Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1: Inleiding ................................................................................................................. 2
HOOFDSTUK 2: Depressieve stemmingsstoornissen ....................................................................... 6
HOOFDSTUK 3: Bipolaire stoornissen............................................................................................ 19
HOOFDSTUK 4: Verslaving ............................................................................................................ 28
HOOFDSTUK 5: Psychotische stoornissen ..................................................................................... 41
HOOFDSTUK 6 Angst- en dwangstoornis........................................................................................ 57
HOOFDSTUK 7: Trauma en stress .................................................................................................. 64
HOOFDSTUK 8: Persoonlijkheidsstoornissen ................................................................................ 67
HOOFDSTUK 9: Eetstoornissen ..................................................................................................... 85
HOOFDSTUK 10: Psychotherapie .................................................................................................. 92
HOOFDSTUK 11: Capita selecta – De beschermende maatregel ..................................................... 97
HOOFSTUK 11: Capita selecta – Suïcide ........................................................................................ 98
HOOFDSTUK 11: Capita selecta - Slaapproblemen ....................................................................... 104
HOOFDSTUK 11: Capita selecta - Seksuele dysfunctie .................................................................. 109
HOOFDSTUK 12: Dementie/neurocognitieve stoornissen - ............................................................ 118
HOOFDSTUK 12: Dementie - Alzheimer dementie ......................................................................... 128
HOOFDSTUK 12: Dementie - Fronto-temporale lob degeneratie (FTLD) .......................................... 138
HOOFDSTUK 12: Dementie - Lewy body dementie (LBD) ................................................................ 145
HOOFDSTUK 12: Dementie - Vasculair ......................................................................................... 148
HOOFDSTUK 12: Dementie - Alcohol ............................................................................................ 151
HOOFDSTUK 12: Epilepsie ........................................................................................................... 155
HOOFDSTUK 13. Ouderen-/neuropsychiatrie in de praktijk ........................................................... 158
1
, HOOFDSTUK 1: Inleiding
VRAAG 1: Beschrijf de psychiatrische anamnese in 6 stappen
Stap 1: Speciële anamnese
= zorgvuldige bevraging van de hoofdklacht van de patiënt ahdv open vragen.
• Toon grondige interesse in de hoofdklacht(en)
• Moedig aan om meer te vertellen over de moeilijke thema’s
• ! Niet ongezond nieuwsgierig zijn !
Stap 2: Algemene psychiatrische anamnese
= breed onderzoek naar de 3 psychopathologische domeinen: cognitief, affectief en conatief.
• Doe anamnese maar observeer de patiënt ook goed.
• Cognitief (denken/waarnemen)
o Bewustzijn: licht gedaald, somnolent, soporeus
o Aandacht: verhoogde afleidbaarheid, hypervigiliteit
o Geheugen: stoornis in korte termijn/lange termijn, confabulatie
o Intellectuele functies: milde/matige/ernstige beperking
o Waarnemen: visuele of auditieve hallucinaties
o Denken: wanen (verstoorde inhoud), incoherent (verstoorde vorm), gedachtenstop,
gedachtenvlucht/associatief denken, dwanggedachten, suïcidaliteit (passief of
actief)
• Affectief (voelen)
o Stemming: euforisch, depressief, dyfoor, interesseverlies, anhedonie
o Affect: vlak affect, inadequaat affect, gespannenheid, prikkelbaarheid, boosheid,
angst, paniekaanvallen, fobieën, vermijdingsgedrag
• Conatief:
o Psychomotoriek: psychomotore agitatie, versnelling, psychomotore retardatie,
katatonie
o Motivatie en gedrag: middelengebruik, eetgedrag, dwanghandelingen
Stap 3: psychiatrische voorgeschiedenis en familie-anamnese
• Eerdere episodes/diagnoses/behandelingen + effect
• Vooral 1e graads verwanten bevragen: genetica + context waarin opgegroeid
Stap 4: Somatische anamnese en lichamelijk onderzoek
• Somatische anamnese = zoals bij andere takken geneeskunde
• KO op indicatie (bv. neuro bij “niet pluis”), vitale parameters, nevenwerkingen
psychofarmaca
• Somatiek altijd serieus nemen, ook bij “functionele” klachten zoals vermoeidheid, pijn,
maag-darm last, druk op de borst, duizeligheid, tintelingen
Stap 5: Sociale anamnese
• Niveau P+1:
o Leefsituatie: alleen, gehuwd, kinderen?
o Hoe zijn de relaties?
o Problemen in het gezin?
o Steun die men verwacht en krijgt?
• Niveau P+2
o Functie en werkprestatie
o Werkomstandigheden
o Oordeel over werk
2
, o Waardering, contact met collega’s
o Hobby’s, vriendenkring
• Niveau P+3:
o Toekomstplannen
o Zingeving / ervaren van het bestaan als betekenisvol
o Spirituele en/of religieuze overtuigingen die het bestaan kleuren (ten goede / kwade)
Stap 6: Ontwikkelingsanamnese
- Factoren die zorgen voor predisponeren tot of beschermen tegen psychiatrische stoornissen
- Biografische context waarbinnen de psychiatrische stoornis zich heeft ontwikkeld
- Ontwikkeling van persoonlijkheidskenmerken tijdens levensloop
à Voorbeelden van predisponerende ervaringen
• Zwangerschap- en geboortecomplicaties
• Trauma: mishandeling, seksueel misbruik, affectieve/pedagogische/materiële verwaarlozing
• Verlating door de ouders (overlijden, echtscheiding)
• Opvoedingsstijl ouders
VRAAG 2: Bespreek trias psychica. Welke 4e kunnen we daaraan toevoegen?
De trias psychica beschrijft de drie kerndomeinen van het psychisch functioneren die systematisch
worden nagegaan in de psychiatrie:
Cognitieve functies – “denken” (logos)
• Bewustzijn, aandacht, oriëntatie
• Geheugen
• Intellectuele functies
• Waarneming (hallucinaties, illusies)
• Denken (vorm en inhoud: wanen, incoherentie)
Affectieve functies – “voelen” (thymos)
• Stemming (duurtoestand, bv. depressief, euforisch)
• Affect (emotionele expressie op het moment: vlak, labiel, inadequaat)
Conatieve functies – “willen/handelen” (eros)
• Psychomotoriek (agitatie, retardatie, katatonie)
• Motivatie en gedrag (initiatief, eetgedrag, middelengebruik, dwanghandelingen)
De 4e die we eraan toevoegen
sociaal functioneren / relationeel functioneren
• Functioneren in relaties, gezin, werk en maatschappij
• Rolopname, sociaal contact, zingeving
• Vaak bepalend voor lijdensdruk en disfunctioneren, en dus voor het al dan niet spreken van
een psychiatrische stoornis
Andere eventuele optie
Lichamelijke functie / somatisatie
= de manier waarop psychisch lijden zich lichamelijk uit of via het lichaam gecommuniceerd
wordt:
• Functionele lichamelijke klachten
• Somatisatie
3
, • Lichamelijke expressie van affect
• Psychosomatische interactie
Voorbeelden:
• Functionele dyspepsie
• Prikkelbare darmsyndroom
• Chronische pijn zonder somatische verklaring
• Vermoeidheid, druk op de borst, tintelingen
VRAAG 3: Bespreek voor- en nadelen van de DSM. Waar houdt de DSM geen rekening
mee?
Wat is de DSM?
De DSM-5 is een classificatiesysteem dat psychiatrische stoornissen beschrijft op basis van
klinische symptomen, hun duur en impact op functioneren, zonder uitspraak te doen over
oorzaken.
Voordelen van de DSM
1. Gemeenschappelijke taal
• Zorgverleners spreken dezelfde taal
• Vergemakkelijkt communicatie tussen artsen, psychologen, verpleegkundigen
2. Structuur en houvast
• Helpt onderscheid maken tussen:
o normaal ↔ pathologisch
o verschillende ziektebeelden
• Geeft houvast bij diagnose en beleid
3. Klinische bruikbaarheid
• Nodig voor:
o behandelkeuzes
o inschatting van verloop en prognose
o terugbetaling en zorgorganisatie
4. Wetenschappelijk noodzakelijk
• Onmisbaar voor onderzoek:
o inclusiecriteria
o vergelijkbaarheid van studies
à “Een arm, maar noodzakelijk systeem”
Nadelen van de DSM
1. Geen etiologie
• DSM zegt niets over:
o oorzaak
o pathofysiologie
o neurobiologische mechanismen
2. Polythetisch systeem
• Dezelfde diagnose kan bij verschillende patiënten heel anders ogen
• Stoornissen zijn niet homogeen
→ bemoeilijkt onderzoek en gepersonaliseerde zorg
3. Risico op reïficatie
• Diagnose kan onterecht als “ding op zich” gezien worden
• Kans op etikettering van de patiënt
4. Culturele en contextuele blindheid
• Wat pathologisch is, is deels cultureel bepaald
4