Zwangerschap en baring
1. De normale zwangerschap
- Zwangerschap is een perfecte symbiose tussen vrucht en moederlijk organisme.
- Een fenomeen met de meest ingrijpende veranderingen in een vrouwelijk lichaam.
1.1. Bevruchting en implantatie
- De follikel rijpt in de ovaria en er volgt een eisprong richting de eileider.
- De bevruchting gebeurt in de eileider en migreert terwijl die deelt.
16 cellen = morula
- Uiteindelijk wordt het een blastocyst met twee delen:
Een zakje gevuld met vocht.
Deel van het embryo.
- De blastocyst gaat zich in het endometrium nestelen.
1.2. Placenta: ontstaan en functie
- De placenta bestaat uit 2 delen:
- Het foetale deel
Hier zit de navelstreng.
o Hierin zitten 3 bloedvaten met daarrond gelei van
warthon
Twee afvoerende = arterie
Een aanvoeren = veen
o SUA: single umbilical artery (slechts 2 bloedvaten).
o Deze vertakken in kleine vlokjes waar uitwisseling
gebeurt in de interveleuze ruimte.
Het maternale deel
o Er spiraal arteriën die zorgen voor uitwisseling in de
intervilleuze ruimte.
,- Functie:
Transport: zuurstof, voedingstoffen, afvalstoffen.
Productie: micronutriënten, glutamine, cholesterol.
Immunologische functie: IgG passeert de placenta.
Endocriene functie: hormonen.
Hemodynamische functie
- Tweelingen
1 – 2% zijn tweelingen waarvan 30% monozygoot en 70% dizygoot.
Di-choriaal – di-amniotisch gaat over de vliezen en placenta.
o Chorion vlies: rond de uturus.
o Amnion vlies: rondom de foetus.
- Figuur 1: di-chorion en di-amniotisch.
Dit is een dizygoot.
De dizygoot zijn 100% dichoriaal en di-amniotisch.
Dit ontstaat vanaf dag 1 – 3.
- Figuur 2: di-chorioin en di-amniotisch.
Dit is een monozygoot
Dit ontstaat vanaf dag 1 – 3.
- Figuur 3: monochorion en di-amniotisch.
Deze vertonen de meeste problemen.
o Delen dezelfde placenta
Dit ontstaat vanaf dag 4 – 8.
- Figuur 4: monochorion en mono-amniotisch.
Problemen: de navelstreng die kan in elkaar kruisen.
Dit ontstaat vanaf dag 8 – 13.
, 1.3. Vruchtwater
- In het begin van de zwangerschap is dit maternaal = serumexsudaat.
Naargelang de zwangerschap vordert is het de foetus die dit produceert.
o Urineproductie en foetaal longvocht.
o Meer en meer cellulaire elementen: foetale epithelen en amnioncellen.
- Dit is cruciaal:
Moet aanwezig zijn tussen de 19 en 24 weken voor
o Ontwikkeling van de longen.
o Groei en foetale bewegingen.
o Schok dempend.
- De hoeveelheid is afhankelijk van moeder tot moeder.
We kunnen dit meten op echografie.
o Meer 8 cm: polydydramnion.
o Weinig vruchtwater: oligohydramnion.
Oorzaak: te vroeg breken van de vliezen of ontbreken van nieren.
1.4. Placenta bij de bevalling
- Gewicht kan 500 – 600 gram zijn.
- Diameter 15 – 25 cm en dikte 3 cm.
- Foetale zijde: placenta bedekt met amnion en hieronder de chorion
plaat waarop de navelstreng is ingepland.
- Maternale zijde: wisselen aantal lobuli door septa van elkaar
gescheiden.
1.5. Navelstreng bij de bevalling
- De navelstreng ontspringt:
Indien in het midden = normale zwangerschap.
Weg van het centrum = excentrische insertie.
Langs zijkant zorgt voor kleine kinderen = marginale
insertie.
Indien vanuit de vliezen ontspringt moet je oppassen
tijdens de bevalling want dan heb je kans tot het
leegbloeden van de foetus = velamenteuze insertie.
1. De normale zwangerschap
- Zwangerschap is een perfecte symbiose tussen vrucht en moederlijk organisme.
- Een fenomeen met de meest ingrijpende veranderingen in een vrouwelijk lichaam.
1.1. Bevruchting en implantatie
- De follikel rijpt in de ovaria en er volgt een eisprong richting de eileider.
- De bevruchting gebeurt in de eileider en migreert terwijl die deelt.
16 cellen = morula
- Uiteindelijk wordt het een blastocyst met twee delen:
Een zakje gevuld met vocht.
Deel van het embryo.
- De blastocyst gaat zich in het endometrium nestelen.
1.2. Placenta: ontstaan en functie
- De placenta bestaat uit 2 delen:
- Het foetale deel
Hier zit de navelstreng.
o Hierin zitten 3 bloedvaten met daarrond gelei van
warthon
Twee afvoerende = arterie
Een aanvoeren = veen
o SUA: single umbilical artery (slechts 2 bloedvaten).
o Deze vertakken in kleine vlokjes waar uitwisseling
gebeurt in de interveleuze ruimte.
Het maternale deel
o Er spiraal arteriën die zorgen voor uitwisseling in de
intervilleuze ruimte.
,- Functie:
Transport: zuurstof, voedingstoffen, afvalstoffen.
Productie: micronutriënten, glutamine, cholesterol.
Immunologische functie: IgG passeert de placenta.
Endocriene functie: hormonen.
Hemodynamische functie
- Tweelingen
1 – 2% zijn tweelingen waarvan 30% monozygoot en 70% dizygoot.
Di-choriaal – di-amniotisch gaat over de vliezen en placenta.
o Chorion vlies: rond de uturus.
o Amnion vlies: rondom de foetus.
- Figuur 1: di-chorion en di-amniotisch.
Dit is een dizygoot.
De dizygoot zijn 100% dichoriaal en di-amniotisch.
Dit ontstaat vanaf dag 1 – 3.
- Figuur 2: di-chorioin en di-amniotisch.
Dit is een monozygoot
Dit ontstaat vanaf dag 1 – 3.
- Figuur 3: monochorion en di-amniotisch.
Deze vertonen de meeste problemen.
o Delen dezelfde placenta
Dit ontstaat vanaf dag 4 – 8.
- Figuur 4: monochorion en mono-amniotisch.
Problemen: de navelstreng die kan in elkaar kruisen.
Dit ontstaat vanaf dag 8 – 13.
, 1.3. Vruchtwater
- In het begin van de zwangerschap is dit maternaal = serumexsudaat.
Naargelang de zwangerschap vordert is het de foetus die dit produceert.
o Urineproductie en foetaal longvocht.
o Meer en meer cellulaire elementen: foetale epithelen en amnioncellen.
- Dit is cruciaal:
Moet aanwezig zijn tussen de 19 en 24 weken voor
o Ontwikkeling van de longen.
o Groei en foetale bewegingen.
o Schok dempend.
- De hoeveelheid is afhankelijk van moeder tot moeder.
We kunnen dit meten op echografie.
o Meer 8 cm: polydydramnion.
o Weinig vruchtwater: oligohydramnion.
Oorzaak: te vroeg breken van de vliezen of ontbreken van nieren.
1.4. Placenta bij de bevalling
- Gewicht kan 500 – 600 gram zijn.
- Diameter 15 – 25 cm en dikte 3 cm.
- Foetale zijde: placenta bedekt met amnion en hieronder de chorion
plaat waarop de navelstreng is ingepland.
- Maternale zijde: wisselen aantal lobuli door septa van elkaar
gescheiden.
1.5. Navelstreng bij de bevalling
- De navelstreng ontspringt:
Indien in het midden = normale zwangerschap.
Weg van het centrum = excentrische insertie.
Langs zijkant zorgt voor kleine kinderen = marginale
insertie.
Indien vanuit de vliezen ontspringt moet je oppassen
tijdens de bevalling want dan heb je kans tot het
leegbloeden van de foetus = velamenteuze insertie.