Fonetiek en fonologie
HOOFDSTUK 1: inleidende begrippen
1. Inleidende begrippen:
1.1Taal:
Taal Een systeem van conventionele tekens, waarmee de gebruikers van
de taal ideeën kunnen communiceren.
Taaltek Een waarneembare vorm met een niet-waarneembare betekenis.
en VOORBEELD: vorm koe heeft de betekenis ‘melk producerend
herkauwend zoogdier’
Deze 2 aspecten van het taalteken zijn met elkaar verbonden als de 2
zijden van een medaille.
VERSCHILLENDE DEELASPECTEN:
Fonetiek Dit zijn de klanken zoals je ze hoort en produceert. Je
hoort dat [p] zonder stem is en [b] met stem. Het wordt
geproduceerd door het menselijk stemapparaat of imitatie
ervan.
Fonologie Welke klanken hebben ze in die taal en wat is de functie? De
functie v. klanken in het taalsysteem.
Semantiek/ Onderdeel dat zich bezighoudt met het niveau van de
betekenisle betekenis, zoals woordgroepen en zinnen.
er
Syntaxis Bestudeert de zinsopbouw. Hoe woorden gecombineerd worden
tot zinnen.
VOORBEELD: juist: De kat zit op de mat. Fout: Kat de mat op zit
de.
Morfologie Bestudeert de vormveranderingen. De opbouw van woorden.
VOORBEELD: -on (= voorvoegsel) -vriend (= stam) -elijk (=
achtervoegsel)
Pragmatiek Richt zich op de manier waarop taal gebruikt wordt in het
dagelijks leven.
VOORBEELD: “Zou je het raam open willen doen?”: letterlijk:
een vraag, in praktijk: beleefde manier om te vragen vr het
raam open te doen.
Metalinguïs Het nadenken, reflecteren over taal.
tiek
Fonetiek en fonologie hebben betrekking op de spraakklanken
1.2Relatie taal en spraak:
Taal heeft nauwe relatie met spraak. Het gesproken woord is de belangrijkste,
meest voorkomende verschijningsvorm v. taal. Spraak is een onderdeel v. taal.
Taal bestaat uit spraak en geschreven taal.
Spraa Het fysiek uitspreken van klanken en woorden met je mond, tong…
k VOORBEELD: een kind zegt ‘bal’. Het gaat om hoe je iets zegt
Taal Het systeem van woorden, regels + betekenissen dat we gebruiken
om te communiceren.
1
, Jo verstraete
VOORBEELD: het woord ‘bal’ hoort bij bepaald voorwerp. Het gaat om
wat je zegt.
1.3Taal en communicatie:
Spreekcommunicatieproces (= spraakketen bestaat uit 2 PARTNERS:)
Spreker + hoorder
-FASE 1 BEDOELEN: de spreker vat de bedoeling op
-FASE 2 ZEGGEN: de bedoeling wordt onder woorden gebracht
PRODUCTIE
-FASE 3 SPREKEN: de spreker zoekt woorden die hij ter sprake wil
VD SPRAAK brengen. Spreker moet zijn taalbouwsel naar buiten brengen
(opschrijven of gebaren, maar best om uit te spreken)
- FASE 4 SPRAAKGELUID: er ontstaat spraakgeluid: klein, zeer snel op
elkaar volgende verstoringen van de luchtdruk.
- FASE 5 HOREN: de hoorder vangt luchtdrukverstoringen op en krijgt
geluidssensatie.
SPRAAK
IE VD
PERCEPT
- FASE 6 VERSTAAN: alleen wanneer hoorder in staat is om is om de
geluidsstroom te herkennen
- FASE 7 BEGRIJPEN: wanneer hoorder ook in staat is om uit de
herkende woorden de oorspronkelijk bedoeling van de spreker te
achterhalen.
Er kunnen storingen zijn in het proces door gebrek aan kennis van de taal,
afasie, besturing van de spraakorganen ( VOORBEELD: stotteren).
Afasie Verzamelnaam voor taalgebruik stoornissen die kunnen optreden
bij bv. hersenletsel. Persoon heeft geen toegang tot alle woorden.
Hij kan ze wel herkennen
Sensorisc Persoon is niet meer in staat om woorden te herkennen maar hij
he fase kan het wel nog gebruiken in het spreken.
2 VOORWAARDEN COMMUNICATIEPROCES:
1. Spreker + hoorder moet toegang hebben tot dezelfde transmissiekanaal:
de lucht die hen omringt
2. Spreker + luisteraar moet toegang hebben tot dezelfde taalcode, dezelfde
taal beheersen
Menselijke taal is een ingewikkelde code.
OORZAKEN:
Gestructureerde code: zinnen worden opgedeeld in woordgroepen en
woordgroepen in woorden
2
, Jo verstraete
Dubbele code: omzetting v. abstracte taaltekens en volgt in concrete taaltekens
PROCES BIJ LUISTERAAR:
Eerst concrete spraakgeluid in verband leggen met abstracte klankvorm
De abstracte vorm en betekenis van de taaltekens is noodzakelijke voorwaarde vr
goede verloop van de communicatie. De concrete vorm en betekenis zijn
variabel: ze zijn gebonden aan feitelijke situaties.
1.4 Fonetiek en fonologie:
Als we het over fonetiek en fonologie hebben, hebben we het over concrete en
abstracte aspecten van de klankvorm en hun relatie tot elkaar.
Foneti Bestudeert hoe de abstracte klankeenheden concreet gerealiseerd
ek worden: hoe ze door de spraakorganen worden gearticuleerd, hoe ze
worden waargenomen en welke fysische-akoestische eigenschappen
ze hebben.
1.5 Fonetisch schrift:
IPA niet instuderen!
Voor het Nederlands tellen we 40-tal fonemen. De 26 letters van het alfabet zijn
dus niet voldoende.
TOEPASSINGEN OP DE NEDERLANDSE TAAL: (begrippen)
Bilabiaal Beide lippen raken elkaar
VOORBEELD: b, p, m zoals in paard, bal, maan
Labiodenta Onderlip tegen de boventanden
al VOORBEELD: f, v zoals in fiets, vis
Alveolair Tongpunt tegen het tandkasje (achter boventanden)
VOORBEELD: t, d, s, n, l zoals in rafel, dag, slang, noot, lamp
Palataal Tong tegen het harde gehemelte
VOORBEELD: j zoals ja, sj zoals sjiek
Velair Achterste deel van de tong tegen zachte gehemelte
VOORBEELD: k, g, ng zoals in kat, gat, zing
Uvulair Achter in de mond, tegen de huig
VOORBEELD: sommige Franse r-klanken
Glottaal Klank gemaakt bij de stembanden. Je maakt er geluid bij
VOORBEELD: h zoals in huis, glottisslag zoals in uh-oh
Fricatief Lucht stroomt door een nauwe opening en veroorzaakt wrijving
VOORBEELD: f, s, sj zoals in fiets, sap, sjiek
Nasaal Lucht gaat door de neus
VOORBEELD: m, n, ng zoals in man, noot, zing
Explosief Lucht wordt eerst afgesloten en dan plots vrijgelaten
VOORBEELD: p, b, t, d, k, g
Laterale Lucht stroomt langs de zijkanten van de tong, terwijl tong
approximan middellijn afsluit.
t VOORBEELD: l zoals in lamp
FONETISCH SCHRIFT:
Geschreven veel oefenen al schrijvend
3
, Jo verstraete
HOOFDSTUK 2: bouw en werking van de spraakorganen
2.1Inleiding
Spraak is een hoorbaar gemaakte beweging, tijdens het spreken veroorzaken
bewegingen van de spraakorganen luchttrillingen, die wij horen als
spraakgeluiden.
WOORD FUNCTIE
Lungs/ longen Dienen vooral om bloed van zuurstof te voorzien en
koolzuur uit het bloed te zuiveren Een gewijzigde
vorm van ademhaling is de voornaamste
energiebron tijdens het spreken
Larynx/ Beschermt de luchtwegen tegen passerende
strottenhoofd voedsel tijdens het slikken doordat het
strottenklepje (epiglottis) de ingang naar de
luchtweg afsluit. Zet luchtstroom uit de longen om
tot een hoorbare trilling, met nauwkeurig
bestuurbare toonhoogte.
Keelholte Vorm wordt bepaald door stand van het
strottenhoofd
Neusholte Heeft geen veranderlijke vorm en dienst als
resonator. Wanneer het zachte verhemelte (velum)
zakt, vormt er zich een verbinding met de
keelholte. Dit gebeurt bij de articulatie van nasalen
VOORBEELD: /m/ en /n/
Mondholte Is de meest variabele resonator. De vorm wordt
bepaald door de tong, lippen en onderkaak.
EIGENSCHAP: de bron en filters werken
onafhankelijk van elkaar
VOORBEELD: de stemplooitrillingen aan- en
uitschakelen terwijl de vorm van de resonatoren
constant blijft
Glottis Ruimte tussen stemplooien of de stemspleet
Nasale klanken Praten door de neus
Orale klanken Praten door de mond
- Stembanden van MANNEN zijn langer (= 2.2cm) en hebben 100-120
trillingen per seconde dus mannen hebben een lage stem (toonhoogte 122
Hz = trilling per seconde)
- Stembanden van VROUWEN zijn korter (= 1.7 cm) en hebben 200-220
trillingen per seconde dus vrouwen hebben een hoge stem (toonhoogte
212 Hz = trilling per seconde)
Frequen Aantal trillingen per seconde
tie Hoe meer trillingen hoe hoger de stem
Hoe minder trillingen hoe lager de stem
4