Proces didactiek rekenen
Hoofdstuk 1: getalbegrip en rekenvoorwaarden
Rekenen versus tellen
Je kan rekenen als je onder getalbegrip bezit:
Reken Rekenen is meer dan tellen, het is een stap verder, het is beter.
en MAAR kunnen rekenen is uiteindelijk meer dan kunnen tellen
Tellen Tellen is en voorwaarde om tot rekenen te komen. Het is een zeer
belangrijke voorwaarde
VOORBEELD: wanneer je een telopdracht geeft aan een kind
(VOORBEELD: 4+2)
Kind 5,6 jaar kan rekenen
Kind 1,2,3,4,5,6 jaar zit in de telfase
- Leerstoornissen in het 3de leerjaar is te laat om op te merken, probeer dit
te zien in het 1ste leerjaar (preventief ermee bezig zijn)
Om tijd te doden met je kinderen kan je Samson en Gert cd’s opleggen en
hierdoor gaan de kinderen de taal wat te creëren/ of je kan zeggen van gaan we
eens samentellen tot 20 (terugtellen 20-19-18) (tellen per 2) =
rekenvoorwaarden stimuleren
Getalbegrip
Getalbegri Je hebt getalbegrip wanneer je inzicht hebt in de relatie van een
p bepaalt getal ten opzichte van een ander getal. Getalbegrip dat
krijg je door inzicht te ontwikkelen in de rekenvoorwaarden
(Sommige moet je sturen onder andere “tellen “
VOORBEELD: 6 is meer dan 4, 6 is ligt tussen 4 en 8
PROEFJE of kind getalbegrip heeft:
Je laat een kind een aantal voorwerpen tellen, wanneer het kind de voorwerpen
aan het tellen is zeg dan plots tel opnieuw, ga dan tussenin stoppen (bij 8) en
vraag aan het kind hoeveel hij er heeft geteld wanneer hij zegt 8 dan heeft het
kind getalbegrip maar wanneer het kind opnieuw moet beginnen met tellen dan
heeft hij nog geen getalbegrip.
1.1 Algemene rekenvoorwaarden
Algemene Rekenvoorwaarden die niet in de klas (kleuterklas)
rekenvoorwaarden worden aangeleerd maar die vanzelf worden
ontwikkeld doorheen de jaren bv:
taalontwikkeling, er moet een taalkennis zijn
zowel op passief als op actief vlak (recepties en
expressief)
Kinderen moeten deze tekens kunnen begrijpen/ herkennen ( :/ x/ - / +) al deze
tekens zijn belangrijk om te begrijpen dit is een vorm van taal.
Een + staat voor optellen/ iets erbij doen
VOORBEELD: 5+3 = 7 kan geen 2 zijn want je moet samen uitrekenen
Een – staat voor iets aftrekken/ iets wegdoen
VOORBEELD: 7-2 = 4
1
, Ontwikkelingen
Sociaal emotionele Veiligheid, geborgenheid (ruimer) situaties
ontwikkeling waarin geleerd moet worden, situaties waarin
een kind open gemaakt moet worden
Economische ontwikkeling Kinderen die opgroeien in een gezin die geen
centjes hebben om bv cd’s te kopen van
Samson en Gert die geen taalspelletjes kunnen
kopen kunnen achterstanden oplopen omwille
van hun economische ontwikkeling
Waarneming en motoriek (visueel: richting constantie = vaardigheid bij iedere
kleuter volgens bepaalde richtingen moeten werken bv weten dat we van links
naar rechts werken weten hoe je een schrijft de opening moet naar mijn hand zijn
als je linkshandig bent)
Lateralisatie De linker- en rechterhersenhelft elk gespecialiseerd raken
in verschillende taken.
VOORBEELD:
Rechterhelft => ruimtelijk inzicht, creativiteit, emotie
Linkerhelft => taal, logica, rekenen
Ambidexter Iemand die even vaardig is met zijn rechter- als linkerhand
VOORBEELD: hij kan schrijven met links en rechts
Auditieve ontwikkeling (waarneming) = speelt grote rol bij het leren lezen (f –v)
Ritme (aftelrijmpjes)
Intelligentie:
Auditieve en visuele geheugen => vooral werkgeheugen 18+17 hoe doe je dat
18+10=28 +2=30 +5 =35
Taakspanning en aandacht en concentratie (stoornis) mogelijk problemen met
rekenen (ADHHD + concentratiestoornis => niet kunnen leren
1.2 specifieke rekenvoorwaarden
Classificat Het kunnen aanleggen van een verzameling volgens 1 of
ie meerdere eigenschappen
VOORBEELD: je leegt samen met je kind de vaatwas en vraagt
hem om het bestekbakje te nemen en het juiste bestek in de bak
te leggen (lepels bij lepels, vorken bij vorken) de
moeilijkheidsgraad van het classificeren neemt toe naar mate de
eigenschap abstracter wordt.
Door te kunnen classificeren leer het kind in subklassen
werken, leert inzien wat dat is (4=2+2) onderverdeeld in 2
subklassen.
Seriatie Eigenschap waarbij soort gelijke dingen kunnen verschillen en die
moeten dan via die eigenschappen gerangschikt worden.
VOORBEELD: Rangschikken van klein naar groot of dun naar dik
(belangrijke rekenvoorwaarde)
Bepaalde eigenschappen zijn niet geschikt om te
rangschikken
2
Hoofdstuk 1: getalbegrip en rekenvoorwaarden
Rekenen versus tellen
Je kan rekenen als je onder getalbegrip bezit:
Reken Rekenen is meer dan tellen, het is een stap verder, het is beter.
en MAAR kunnen rekenen is uiteindelijk meer dan kunnen tellen
Tellen Tellen is en voorwaarde om tot rekenen te komen. Het is een zeer
belangrijke voorwaarde
VOORBEELD: wanneer je een telopdracht geeft aan een kind
(VOORBEELD: 4+2)
Kind 5,6 jaar kan rekenen
Kind 1,2,3,4,5,6 jaar zit in de telfase
- Leerstoornissen in het 3de leerjaar is te laat om op te merken, probeer dit
te zien in het 1ste leerjaar (preventief ermee bezig zijn)
Om tijd te doden met je kinderen kan je Samson en Gert cd’s opleggen en
hierdoor gaan de kinderen de taal wat te creëren/ of je kan zeggen van gaan we
eens samentellen tot 20 (terugtellen 20-19-18) (tellen per 2) =
rekenvoorwaarden stimuleren
Getalbegrip
Getalbegri Je hebt getalbegrip wanneer je inzicht hebt in de relatie van een
p bepaalt getal ten opzichte van een ander getal. Getalbegrip dat
krijg je door inzicht te ontwikkelen in de rekenvoorwaarden
(Sommige moet je sturen onder andere “tellen “
VOORBEELD: 6 is meer dan 4, 6 is ligt tussen 4 en 8
PROEFJE of kind getalbegrip heeft:
Je laat een kind een aantal voorwerpen tellen, wanneer het kind de voorwerpen
aan het tellen is zeg dan plots tel opnieuw, ga dan tussenin stoppen (bij 8) en
vraag aan het kind hoeveel hij er heeft geteld wanneer hij zegt 8 dan heeft het
kind getalbegrip maar wanneer het kind opnieuw moet beginnen met tellen dan
heeft hij nog geen getalbegrip.
1.1 Algemene rekenvoorwaarden
Algemene Rekenvoorwaarden die niet in de klas (kleuterklas)
rekenvoorwaarden worden aangeleerd maar die vanzelf worden
ontwikkeld doorheen de jaren bv:
taalontwikkeling, er moet een taalkennis zijn
zowel op passief als op actief vlak (recepties en
expressief)
Kinderen moeten deze tekens kunnen begrijpen/ herkennen ( :/ x/ - / +) al deze
tekens zijn belangrijk om te begrijpen dit is een vorm van taal.
Een + staat voor optellen/ iets erbij doen
VOORBEELD: 5+3 = 7 kan geen 2 zijn want je moet samen uitrekenen
Een – staat voor iets aftrekken/ iets wegdoen
VOORBEELD: 7-2 = 4
1
, Ontwikkelingen
Sociaal emotionele Veiligheid, geborgenheid (ruimer) situaties
ontwikkeling waarin geleerd moet worden, situaties waarin
een kind open gemaakt moet worden
Economische ontwikkeling Kinderen die opgroeien in een gezin die geen
centjes hebben om bv cd’s te kopen van
Samson en Gert die geen taalspelletjes kunnen
kopen kunnen achterstanden oplopen omwille
van hun economische ontwikkeling
Waarneming en motoriek (visueel: richting constantie = vaardigheid bij iedere
kleuter volgens bepaalde richtingen moeten werken bv weten dat we van links
naar rechts werken weten hoe je een schrijft de opening moet naar mijn hand zijn
als je linkshandig bent)
Lateralisatie De linker- en rechterhersenhelft elk gespecialiseerd raken
in verschillende taken.
VOORBEELD:
Rechterhelft => ruimtelijk inzicht, creativiteit, emotie
Linkerhelft => taal, logica, rekenen
Ambidexter Iemand die even vaardig is met zijn rechter- als linkerhand
VOORBEELD: hij kan schrijven met links en rechts
Auditieve ontwikkeling (waarneming) = speelt grote rol bij het leren lezen (f –v)
Ritme (aftelrijmpjes)
Intelligentie:
Auditieve en visuele geheugen => vooral werkgeheugen 18+17 hoe doe je dat
18+10=28 +2=30 +5 =35
Taakspanning en aandacht en concentratie (stoornis) mogelijk problemen met
rekenen (ADHHD + concentratiestoornis => niet kunnen leren
1.2 specifieke rekenvoorwaarden
Classificat Het kunnen aanleggen van een verzameling volgens 1 of
ie meerdere eigenschappen
VOORBEELD: je leegt samen met je kind de vaatwas en vraagt
hem om het bestekbakje te nemen en het juiste bestek in de bak
te leggen (lepels bij lepels, vorken bij vorken) de
moeilijkheidsgraad van het classificeren neemt toe naar mate de
eigenschap abstracter wordt.
Door te kunnen classificeren leer het kind in subklassen
werken, leert inzien wat dat is (4=2+2) onderverdeeld in 2
subklassen.
Seriatie Eigenschap waarbij soort gelijke dingen kunnen verschillen en die
moeten dan via die eigenschappen gerangschikt worden.
VOORBEELD: Rangschikken van klein naar groot of dun naar dik
(belangrijke rekenvoorwaarde)
Bepaalde eigenschappen zijn niet geschikt om te
rangschikken
2