Handboek: nier
- Diagnostiek bij de nefrologische patiënt: D. Kuypers & P. Koshy
- De belangrijkste nefrologische syndromen: D. Kuypers & P. Koshy
- Systematische studie van de nierziekten: D. Kuypers & P. Koshy & P. Gillard
Inhoud:
Diagnostiek van de nefrologische patiënt .................................................................................2
1. De normale nier ...........................................................................................................2
2. Laboratorium diagnostiek ............................................................................................3
3. Aanvullende diagnostische technieken .........................................................................7
De belangrijkste nefrologische syndromen ...............................................................................8
4. Het nefrotisch syndroom ..............................................................................................8
5. Acute nierinsufficiëntie .............................................................................................. 12
6. Chronische nierinsufficiëntie ..................................................................................... 15
Systematische studie van de nierziekten ................................................................................ 19
7. Erfelijke nierziekten .................................................................................................... 19
8. Idiopathische of primaire glomerulonefritis ................................................................. 21
9. Glomerulonefritis bij systeemziekten .......................................................................... 30
10. Glomerulonefritis bij vasculitis ............................................................................... 31
11. Diabetische nefropathie ......................................................................................... 33
12. Nieraandoeningen bij plasmaceldyscrasieën en amyloidose ................................... 34
13. Tubulo-interstitiële nefritis ..................................................................................... 36
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Ademhaling E0C00a 2
Diagnostiek van de nefrologische patiënt
1. De normale nier
De menselijke nieren (11 x 6 x 2,5 cm) liggen langs beide kanten in retroperitoneaal
vet net onder het diafragma. Door de lever ligt de rechter nier 1 – 1,5 cm lager dan de
linker nier. De nieren zijn zelden palpeerbaar. Elke nier heeft 1 arterie en 1 vene (soms
verschillend). De rechter arterie is iets langer dan de linker arterie en omgekeerd voor
de venen.
Macroscopisch wordt de nier onderverdeel in een schors (cortex) van 1 cm en het
onderliggende merg (medulla). In de gezonde nier kan het onderscheid tussen cortex
en medulla door echografie gemaakt worden. Elke nier bevat 800.000 nefronen. Elk
nefron bestaat uit een glomerulus en de daarop aansluitende tubulus. Afhankelijk van
de ligging worden nefronen onderverdeeld in corticale, midcorticale en
juxtamedullaire nefronen.
De glomerulus is een vaatkluwen omsloten door
het kapsel van Bowman. De capillairen zijn
omgeven door een endotheel dat rust op het
glomerulair basaal membraan (GBM) dat bestaat
ui viscerale epitheelcellen. Deze epitheelcellen
zijn als podocyten aangehecht op de buitenzijde
van het membraan en hangen aan elkaar door
middel van slitmembraantjes. Het gefenestreerd
endotheel van de capillairen, het glomerulair
basaal membraan en de viscerale epitheelcellen
vormen samen de filtratiebarrière.
In de glomerulus wordt de primaire urine gevormd door ultrafiltratie van
water, elektrolieten en kleine molecules. Deze ultrafiltratie ontstaat door
een hydrostatisch drukverschil tussen het lumen van de capillairen en de
ruimte van Bowman. De primaire urine wordt tijdens haar verloop door de
tubulus omgevormd worden tot uiteindelijke urine die via de
verzamelbuizen in de nierpapillen in het nierbekken en tot slot in de blaas
terechtkomt. De tubulus wordt onderverdeeld in een kronkelend en recht
deel van de proximale tubulus, afdalende en stijgende deel van de lis van
Henle, het recht en kronkelende deel van de distale tubulus, de
afvoerbuisjes en de verzamelbuizen.
Het glomerulair filtraat bevat geen eiwitten. De poriën verlenen slecht
toegang tot moleculen van 900 kD. De slitmembraantjes bezitten kleinere
poriën voor moleculen tot 150 kD. De poriën worden bovendien bewaakt door negatief geladen
glycoproteïnen zodat positief geladen eiwitten gemakkelijk door het GBM geraken en negatief geladen
albumine niet.
De glomerulaire capillaire worden bij elkaar gehouden door het mesangium. Tussen de capillairen en
het mesangium is geen filtratiebarrière waardoor grote moleculen en zelfs cellen het mesangium
kunnen binnendringen.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Ademhaling E0C00a 3
2. Laboratorium diagnostiek
Een eerste screening onderzoek van de urine gebeurt door middel van een dipstick test (Combur7-test).
Deze meet de aanwezigheid van leukocyten, nitriet, eiwit, glucose, ketonen en hemoglobine (RBC). Het
kan ook de pH meten. Bij het vinden van afwijkingen wordt dan een meer nauwkeurig onderzoek
uitgevoerd. Deze testen gebeuren best op verse urinestalen.
2.1. Erythrocytaire en/of hematurie
In normale omstandigheden komen er geen of slechts enkele rode bloedcellen in de urine voor. Indien
de teststrook positief test voor hemoglobine betekent dit niet perse dat er ook RBC aanwezig zijn.
Hemoglobine kan door de glomerulaire filter geraken als er teveel vrije hemoglobine circuleert in het
bloed (vb. door hemolyse). Myoglobine zal ook positief doen testen voor RBC omdat de test de
peroxidase activiteit van erythrocyten meet die ook aanwezig is in myoglobine. De aanwezigheid van
RBC zal microscopisch onderzocht worden door een flowcytometer (automatisch). Meer dan 20 RBC/µl
wordt als pathologisch beschouwd. Men kan RBC ook tellen in een speciale telkamer. Indien men meer
dan 6 RBC vindt is dit pathologisch.
Hematurie kan ontstaan uit de glomeruli (glomerulaire afwijking) of uit het urinair systeem (urologische
afwijking). Glomerulaire RBC zullen door het hyperosmolair milieu in de tubulus hun typisch biconcave
structuur verliezen en een onregelmatige vorm aannemen (= dysmorfe of glomerulaire hematurie).
Isomorfe (normale vorm) RBC zijn van urologische oorsprong.
De enkele RBC die in normale urine voorkomen zijn meestal van het dysmorfe type. Bij een grote
glomerulaire hematurie (macroscopisch zichtbaar) kunnen de RBC toch een isomorfe vorm hebben.
2.2. Cilindrurie
Bij het vermoeden van een renale aandoening wordt verse ochtendurine getest. Het
vinden van cilinders is niet altijd pathologisch. Cilinders zijn afgietsels van het
tubulaire lumen en bestaan uit Tamm-Horsfall glycoproteïnen die bij een zure pH een
geleiachtige substantie vormen.
Hyalijne cilinders (zonder cellen) komen daarom ook in normale urine voor.
RBC-cilinders en hemoglobine-cilinders wijzen op een glomerulaire hematurie (vb.
actieve glomerulonefritis).
WBC-cilinders vindt men bij ernstige pyelonefritis of interstitiële nefritis. Men
spreekt van pyurie wanneer er meer dan 10 WBC/mm3 urine aanwezig zijn. Pyurie
wijst op een urinaire infectie. Bij steriele pyurie moet men denken aan renale
tuberculose of interstitiële nefritis.
Wascilinders komen voor in het geval van zware proteïnurie. In normale urine vindt
men vaak afgeschilferde tubuluscellen. Als deze tubuluscellen veel vet bevatten
wijst dit op ook op een ernstige proteïnurie.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Ademhaling E0C00a 4
2.3. Proteïnurie
Hoe proteïnurie opsporen?
Bij gezonde personen bevat de urine 100-150 mg eiwit/dag. Bij een hogere eiwituitscheiding spreken we
van proteïnurie. Proteïnurie hoger dan 3,5g/dag wijst op een nefrotisch syndroom. Indien er geen
oedemen en hypo-albuminemie optreden noemen we dit nefrotische range proteïnurie.
Proteïnurie wordt opgespoord via een dipstick. De methode is zeer gevoelig voor negatief geladen
proteïnen (albumine) en minder voor positieve proteïnen (Bence Jones proteïnen). Vals positieve
dipstick resultaten kunnen door jodiumhoudende contraststoffen, alkalische urine, hematurie of
antiseptica.
Voor een nauwkeurige bepaling van de proteïnurie is een 24-uurs bepaling nodig. Deze methode meet
de totale hoeveelheid eiwitten en niet de aanwezigheid van specifieke eiwitten. Specifieke eiwitten
kunnen door radio-immuno assay opgespoord worden. Dit doet men bij de opsporing van diabetische
nefropathie.
Bij gezonde personen bevat de urine minder dan 30 mg albumine per dag. Men spreek van micro-
albuminurie indien er tussen 30-300 mg albumine per dag aanwezig is. Albuminurie is een vroege merker
van nierschade (diabetes, hypertensie, glomerulair lijden) en ook van cardiovasculair risico.
De urine proteïne / creatinine ratio (UPCR) wordt gebruikt als semi-kwantitatieve methode om de 24u
proteïnurie te schatten zonder een 24u-collectie te moeten doen. De ratio correleert goed met de 24u
proteïnurie behalve bij zeer uitgesproken proteïnurie. Het is ook minder betrouwbaar bij patiënten met
extreem veel of extreem weinig spiermassa.
Hoe ontstaat proteïnurie?
De grote meerderheid van pathologische proteïnurie is glomerulaire proteïnurie. De proteïnurie
ontstaat dan door een verhoogde permeabiliteit van de glomerulaire filter voor proteïnen. Beschadiging
van het visceraal epitheel met vooral schade aan de slitmembranen veroorzaakt een lek voor eiwitten
kleiner dan 500 kD (albumine en complementfactoren). Grote proteïnen blijven in het capillair lumen.
Tubulaire proteïnurie treedt op door een tubulaire aandoening met een normale glomerulaire
doorlaatbaarheid. Een tubulaire proteïnurie bedraagt nooit meer dan 2g/dag en bestaat volledig uit kleine
proteïnen met laag moleculair gewicht.
Overloop-proteïnurie ontstaat wanneer er te hoge concentraties proteïnen aanwezig zijn in het plasma
waardoor proteïnen door een normale glomerulus worden doorgelaten. Bij normale concentraties worden
deze proteïnen in de tubulus volledig gereabsorbeerd maar indien de concentraties te hoog kunnen ze
niet volledig gereabsorbeerd worden waardoor ze in de urine terecht komen. Dit kan bij myoglobinurie
(door rhabdomyolyse), hemoglobinurie (door hemolyse), amylasurie (door pancreatitis) of
paraproteïnurie (door plasmaceldycrasie).
Post-renale proteïnurie treedt in beperkte mate op bij urinaire infecties en is van niet-albumine origine.
Ook lithiase of tumoren kunnen een beperkte proteïnurie geven.
In de meeste gevallen van glomerulaire proteïnurie worden zowel kleine als grote proteïnen in de urine
gevonden. Door de klaring van grote proteïnen te delen door de klaring van kleine proteïnen bekomt men
de selectiviteitsindex. Indien deze index lager is dan 0,2 (vooral kleine proteïnen aanwezig) spreekt men
van een selectieve proteïnurie (typisch voor minimal changes glomerulonefritis).
1ste master geneeskunde 2025-2026
, OPO Ademhaling E0C00a 5
Diagnostische benadering van een patiënt met proteïnurie.
Proteïnurie wordt getest via een dipstick. Kleine
incidentele proteïnurie kan optreden bij hoge
koorts, zware fysieke inspanning,
hartdecompensatie of na een epileptisch insult.
Indien deze proteïnurie niet vanzelf verdwijnt moet
een 24u-collectie worden uitgevoerd. Bij snel
groeiende adolescenten moet gedacht worden aan
orthostatische proteïnurie. In dit geval is de
nachturine negatief en de dagurine positief.
Bij permanent aantoonbare proteïnurie is de
benadering afhankelijk van bijkomende
urinesediment afwijkingen en erythrocyturie. Indien beide afwezig zijn, moet tubulaire proteïnurie
worden uitgesloten door elektroforese van de proteïnen of meting van laag moleculair gewicht proteïnen.
Overloop-proteïnurie moet nagekeken worden. Bij een proteïnurie van minder dan 1g/dag kan een
conservatieve houding aangenomen worden. Bij een proteïnurie hoger dan 1g/dag of urinesediment
afwijkingen of verminderde nierfunctie is een diagnostische nierbiopsie noodzakelijk.
2.4. Nierfunctie
Glomerulaire functie (glomerulaire filtratiesnelheid GFR)
Het bepalen van het serum creatinine kan een idee geven over
de nierfunctie. Serum creatinine wordt ook bepaald door
spiermassa en hoeveelheid proteïnen in voeding. Een magere
vegetariër kan een normaal creatinine hebben met toch een
gedaalde nierfunctie (= vals positief) terwijl een bodybuilder
een verhoogd creatinine hebben met een normale nierfunctie
(= vals negatief).
Bij het vermoeden van een renale pathologie is het aangewezen
om de glomerulaire functie op een nauwkeurige manier te
meten. De GFR wordt op een indirecte manier gemeten door het
meten van renale uitscheiding van bepaalde stoffen. De
klaring wordt uitgedrukt als hoeveelheid plasma die per
tijdseenheid volledig van een bepaalde stof wordt gezuiverd en wordt uitgedrukt in ml/min. Er wordt
gebruik gemaakt van een stof die niet eiwitgebonden is, glomerulair gefilterd wordt, niet tubulair
gefilterd of gereabsorbeerd en in een vrij constante concentratie in het bloed aanwezig is. Een gebruikt
voorbeeld van zo’n stof is inuline. In de praktijk wordt de inulineklaring vervangen door een
creatinineklaring. Creatinine wordt in beperkte mate door de tubulus uitgescheiden waardoor er een
minimale overschatting is van de GFR. De creatinineklaring wordt gemeten door de bepaling van het
serum creatinine en de creatininurie in een 24u-collectie:
urinaire creatinine concentratie x urinair volume
𝑐𝑟𝑒𝑎𝑡𝑖𝑛𝑖𝑛𝑒𝑘𝑙𝑎𝑟𝑖𝑛𝑔 =
serumcreatinine
1ste master geneeskunde 2025-2026