tolerance test 65
9.3.5.2 Incretine effect op insuline secretie 65
9.3.5.3 Types diabetes patiënt 66
9.3.5.4 Verwikkelingen van diabetes mellitus 66
9.3.5.5 Behandeling 67
9.4 Aandoeningen 67
9.4.1 Aangeboren: mucoviscidose of taaislijmziekte (Cystic fibrose) 67
9.4.2 Ontstekingen: acute pancreatitis 68
9.4.3 Ontstekingen: chronische pancreatitis 69
9.4.4 Tumoren: pancreaskanker 70
H10: Longen 72
10.1 Anatomie en fysiologie 72
4
, 10.1.1 Anatomie van de longen 72
10.1.2 Functie van de longen 73
10.2 Onderzoekstechnieken 74
10.2.1 Klinische onderzoek 74
10.2.2 Beeldvorming 74
10.2.3 Longfunctie 74
10.2.4 Bronchoscopie 75
10.2.5 Bloed-en sputum onderzoek 75
10.3 Klinische symptomen 75
10.3.1 Specifieke symptomen 75
10.3.1.1 Dyspnoe 75
10.3.1.2 Respiratory distress 75
10.3.1.3 Cyanose 76
10.3.1.4 Hoest en sputum 76
10.3.1.5 Hemptoë 76
10.3.1.6 Thoracale pijn 76
10.3.1.7 Piepende ademhaling 76
10.3.2 Algemene symptomen 76
10.4 Ziektebeelden 76
10.4.1 Respiratoir falen of respiratoire insufficiëntie 76
10.4.1.1 Voorbeeld: Acuut respiratoir falen door ARDS 77
10.4.1.2 Oorzaken van respiratoor falen door ARDS 77
10.4.1.3 ARDS ontstaat door overdreven reactie van het immuunsysteem 77
10.4.2 Obstructief longlijden 77
10.4.2.1 Behandeling obstructief longlijden 78
10.4.2.2 Indicaties voor longtransplantatie 78
10.4.3.3 Behandeling astma 79
10.4.3 Restrictief longlijden 79
10.4.3.1 Voorbeeld: pneumothorax 79
10.4.3.2 Voorbeeld: interstitiële longaandoeningen 79
10.4.4 Pulmonale hypertensie 79
10.5 Aandoeningen 80
10.5.1 Aangeboren: mucoviscidose 80
10.5.2 Aangeboren: Alfa-1-antitrypsine tekort 80
10.5.3 Ontstekingen: pneumonie (pneumonitis, longontsteking) 81
10.5.4 Tumoren: longkanker 81
10.5.5 Vasculair: longembolie 82
5
, Ziekteleer: Chris Verslype
H1: Inleiding
1.1 Aandoeningen
Aandoeningen = verstoring normale structuur en/of werking van organen of orgaansystemen
Mogelijke indeling:
● Aangeboren (congenitaal), ook ontwikkelingsstoornissen
● Ontsteking (inflammatie): basis van veel verschillende ziekten
● Tumor
● Bloedvaten (vasculair)
● Functioneel: anatomisch niks mis, toch klachten
● Traumatisch
○ Ongevallen
○ Iatrogeen = dingen die in ziekenhuis gebeuren waardoor P zieker wordt
● Degeneratief: veroudering kan je tot in zekere mate iets aan doen
1.2 Symptomen en klinische tekenen
● Symptomen:
○ Klachten van patiënt die die zelf aanhaalt
○ Klachten van patient die bevraagd moeten worden -> anamnese
■ Heteroanamnese = familie erbij betrekken
■ Open vragen stellen en erna gesloten
● Klinische tekenen = opgespoord door lichamelijk onderzoek
● Onderscheid specifiek – algemeen
○ Specifieke = voor bepaald orgaanstelsel
○ Algemeen vb. vermoeidheid, koorts, vermagering, groeiachterstand, huidafwijkingen,
gewrichtsklachten
1.3 Concept: symptoom - ziektebeeld - aandoening
● Ziektebeeld =
○ Combo van klachten (symptomen) + afwijkingen die bij lichamelijk onderzoek worden
vastgesteld (klinische tekenen)
○ Leidraad voor uitvoeren bijkomende onderzoeken om te komen tot diagnose van
bepaalde aandoening
● Diagnose gesteld -> behandeling starten
● Verschil:
○ Ziektebeeld = kan variëren met tijd -> klachten kunnen variëren
○ Aandoening = duidelijk met de tijd
○ Voorbeeld:
■ Pijn op borstkas + uitstraling naar schouder + kortademig + druk op borstkas
■ Al 1 uur lang, dikke benen, 65 jaar
■ Aandoening = atherosclerose
■ Ziektebeeld = myocardischemie
6
,H2: Algemeen deel inflammatie
2.1 Inzicht in de normale werking van het immuunsysteem
2.1.1 Lokale ontsteking en algemeen zieke patiënt
Belangrijkste tekens van ontsteking:
● Rubor = roodheid
● Calor = warmte
● Tumor = zwelling
● Dolor = pijn
Hoe kan je hierdoor algemeen ziek worden?
2.1.2 Wat is het immuunsysteem?
● Ontwikkeld in evolutie
● Geheel van mechanismen die ons organisme beschermen tegen:
○ Pathogeen: bacterien, virussen, parasieten
○ Schadelijke fysische of chemische prikkels
○ Beschadigde lichaamscellen: bij iedereen kankercellen = opruimen met
immuunsysteem
● Lichaam moet weten dat er iets mis is en moet ingrijpen -> sensor moet het voelen en
effector moet ingrijpen
● Sensoren en effectors gegroepeerd in:
○ Aangeboren (innate) = valt bacterie aan ook al heeft die die nog nooit eerder gezien
-> we zijn geboren met een functioneel systeem
○ Adaptieve immuniteit
2.1.3 Aangeboren vs adaptieve immuniteit
Deze 2 systemen = complementair
Kenmerk Aangeboren Adaptief
Specificiteit Werkt zeer breed, niet specifiek naar 1 bepaald Heel gericht op pathogeen
pathogeen, alles heel efficiënt opruimen
Geheugen Geen geheugen Geheugen na het is
blootgesteld aan iets
Timing van Reageert heel snel, binnen een paar minuten Werkt traag, kan een paar
respons dagen duren
7
, Activatie Constitutioneel actief, aanwezig bij geboorte Geactiveerd in elk individu als
respons op pathogeen
presentatie of antigen contact
Ontwikkeling Volledig functioneel bij geboorte Adapteert zich over de tijd, na
contact met antigeen
Effectors Huid, complement, inflammatie en cellen T-lymfocyten
B-lymfocyten, antilichamen
2.1.4 Tijdslijn van een normaal immuunantwoord tegen een virus
● Virus vb. griep = stijgt in het begin
● Aangeboren immuniteit:
○ Van zodra virus in lichaam -> interferon (IFN) en natural killers (NK) stijgen in bloed
○ Reactie die niet specifiek is op het virus
○ Dalen na een tijd terug
○ Virus blijft stijgen
○ Aangeboren blijft aantal dagen actief -> adaptief schiet in gang (na 2 dagen)
● Adaptieve immuniteit:
○ Virusspecifieke cellen komen + antistoffen verschijnen -> kunnen meten na infectie
○ Neemt specifiek over
○ Goed functioneren van adaptieve immuniteit -> virus onder controle houden
○ Reactie immuniteit = je kan er meer ziek van zijn dan van eigenlijke infectie
● Aangeboren:
○ Granulocyten = vol granulen
■ Basofielen + neutrofielen + eosinofielen -> in bloed bepalen hoeveel er zijn
○ Mestcellen = vol granulen
○ Natural killers (NK)
○ Macrofagen = kruipen overal rond -> zien iets en nemen op
○ Dendritische cellen -> switch van aangeboren naar adaptief
■ Activeren T en B cellen
■ = Communicator cel
● Adaptief:
○ T-cellen: CD4+ Helper en CD8+ Cytotoxic
○ B-cellen (antibodies)
■ 1 soort antistof aanmaken
■ Draagt op oppervlak ook antistof
8
,2.1.5 Interacties tussen aangeboren en adaptieve immuniteit
● Aangeboren en adaptieve immuniteit zijn continu aan het samenwerken
● Het ene versterkt het andere
● Voorbeeld: complement
○ Eiwitten die geactiveerd worden en schadelijke substanties uitschakelen
○ Antistoffen gevormd in latere fase + binden aan antigen = complement activeren
2.1.6 Communicatie tussen immuuncellen onderling en andere cellen
● Contact afhankelijk:
○ Cellen komen elkaar tegen en komen tegen receptoren
○ Enorm netwerk tussen de cellen
○ Voorbeelden:
■ Adhesiemoleculen (vb. integrinen)
■ T-celreceptor -> HLA-peptide
■ Stimulerende kernreceptoren
■ Remmende kernreceptoren
■ Gap-overgangen
● Contact onafhankelijk: cytokines = signaalmoleculen tussen cellen
○ Hier heb je veel van
○ Binden aan receptoren
2.1.7 Cytokines
● Zeer grote familie -> groep van meer dan 100 kleine (5-20 kD) glycoproteïnen
● Belangrijk zijn bij celsignalering
○ Binden aan hoge affiniteit receptoren
○ Grijpen in op cellen die ze secreteren (autocrien) of naburige cellen (paracrien)
● 1 cytokine kan meerdere biologische acties hebben (pleiotropie)
● Gelijkaardige functies kunnen gestimuleerd worden door andere cytokines (redundantie)
● vb. erytropoietine, TFNα
Koorts = gecontroleerde temperatuurstijging tgv de hogere instelling van de setpoint
referentietemperatuur
● Inflammatoire stimulus vb. infectie, stress, …
● Monocyten + macrofagen actief -> ziek van worden -> aanmaak cytokines
● Cytokines vrijgezet in bloed -> hersenen
● Cytokines komen op locatie aan -> setpoint verhogen naar 38,5° (komt van 36,8°)
○ Cytokines vb naar lever en hier vanalles aanmaken
■ CRP stijgt in bloed = beetje vertraging op
■ Daling albumine
■ …
○ Lichaam doet alles om de 38,5° te halen WANT is setpoint geworden
■ E-metabolisme hoger, veranderingen in slaap, cutane-doorbloeding minder,
hartslag omhoog
■ Rillen (vaak al voor je koorts hebt): weten dat koorts zal komen
○ Koorts weg?
■ Aspirine -> doen prostaglandines zakken
■ Set point terug naar 36,8°
■ Zweten, warm zijn, doorbloeding huid beter
■ Natuurlijke mechanisme om koorts te doen dalen = endogene antipyretica
● Systemische respons:
9
, ○ Metabole reacties
■ Verlies spieren
■ Botontkalking
○ Biochemisch:
■ Ijzer in bloed zakt -> bacteriën hebben ijzer nodig om te groeien
■ Lichaam haalt zelf ijzerconcentratie naar beneden
○ Hematologisch: leukocytosis
○ Neuroendocrine: koorts en ziek
● Sommige cellen kunnen door koorts beter functioneren
● Algemeen ziek bij ontsteking -> cytokines + lever heeft versterkend effect
2.1.8 Sensoren in de aangeboren immuniteit: “pattern recognition receptors”
Hoe maakt lichaam onderscheid tussen lichaamscel en andere cellen die er niet thuis horen?
○ Door PRRs = verzameling van receptoren die aanwezig kunnen zijn
■ Op cellen
■ In cellen
■ In plasma
● Herkennen 2 klassen van moleculen die afwezig zijn in gezonde, normale cellen
○ PAMPs = pathogeen geassocieerde moleculaire patronen
■ Wand bacteriën op zichzelf al voldoende om iets in gang te zetten
■ vb. bacteriën of virussen
○ DAMPs = danger geassocieerde moleculaire patronen
■ Moleculen die vrijgezet worden na celschade
■ vb. verbranding, UV
10
1.1 Aandoeningen 6
1.2 Symptomen en klinische tekenen 6
1.3 Concept: symptoom - ziektebeeld - aandoening 6
H2: Algemeen deel inflammatie 7
2.1 Inzicht in de normale werking van het immuunsysteem 7
2.1.1 Lokale ontsteking en algemeen zieke patiënt 7
2.1.2 Wat is het immuunsysteem? 7
2.1.3 Aangeboren vs adaptieve immuniteit 7
2.1.4 Tijdslijn van een normaal immuunantwoord tegen een virus 8
2.1.5 Interacties tussen aangeboren en adaptieve immuniteit 9
2.1.6 Communicatie tussen immuuncellen onderling en andere cellen 9
2.1.7 Cytokines 9
2.1.8 Sensoren in de aangeboren immuniteit: “pattern recognition receptors” 10
2.1.9 Aangeboren immuniteit: inflammatie 11
2.1.10 Kenmerken van het adaptief immuunsysteem 11
2.1.11 Het adaptief immuunsysteem: antigenen? 11
2.2 Voorbeelden van problemen door overactief immuunsysteem 12
2.2.1 ARDS: acute respiratory distress syndrome 12
2.2.2 Allergie: belang mast-cel degranulatie 12
2.2.3 Inflammatoire darmziekten 13
2.2.4 Autoimmuniteit 13
H3: Slokdarm - maag - darm 13
3.1 Anatomie 13
3.2 Zones van het abdomen 14
3.3 Terminologie van ingrepen - procedures 14
3.4 Symptoom - ziektebeeld - aandoening 15
3.4.1 Klinische tekenen en symptomen 15
3.4.1.1 Specifiek 15
1. Dysfagie 15
2. Odynofagie 15
3. Pyrrosis (heartburn - zuurbranden) 15
4. Regurgitaties 15
5. Nausea/ braken 15
6. Verandering in stoelgang 16
7. Abdominale pijn 16
3.4.1.2 Algemene klinische tekenen en symptomen 17
3.4.2 Ziektebeelden 17
3.4.2.1 Passagestoornissen 17
1. Mechanische 17
2. Functioneel 18
1
, 3.4.2.2 Bloedingen 18
1. Symptomen en oorzaken van bloedingen 19
2. Klinische consequenties van bloedverlies op 24h tijd 19
3.4.2.3 Peritonitis (buikvliesontsteking) 20
3.4.2.4 Malabsorptie 21
3.4.3 Aandoeningen 21
H4: Slokdarm 22
4.1 Onderzoekstechnieken slokdarm 22
4.1.1 RX slokdarm 22
4.1.2 Endoscopie en echo-endoscopie 22
4.1.3 24H Ambulante PH-meting 22
4.1.4 Impedantiemeting 23
4.1.5 Manometrie van slokdarm 23
4.1.6 FDG-PET-CT 23
4.2 Aandoeningen van slokdarm 23
4.2.1 Aangeboren: divertikel van Zenker 23
4.2.2 Ontstekingen: Gastro-oesofagaal reflux disease (GERD) 24
4.2.2.1 Graden 24
4.2.2.2 Factoren die reflux oesofagitis bevorderen 24
4.2.2.3 Factoren die beschermen tegen reflux oesofagitis 25
4.2.2.4 Risico op Barrett slokdarm 25
4.2.2.5 Behandeling reflux oesofagitits 25
4.2.3 Ontstekingen: schimmelinfecties van slokdarm 26
4.2.4 Ontstekingen: eosinofiele oesofagitis 26
4.2.5 Tumoren: slokdarmkanker 27
4.2.6 Functioneel 27
4.2.7 Traumatisch: vreemde voorwerpen 28
H5: De maag 28
5.1 Onderzoekstechnieken 28
5.2 Aandoeningen van de maag 29
5.2.1 Ontstekingen: gastritis (maagontsteking) 29
5.2.2 Ontstekingen: maagzweer (ulcus) 29
5.2.3 Tumoren: maagkanker (adenocarcinoom) 30
H6: Dunne darm 30
6.1 Overzicht van organen die belangrijk zijn voor digestie/absorptie 30
6.2 Anatomie en functie van de dunne darm 31
6.2.1 Anatomie van de dunne darm 31
6.2.2 Functies van de dunne darm 31
6.3 Overzicht aandoeningen dunne darm 32
6.3.1 Aangeboren: divertikel van Meckel 32
6.3.2 Ontsteking: ziekte van Crohn (= IBD, inflammatoire darmziekte) 32
6.3.2.1 Verwikkelingen van de ziekte van Crohn = stenosen en fistels 33
2
, 6.3.2.2 Extra-intestinale manifestaties van IBD 34
6.3.2.3 Diagnose stellen 34
6.3.2.4 Behandeling 34
6.3.2.5 Anti-TNF 34
6.3.3 Ontsteking: coeliakie (of gluten-enteropathie) 35
H7: Dikke darm en aars 35
7.1 Anatomie en normale functie van de dikke darm 35
7.1.1 Functies van de dikke darm 35
7.1.2 Anatomie van de dikke darm 36
7.2 Onderzoeken dikke darm 36
7.3 Aandoeningen dikke darm 37
7.3.1 Aangeboren: ziekte van Hirschsprung 37
7.3.2 Ontstekingen: acute appendicitis 37
7.3.3 Ontstekingen: acute diverticulitis 38
7.3.4 Ontstekingen: colitis ulcerosa 38
7.3.5 Tumoren: dikke darm kanker (adenocarcinoom) 39
7.3.6 Functioneel: chronische constipatie 39
7.3.7 Functioneel: prikkelbare darmsyndroom (IBS) 40
7.4 Aandoeningen aars 41
7.4.1 Ontstekingen: anaal abces en fistel 41
7.4.2 Tumoren: anale wratten 41
7.4.3 Vasculair: hemorroïden of aambeien 41
7.4.4 Traumatisch: anale kloof (of fissuur) 42
H8: Lever en galwegen 42
8.1 Anatomie en functie van de lever 42
8.1.1 De verschillende cellen 43
8.1.2 Samenstelling gal(vocht) en uitscheiding 43
8.1.3 Hoe kunnen we de lever en de galwegen onderzoeken? 44
8.1.4 Interpretatie van bloedwaarden 44
8.1.5 Aandacht voor de bovenbuik 45
8.2 Symptomen en klinische tekens 45
8.2.1 Specifieke symptomen en klinische tekens 45
8.2.1.1 Icterus 45
8.2.1.2 Hepatische encefalopathie (HE) 46
8.2.1.3 Ascites 47
8.2.1.4 Verhoogde bloedingsneiging 47
8.2.1.5 Pijn 47
8.2.1.6 Stoelgangsverandering 47
8.2.2 Algemene symptomen en klinische tekenen 47
8.3 Overzicht ziektebeelden 48
8.3.1 Leverfalen of leverinsufficiëntie: definities 48
8.3.1.1 Acuut leverfalen 48
3
, 8.3.1.2 Chronisch leverfalen 50
8.3.2 Bloedingen en aandoeningen van lever en galwegen 52
8.3.3 Passagestoornissen en aandoeningen van lever en galwegen 52
8.3.4 Peritonitis en aandoeningen van lever en galwegen 53
8.3.5 Malabsorptie en aandoeningen van lever en galwegen 53
8.4 Lever aandoeningen 53
8.4.1 Aangeboren: ijzerstapeling 53
8.4.2 Ontstekingen: virale hepatitis 54
8.4.3 Ontstekingen: niet-alcoholische steatohepatitis (NASH) 55
8.4.4 Ontstekingen: toxisch leverlijden 56
8.4.4.1 Toxisch leverlijden, met alcohol als voorbeeld 56
8.4.5 Tumoren: goedaardig (leverkanker) 57
8.4.5 Tumoren: kwaadaardig (leverkanker) 58
8.5 Galblaas en galwegen aandoeningen 59
8.5.1 Aangeboren: atresie (afwezigheid) van de galwegen 59
8.5.2 Ontstekingen 60
8.5.2.1 Calculeuze cholecystitis 60
8.5.2.2 Calculeuze cholangitis 61
8.5.2.3 Primair scleroserende cholangitis (PSC) 61
8.5.2.4 Primaire biliaire cholangitis (PBC) 62
8.5.3 Tumoren: galblaaskanker, galwegkanker (cholangiocarcinoma) 62
H9: Pancreas 62
9.1 Anatomie en fysiologie 62
9.2 Onderzoekstechnieken 63
9.3 Ziektebeelden 63
9.3.1 Passagestoornissen 63
9.3.2 Bloedingen 63
9.3.3 Peritonitis 63
9.3.4 Malabsorptie 64
9.3.5 Diabetes mellitus (endocrien pancreasfalen) 64
9.3.5.1 Oral glucose tolerance test 65
9.3.5.2 Incretine effect op insuline secretie 65
9.3.5.3 Types diabetes patiënt 66
9.3.5.4 Verwikkelingen van diabetes mellitus 66
9.3.5.5 Behandeling 67
9.4 Aandoeningen 67
9.4.1 Aangeboren: mucoviscidose of taaislijmziekte (Cystic fibrose) 67
9.4.2 Ontstekingen: acute pancreatitis 68
9.4.3 Ontstekingen: chronische pancreatitis 69
9.4.4 Tumoren: pancreaskanker 70
H10: Longen 72
10.1 Anatomie en fysiologie 72
4
, 10.1.1 Anatomie van de longen 72
10.1.2 Functie van de longen 73
10.2 Onderzoekstechnieken 74
10.2.1 Klinische onderzoek 74
10.2.2 Beeldvorming 74
10.2.3 Longfunctie 74
10.2.4 Bronchoscopie 75
10.2.5 Bloed-en sputum onderzoek 75
10.3 Klinische symptomen 75
10.3.1 Specifieke symptomen 75
10.3.1.1 Dyspnoe 75
10.3.1.2 Respiratory distress 75
10.3.1.3 Cyanose 76
10.3.1.4 Hoest en sputum 76
10.3.1.5 Hemptoë 76
10.3.1.6 Thoracale pijn 76
10.3.1.7 Piepende ademhaling 76
10.3.2 Algemene symptomen 76
10.4 Ziektebeelden 76
10.4.1 Respiratoir falen of respiratoire insufficiëntie 76
10.4.1.1 Voorbeeld: Acuut respiratoir falen door ARDS 77
10.4.1.2 Oorzaken van respiratoor falen door ARDS 77
10.4.1.3 ARDS ontstaat door overdreven reactie van het immuunsysteem 77
10.4.2 Obstructief longlijden 77
10.4.2.1 Behandeling obstructief longlijden 78
10.4.2.2 Indicaties voor longtransplantatie 78
10.4.3.3 Behandeling astma 79
10.4.3 Restrictief longlijden 79
10.4.3.1 Voorbeeld: pneumothorax 79
10.4.3.2 Voorbeeld: interstitiële longaandoeningen 79
10.4.4 Pulmonale hypertensie 79
10.5 Aandoeningen 80
10.5.1 Aangeboren: mucoviscidose 80
10.5.2 Aangeboren: Alfa-1-antitrypsine tekort 80
10.5.3 Ontstekingen: pneumonie (pneumonitis, longontsteking) 81
10.5.4 Tumoren: longkanker 81
10.5.5 Vasculair: longembolie 82
5
, Ziekteleer: Chris Verslype
H1: Inleiding
1.1 Aandoeningen
Aandoeningen = verstoring normale structuur en/of werking van organen of orgaansystemen
Mogelijke indeling:
● Aangeboren (congenitaal), ook ontwikkelingsstoornissen
● Ontsteking (inflammatie): basis van veel verschillende ziekten
● Tumor
● Bloedvaten (vasculair)
● Functioneel: anatomisch niks mis, toch klachten
● Traumatisch
○ Ongevallen
○ Iatrogeen = dingen die in ziekenhuis gebeuren waardoor P zieker wordt
● Degeneratief: veroudering kan je tot in zekere mate iets aan doen
1.2 Symptomen en klinische tekenen
● Symptomen:
○ Klachten van patiënt die die zelf aanhaalt
○ Klachten van patient die bevraagd moeten worden -> anamnese
■ Heteroanamnese = familie erbij betrekken
■ Open vragen stellen en erna gesloten
● Klinische tekenen = opgespoord door lichamelijk onderzoek
● Onderscheid specifiek – algemeen
○ Specifieke = voor bepaald orgaanstelsel
○ Algemeen vb. vermoeidheid, koorts, vermagering, groeiachterstand, huidafwijkingen,
gewrichtsklachten
1.3 Concept: symptoom - ziektebeeld - aandoening
● Ziektebeeld =
○ Combo van klachten (symptomen) + afwijkingen die bij lichamelijk onderzoek worden
vastgesteld (klinische tekenen)
○ Leidraad voor uitvoeren bijkomende onderzoeken om te komen tot diagnose van
bepaalde aandoening
● Diagnose gesteld -> behandeling starten
● Verschil:
○ Ziektebeeld = kan variëren met tijd -> klachten kunnen variëren
○ Aandoening = duidelijk met de tijd
○ Voorbeeld:
■ Pijn op borstkas + uitstraling naar schouder + kortademig + druk op borstkas
■ Al 1 uur lang, dikke benen, 65 jaar
■ Aandoening = atherosclerose
■ Ziektebeeld = myocardischemie
6
,H2: Algemeen deel inflammatie
2.1 Inzicht in de normale werking van het immuunsysteem
2.1.1 Lokale ontsteking en algemeen zieke patiënt
Belangrijkste tekens van ontsteking:
● Rubor = roodheid
● Calor = warmte
● Tumor = zwelling
● Dolor = pijn
Hoe kan je hierdoor algemeen ziek worden?
2.1.2 Wat is het immuunsysteem?
● Ontwikkeld in evolutie
● Geheel van mechanismen die ons organisme beschermen tegen:
○ Pathogeen: bacterien, virussen, parasieten
○ Schadelijke fysische of chemische prikkels
○ Beschadigde lichaamscellen: bij iedereen kankercellen = opruimen met
immuunsysteem
● Lichaam moet weten dat er iets mis is en moet ingrijpen -> sensor moet het voelen en
effector moet ingrijpen
● Sensoren en effectors gegroepeerd in:
○ Aangeboren (innate) = valt bacterie aan ook al heeft die die nog nooit eerder gezien
-> we zijn geboren met een functioneel systeem
○ Adaptieve immuniteit
2.1.3 Aangeboren vs adaptieve immuniteit
Deze 2 systemen = complementair
Kenmerk Aangeboren Adaptief
Specificiteit Werkt zeer breed, niet specifiek naar 1 bepaald Heel gericht op pathogeen
pathogeen, alles heel efficiënt opruimen
Geheugen Geen geheugen Geheugen na het is
blootgesteld aan iets
Timing van Reageert heel snel, binnen een paar minuten Werkt traag, kan een paar
respons dagen duren
7
, Activatie Constitutioneel actief, aanwezig bij geboorte Geactiveerd in elk individu als
respons op pathogeen
presentatie of antigen contact
Ontwikkeling Volledig functioneel bij geboorte Adapteert zich over de tijd, na
contact met antigeen
Effectors Huid, complement, inflammatie en cellen T-lymfocyten
B-lymfocyten, antilichamen
2.1.4 Tijdslijn van een normaal immuunantwoord tegen een virus
● Virus vb. griep = stijgt in het begin
● Aangeboren immuniteit:
○ Van zodra virus in lichaam -> interferon (IFN) en natural killers (NK) stijgen in bloed
○ Reactie die niet specifiek is op het virus
○ Dalen na een tijd terug
○ Virus blijft stijgen
○ Aangeboren blijft aantal dagen actief -> adaptief schiet in gang (na 2 dagen)
● Adaptieve immuniteit:
○ Virusspecifieke cellen komen + antistoffen verschijnen -> kunnen meten na infectie
○ Neemt specifiek over
○ Goed functioneren van adaptieve immuniteit -> virus onder controle houden
○ Reactie immuniteit = je kan er meer ziek van zijn dan van eigenlijke infectie
● Aangeboren:
○ Granulocyten = vol granulen
■ Basofielen + neutrofielen + eosinofielen -> in bloed bepalen hoeveel er zijn
○ Mestcellen = vol granulen
○ Natural killers (NK)
○ Macrofagen = kruipen overal rond -> zien iets en nemen op
○ Dendritische cellen -> switch van aangeboren naar adaptief
■ Activeren T en B cellen
■ = Communicator cel
● Adaptief:
○ T-cellen: CD4+ Helper en CD8+ Cytotoxic
○ B-cellen (antibodies)
■ 1 soort antistof aanmaken
■ Draagt op oppervlak ook antistof
8
,2.1.5 Interacties tussen aangeboren en adaptieve immuniteit
● Aangeboren en adaptieve immuniteit zijn continu aan het samenwerken
● Het ene versterkt het andere
● Voorbeeld: complement
○ Eiwitten die geactiveerd worden en schadelijke substanties uitschakelen
○ Antistoffen gevormd in latere fase + binden aan antigen = complement activeren
2.1.6 Communicatie tussen immuuncellen onderling en andere cellen
● Contact afhankelijk:
○ Cellen komen elkaar tegen en komen tegen receptoren
○ Enorm netwerk tussen de cellen
○ Voorbeelden:
■ Adhesiemoleculen (vb. integrinen)
■ T-celreceptor -> HLA-peptide
■ Stimulerende kernreceptoren
■ Remmende kernreceptoren
■ Gap-overgangen
● Contact onafhankelijk: cytokines = signaalmoleculen tussen cellen
○ Hier heb je veel van
○ Binden aan receptoren
2.1.7 Cytokines
● Zeer grote familie -> groep van meer dan 100 kleine (5-20 kD) glycoproteïnen
● Belangrijk zijn bij celsignalering
○ Binden aan hoge affiniteit receptoren
○ Grijpen in op cellen die ze secreteren (autocrien) of naburige cellen (paracrien)
● 1 cytokine kan meerdere biologische acties hebben (pleiotropie)
● Gelijkaardige functies kunnen gestimuleerd worden door andere cytokines (redundantie)
● vb. erytropoietine, TFNα
Koorts = gecontroleerde temperatuurstijging tgv de hogere instelling van de setpoint
referentietemperatuur
● Inflammatoire stimulus vb. infectie, stress, …
● Monocyten + macrofagen actief -> ziek van worden -> aanmaak cytokines
● Cytokines vrijgezet in bloed -> hersenen
● Cytokines komen op locatie aan -> setpoint verhogen naar 38,5° (komt van 36,8°)
○ Cytokines vb naar lever en hier vanalles aanmaken
■ CRP stijgt in bloed = beetje vertraging op
■ Daling albumine
■ …
○ Lichaam doet alles om de 38,5° te halen WANT is setpoint geworden
■ E-metabolisme hoger, veranderingen in slaap, cutane-doorbloeding minder,
hartslag omhoog
■ Rillen (vaak al voor je koorts hebt): weten dat koorts zal komen
○ Koorts weg?
■ Aspirine -> doen prostaglandines zakken
■ Set point terug naar 36,8°
■ Zweten, warm zijn, doorbloeding huid beter
■ Natuurlijke mechanisme om koorts te doen dalen = endogene antipyretica
● Systemische respons:
9
, ○ Metabole reacties
■ Verlies spieren
■ Botontkalking
○ Biochemisch:
■ Ijzer in bloed zakt -> bacteriën hebben ijzer nodig om te groeien
■ Lichaam haalt zelf ijzerconcentratie naar beneden
○ Hematologisch: leukocytosis
○ Neuroendocrine: koorts en ziek
● Sommige cellen kunnen door koorts beter functioneren
● Algemeen ziek bij ontsteking -> cytokines + lever heeft versterkend effect
2.1.8 Sensoren in de aangeboren immuniteit: “pattern recognition receptors”
Hoe maakt lichaam onderscheid tussen lichaamscel en andere cellen die er niet thuis horen?
○ Door PRRs = verzameling van receptoren die aanwezig kunnen zijn
■ Op cellen
■ In cellen
■ In plasma
● Herkennen 2 klassen van moleculen die afwezig zijn in gezonde, normale cellen
○ PAMPs = pathogeen geassocieerde moleculaire patronen
■ Wand bacteriën op zichzelf al voldoende om iets in gang te zetten
■ vb. bacteriën of virussen
○ DAMPs = danger geassocieerde moleculaire patronen
■ Moleculen die vrijgezet worden na celschade
■ vb. verbranding, UV
10