Oedeemtherapie
1. Het lymfestelsel als onderdeel van de totale circulatie
- Het lymfestelsel verloopt parallel aan het venzue deel van de bloedsomloop.
Hoge druksysteem = arteriële stelsel (15%) - Grote en kleine slagaders
- Arteriolen
- Linker ventrikel tijdens systole
Lage druksysteem = postcapillaire - Venen
vaatsegmenten (85%) - Grote venenstammen
- De rechter harthelft
- De longcirculatie
- Linker atrium
- Linker ventrikel tijdens diastole
2. Anatomie van het lymfestelsel
- Verloopt in 1 richting behalve: haar, nagels, kraakbeen, retina, hersenen en ruggenmerg.
2.1. Lymfevaten of vasa lymphatica
A. De lymfecapillairen
- Kennen een gesloten (blind) begin in de weefsels = initiële lymfevaten.
- Zijn opgebouwd uit endotheelcellen.
- Zorgen voor resorptie van vocht uit het interstitium (bindweefsel).
- Bevatten geen spiervezels dus er gebeurd passieve absorptie via:
Ritmische pulsaties van nabijgelegen arteriën of arteriolen.
Adembewegingen.
Contracties van skeletspieren.
Een lagere druk in de aansluitende lymfevaten.
Lymfecapillairen Bloedcapillairen
Endotheelcellen overlappen elkaar. Endotheelcellen liggen tegen elkaar aan.
Geen membraan rondom. Omgeven door semipermeabel membraan
dat eiwitmoleculen in 1 richting toelaat.
Via niet-elastische filamenten verbonden Rechtreeks verbonden aan elastische
met de elastische bindweefselfibrillen. bindweefselfibrillen van interstitium.
, B. Pre collectoren
- Capillairen verenigen zich in pre collectoren.
Deze bevatten geringe hoeveelheid gladde spiercellen en kunnen samentrekken.
Kleppen verhinderd de terugstroom.
Resorptie van vocht en eiwitten nog steeds mogelijk.
C. Collectoren
- Dit zijn grote verzamelvaten die rechtreeks naar de lymfeknopen transporteert.
Hier vindt geen resorptie meer plaats.
Deze bevat bicuspidale kleppen die terugstroom verhinderen.
D. Lymfangion
- = deel van het lymfevat tussen twee kleppen.
Bij vulling rekt de wand uit en creëert een actiepotentiaal.
Hierdoor ontstaat een contractie die vocht in 1 richting voort stuwt (centripitaal).
Lymfagionen contraheren nooit samen, maar wel van distaal naar proximaal.
E. Afferente en efferente lymfesysteem
Afferente - Bevat: lymfecapillaire, pre-collectoren en collectoren.
lymfesysteem - Brengt lymfe naar de lymfeknopen.
- Opgebouwd uit een:
oppervlakkige deel die huid en subcutis draineert.
diep deel die de skeletspieren, botten en gewrichten draineert.
Efferente - Efferente banen vormen uiteindelijk de lymfestammen.
lymfesysteem Deze stammen monden uit in de vena subclavia.
Uiteindelijk wordt dit meegezogen door het bloed =
waterstraalzuigpompeffect.
- Brengt de lyfe weg uit de lymfeknopen.
1. Het lymfestelsel als onderdeel van de totale circulatie
- Het lymfestelsel verloopt parallel aan het venzue deel van de bloedsomloop.
Hoge druksysteem = arteriële stelsel (15%) - Grote en kleine slagaders
- Arteriolen
- Linker ventrikel tijdens systole
Lage druksysteem = postcapillaire - Venen
vaatsegmenten (85%) - Grote venenstammen
- De rechter harthelft
- De longcirculatie
- Linker atrium
- Linker ventrikel tijdens diastole
2. Anatomie van het lymfestelsel
- Verloopt in 1 richting behalve: haar, nagels, kraakbeen, retina, hersenen en ruggenmerg.
2.1. Lymfevaten of vasa lymphatica
A. De lymfecapillairen
- Kennen een gesloten (blind) begin in de weefsels = initiële lymfevaten.
- Zijn opgebouwd uit endotheelcellen.
- Zorgen voor resorptie van vocht uit het interstitium (bindweefsel).
- Bevatten geen spiervezels dus er gebeurd passieve absorptie via:
Ritmische pulsaties van nabijgelegen arteriën of arteriolen.
Adembewegingen.
Contracties van skeletspieren.
Een lagere druk in de aansluitende lymfevaten.
Lymfecapillairen Bloedcapillairen
Endotheelcellen overlappen elkaar. Endotheelcellen liggen tegen elkaar aan.
Geen membraan rondom. Omgeven door semipermeabel membraan
dat eiwitmoleculen in 1 richting toelaat.
Via niet-elastische filamenten verbonden Rechtreeks verbonden aan elastische
met de elastische bindweefselfibrillen. bindweefselfibrillen van interstitium.
, B. Pre collectoren
- Capillairen verenigen zich in pre collectoren.
Deze bevatten geringe hoeveelheid gladde spiercellen en kunnen samentrekken.
Kleppen verhinderd de terugstroom.
Resorptie van vocht en eiwitten nog steeds mogelijk.
C. Collectoren
- Dit zijn grote verzamelvaten die rechtreeks naar de lymfeknopen transporteert.
Hier vindt geen resorptie meer plaats.
Deze bevat bicuspidale kleppen die terugstroom verhinderen.
D. Lymfangion
- = deel van het lymfevat tussen twee kleppen.
Bij vulling rekt de wand uit en creëert een actiepotentiaal.
Hierdoor ontstaat een contractie die vocht in 1 richting voort stuwt (centripitaal).
Lymfagionen contraheren nooit samen, maar wel van distaal naar proximaal.
E. Afferente en efferente lymfesysteem
Afferente - Bevat: lymfecapillaire, pre-collectoren en collectoren.
lymfesysteem - Brengt lymfe naar de lymfeknopen.
- Opgebouwd uit een:
oppervlakkige deel die huid en subcutis draineert.
diep deel die de skeletspieren, botten en gewrichten draineert.
Efferente - Efferente banen vormen uiteindelijk de lymfestammen.
lymfesysteem Deze stammen monden uit in de vena subclavia.
Uiteindelijk wordt dit meegezogen door het bloed =
waterstraalzuigpompeffect.
- Brengt de lyfe weg uit de lymfeknopen.